zaterdag 17 november 2012
Het spoor bijster
Een paar maand geleden kwam hij ‘s morgens regelmatig met veel lawaai de trap opgerend maar zijn medicatie heeft daar nu een eind aangemaakt. Meestal merk ik het niet eens dat Rutger al binnen is. Hij lijkt een beetje op een kuikentje dat net uit het ei is en wat verdwaasd rondstapt. Wat doe ik hier toch, lijkt hij te denken, waarom moest ik hier ook al weer zijn? Hij loopt wat onzeker naar zijn tafeltje, rommelt in zijn kastje, loopt in de richting van het groepje van Tijmen, aarzelt, keert om, spreekt Stephen aan, stopt halverwege in de zin, fladdert wat met zijn handen en blijft dan besluiteloos om zich heen staan kijken. Hoewel het oppervlak van het lokaal klein is en er 27 leerlingen in zitten, lijkt Rutger op een eiland te wonen. Het is om een of andere reden altijd wat leeg om hem heen. Het leven is niet altijd even makkelijk voor hem. Hij moet zich inspannen om de sociale interacties te doorgronden en ook bij de instructie en het zelfstandig werken raakt hij het spoor snel bijster. Als ik dat niet op tijd door heb, verdwijnt hij naar de wc. Tjonge, jonge jonge wat heb jij een lastige blaas, mopper ik dan terwijl ik vergeefs op de deur van het toilet klop, hoe langer je hier zit, hoe groter je achterstand wordt, kom er nu af, we maken gewoon een nieuwe werkafspraak. Aan de andere kant van de deur wordt er dan vervolgens hartgrondig gezucht. Ik moet gewoon plassen hoor, klinkt het verongelijkt. Hij heeft een kort lontje. Dat zit hem zelf nog wel het meeste dwars. Ik weet soms niet wat er met mijn hoofd gebeurt, zegt hij als ik hem na een korte felle vechtpartij vraag hoe dit nou zo gekomen is. Er ploft iets, legt hij verontschuldigend uit, ik wil het eigenlijk niet maar het gebeurt gewoon. Als het over is heb ik altijd hele erge hoofdpijn juf. Vervolgens biedt hij zijn excuses aan. Aan het slachtoffer, aan mij, aan de hele wereld. Sorry hoor. Sorry, sorry, sorry. Hij blijft nog uren in de war na een uitbarsting. Ik ben zo misselijk juf, ik wil graag naar huis. Maar dat kan niet. Daar kan ik niet aan beginnen. Zijn moeder ook niet. Hij heeft de pest aan ons op zulke momenten. Laat me nou naar huis gaan juf. Zeg nou tegen mijn moeder dat ik ziek ben. Nee, je gaat gewoon aan je werk jongen, het is over, we gaan gewoon weer verder. Rutger heeft de pech dat alle jongetjes in de klas willen voetballen in de pauze. Dus doet hij ook mee. Zijn inspanningen zijn groot. Hij volgt de bal met grote vasthoudendheid. Alles in hem staat op scherp. Als de bal in zijn buurt komt zet hij een sprintje in. Hij doet verwoede pogingen iets te betekenen op dat moment, iets van waarde, iets waardoor ze straks zullen juichen en hem op de schouder kloppen. Maar meestal zijn deze inspanningen vruchteloos. Een onhandige uithaal, een bal die naar rechts gaat in plaats van naar links. In de beste gevallen zeggen zijn klasgenoten er niks van. In de slechtste gevallen raakt hij het been, de buik, de rug van een tegenstander en stromen de verwijten van alle kanten op hem af. Loser! Hoewel het oppervlak van hun speelveld niet groot is en alle jongens en een enkel meevoetballend meisje op een kluitje bij elkaar staan, lijkt Rutger ook hier op een eiland te spelen. Hij is alleen. Toch geeft hij niet op. Steeds opnieuw probeert hij te begrijpen welke handeling de beste resultaten oplevert. O kijk, daar komt de bal weer aan. Even een sprintje trekken. Schoppen nu! O jee. Weer het been van Tijmen geraakt. Sorry hoor, sorry, sorry, sorry.
zondag 4 november 2012
Leon
Ik sta in een parkeergarage bij een bekend winkelketen in het midden van het land. Net als ik uit wil stappen loopt er iemand vlak langs mijn auto. Een medewerker van de winkel duwt een aantal winkelwagentjes voor zich uit. Er is iets bekends in zijn houding. Als ik beter kijk zie ik dat het Leon is. Ik kijk verbaasd naar de ongeïnspireerde wijze waarop hij de karretjes voor zich uitduwt. Leon kwam in de eerste jaren van deze eeuw steeds opnieuw op mijn pad. Ik was zijn studieloopbaanbegeleider in het eerste jaar van de pabo, zijn stagebegeleider in het tweede jaar en zijn Lio- en scriptiebegeleider in het vierde jaar. Het viel destijds niet mee om Leon op de opleiding te houden. Hij had er een handje van om met vrouwelijke docenten en leerkrachten overhoop te liggen. Hij ergerde zich snel aan hun ‘pietluttigheid’, zoals hij dat noemde en begreep niet dat hij niet in de positie was om hen aan te spreken op hun gewoonten. Daar kwam bij dat uitgerekend in zijn eerste jaar het competentieleren zijn intrede deed. Ik begrijp er he-le-maal niks van, brieste hij tot mijn schrik tijdens zijn assessment tegen mijn collega, wat wilt u nu van mij? Ik wil hier leren lesgeven. Wat heeft dat te maken met al dit gezeur over competenties? Toen mijn collega boos opmerkte dat hij door zich zo te gedragen in ieder geval op een punt al incompetent was, liep hij woedend weg. Dezelfde avond stond er een excuusbrief op de mail. Hij schaamde zich diep, schreef hij, zou hij nog een kans mogen krijgen om het allemaal in orde te brengen? Ik had een zwak voor hem, al gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen dat ik daar vrij alleen in stond. Zo gauw hij les gaf bleek Leon een liefdevolle en enthousiaste kant te hebben. Ik was ervan overtuigd dat hij wel in zijn rol als leerkracht zou groeien. Dus bleef ik hem telkens voor de uitgang van de pabo wegslepen. Hij komt er wel, sprak ik de ene keer sussend tegen een collega. Geef hem de tijd, hij is nog jong, soebatte ik een andere keer tegen zijn begeleider op de stageschool. De keren dat hij tijdens de stage toevallig een mannelijke leerkracht trof ging het uitstekend. Mannelijke collega’s waren onveranderlijk optimistisch over hem. Maar ja. Hoeveel mannen staan er nog voor de klas in het basisonderwijs. Leon kwam steeds weer bij ‘een zeurpiet’ terecht, vond hij. Je kunt je nu wel ergeren aan al die precisie van die dames, mopperde ik als er weer eens wat was voorgevallen, maar zolang je je diploma niet hebt, heb je het er mee te doen. In het vierde jaar van de opleiding gedroeg hij zich voorbeeldig en schreef een gedegen scriptie. Ik sprak hem opgewekt toe bij de diploma-uitreiking en wenste hem het beste toe. We zijn inmiddels vijf jaar verder en nu loopt hij hier in een parkeergarage winkelwagentjes te verzamelen. Wat zou er gebeurd zijn, denk ik terwijl ik mij laat terugzakken in mijn stoel. Is hij gefrustreerd geraakt van al dat zware invalwerk. Heeft hij een directrice getroffen die een fervent aanhangster bleek van het micro-management. Is hij wellicht doodmoe geraakt van al dat solliciteren naar niet bestaande banen? Net als ik zijn naam wil roepen, bedenk ik mij. Wil ik het eigenlijk wel weten? Zit mijn taak er niet gewoon op? Als ik hem in de verte zie hannesen om de karretjes allemaal tegelijk door een deur te krijgen bedenk ik me hoe treurig het eigenlijk is dat hij hier onder zijn niveau door een parkeergarage sjokt en ik, en velen met mij, tot ons zevenenzestigste door moeten gaan terwijl we dat natuurlijk helemaal niet willen en misschien ook wel helemaal niet kunnen.
maandag 22 oktober 2012
Lezing. AOb congres Utrecht.
Dames en heren,
Vandaag gaan u en ik hier in Utrecht het goede Nederlandse onderwijs nog beter te maken. Althans… daar gaan we voor ons inzetten, daarvoor offert u uw vrije zaterdag op en bent u van heinde en verre naar hier naar toe gereisd. Het goede onderwijs nog beter maken…het is het thema van deze dag en het is een mooi, nobel thema. Een thema dat terug komt in veel workshops. Zo kunt u bijvoorbeeld vandaag uw oplossingsgerichtheid oefenen, uw veranderingskracht proeven, uw brein vriendelijker maken, uw handelingsvaardigenheden uitbreiden. U kunt uw kernprincipes bijstellen, u kunt uzelf in een optimale staat van leren brengen en alles in het werk stellen om een krachtige leraar te worden Een leraar die creatief denkt en geen, ik herhaal dit met nadruk, geen ideekiller wenst te zijn. Bah. Ideekillers. Wie wil een ideekiller zijn? We kennen deze suspecte lieden allemaal van dichtbij. Mijn collega Tom was een ideekiller avant la lettre. Dertig jaar geleden was het in de mode om te pas en te onpas projecten rond een thema op te organiseren. Natuurlijk liep ik daarin voorop. Ik was jong en dacht oprecht dat er nog een wereld te winnen was in het moderniseren van het onderwijs. Mijn collega Tom bestond het om op elke vergadering die over de inhoud van het project handelde op te merken: ja maar collega’s, alles goed en wel maar vertel me nu eerst eens even: wat is nu eigenlijk een project? Vervolgens keek Tom ons allemaal stuk voor stuk aandachtig aan. In het begin dacht ik dat hij het allemaal echt niet goed snapte en legde ik geduldig uit wat er zoals van hem verwacht werd. Maar na verloop van tijd ging mij een licht op. Door consequent niet te willen begrijpen waar het over ging maakte Tom ons duidelijk dat er op dit gebied ook helemaal niets van hem te verwachten viel. Dertig jaar later speelt mijn collega Yvonne een zelfde rol. Iedere keer als wij ons van hoger hand moeten buigen over de steeds weer nieuwe richtlijnen rond het invoeren van gegevens in het leerlingvolgsysteem Parnassys zet collega Yvonne haar bedenkingen tegenover dit systeem nog eens uitgebreid uiteen. Het is tijdrovende aangelegenheid, fulmineert ze, het leert haar niets nieuws over de leerlingen, de instructies veranderen zo ongeveer elke maand dus wie kan er van haar verwachten dat zij het nog snapt en uitvoert? Haar betoog vreet elke keer zoveel energie van de rest van de vergadering dat we bijna allemaal liever nog een keer de resultaten van de laatste rekentoets invoeren dan nog een keer dit verhaal aan te horen. Terwijl de meesten het waarschijnlijk in diep in hun hart met haar eens zijn. Nee, maar weinig leerkrachten willen voor ouderwets, zanikend en lui versleten worden. Zo iemand die altijd wel een reden weet waarom hij de nieuwe leesmethode niet onder de knie krijgt, het zelfstandig werken tot nader orde uitgesteld heeft en nooit die leuke, nieuwe geschiedenismethode met zoekopdrachten uit de kast haalt. Wanneer moet ik dat allemaal doen dan, verzucht de ideekiller, waar is dit allemaal goed voor, knerpt het onvriendelijke brein. Een beetje leerkracht wil niet geïdentificeerd worden met zo veranderingsslapte, probleemgerichtheid en handelingsonvaardigheid. Vlot, vrolijk en met opgeheven hoofd wenst hij alle veranderingen tegemoet te treden. Hoofdpijn, depressie, tegenzin, het bestaat niet in onderwijsland. Wij zijn hier altijd vrolijk en houden elke dag zielsveel van ons vak. U hoort het al. Hier spreekt in de kern van de zaak eigenlijk ook een ideekiller. En hoewel ik eerlijk gezegd zelf ook altijd de kriebels krijg van het soort weerstand dat mijn collega’s Tom en Tineke ten toon spreiden moet ik eerlijk toegeven dat ik zelf ook niet vrij van enige weerstand ben. Ik vraag me soms echt af hoe het komt dat men in het onderwijs zo kritiekloos en blijmoedig alle van boven opgelegde richtlijnen aanvaardt en uitwerkt. Ik kan soms niet geloven wat ik lees als ik het profiel van sommige basisscholen lees. Laatst fietste ik langs een basisschool bij mij in de buurtwaar met sierlijke letters ‘Dalton Sterrenschool met het accent op meer begaafdheid’ op de gevel geschreven stond. Wat is er aan de hand met deze arme school? Is het leerlingenaantal zo dramatisch laag en de druk van hogerhand zo dramatisch hoog dat men maar lukraak een aantal goed in de markt liggende vernieuwingen op elkaar stapelt en daar mee onhaalbare doelen nastreeft en overspannen leerkrachten creëert? Het leerlingvolgsysteem dat op de meeste scholen al is ingevoerd heeft op sommige onderdelen gedrochtelijke vormen aangenomen. Toch bestaan er scholen die het presteren om helemaal op eigen houtje, er is geen inspecteur die erom gevraagd heeft, extra toetsen in te voeren. Er is niets tegen opbrengst gericht leren. Het nastreven van opbrengst gericht leren is zelfs zo normaal dat het raar is dat het woord nu pas ingeburgerd raakt. Ik weet niet beter of ik geef al dertig jaar les volgens dit principe. Maar de opbrengstgerichtheid geldt natuurlijk ook voor het tekenonderwijs, de handenarbeidlessen, samenwerkingsvaardigheden en de gymnastieklessen. Het leven bestaat niet alleen uit lezen, taal en rekenen. Dus ook het leven op een basisschool niet. Het is volslagen rigide om dit los te koppelen. Tot welke Orwelliaanse toestanden dat kan leiden zien we op dit moment in de Verenigde Staten. Daar wordt alleen nog maar geoefend voor de toetsen van rekenen, lezen en taal. Elk jaar worden om die reden leerkrachten publiekelijk vernederd of zelfs ontslagen als er niet een bepaalde norm gehaald is. De situatie is daar op dit moment onleefbaar voor zowel leerlingen en leerkrachten. Het lijkt me dat dit echt niet de richting is die we hier ook op moeten gaan en toch is het niet ondenkbaar dat dit wel gebeurt. Er zijn al signalen zichtbaar. Onlangs mocht een collega tijdens de personeelsvergadering van haar school uitleggen waarom zij met haar groep achterbleef in de cito-scores. Haar collega’s grepen niet in. Deze collega’s schrokken trouwens zo van hun gedrag dat ik denk dat ze de volgende keer wel degelijk in zullen grijpen maar ondertussen lag de arme vrouw natuurlijk wel nachten wakker van deze bejegening. En daarom pleit ik er hier voor om het hoofd recht te houden en al die bazen, bovenbazen, pedagogen, didactici en andere specialisten op deelgebieden ferm tegen te spreken als zij ons het bos in sturen. U vraagt teveel, mevrouw. U vraagt iets raars, heren. Dit is geen beroep om jaar in jaar uit te leveren aan de laatste modes en de jongste onbewezen inzichten. Dames en heren. Als je een broodje wil eten ga je naar de bakker. De criteria voor het eten van zo’n broodje zijn simpel: het moet lekker zijn, voedzaam zijn en je moet er niet ziek van worden. De criteria voor een bedrijf dat vaargeulen uitbaggert zijn ook helder: er moet daarna goed gevaren kunnen worden. Elke bakker zou het raar vinden als Jan Piet en Tineke de bakkerij binnen zouden stappen m et de mededeling dat ze mee komen bakken vandaag. Iedere baggerbedrijf zou vreemd opkijken als er plotseling iemand ongeoefend mee komt baggeren. Toch accepteren wij in dit beroep dat er zo’n vreselijk term als Educatief Partnerschap ruimte krijgt om serieus besproken en uitgevoerd te worden. Natuurlijk gaan wij geen educatief verbond met ouders aan ten aanzien van ons vak. Het is een vak. Je moet er talent voor hebben, je moet er in opgeleid worden. En als je dan eenmaal voor die klas staat dan moet je dat werk ongestoord en goed kunnen uitvoeren zonder dat er telkens hele groepen op het raam staan te tikken of zonder kloppen binnen lopen. Mogen er dan geen eisen aangesteld aan ons worden? Natuurlijk. Het broodje moet lekker zijn. De vaargeul bevaarbaar. Het onderwijs goed en opbrengstgericht. Om dit beroep mooi, uitdagend en vooral heel zinvol te houden zullen we een vuist moeten maken. We zullen trotser moeten worden op wat we daar dag in dag uit staan te doen en ons al dat plezier wat we eraan beleven niet af moeten laten pakken. We zijn er zelf bij. Laten we er maandag onmiddellijk mee beginnen. Lol, plezier, passie, het zijn de belangrijkste elementen om het goede onderwijs in Nederland nog beter te laten worden. Dankuwel.
zondag 7 oktober 2012
Po
Er gaat een grote strandbal rond tijdens de workshop. Als de bal in de buurt van een deelnemer komt is het de bedoeling dat hij verder gegooid wordt. Behalve als er ‘stop’ geroepen wordt. Dan moet je kort vertellen waar je aan denkt bij het woord ‘ouders’. Ik ben als de dood dat die bal bij mij belandt. Dat geldt niet alleen voor mij. De bal wordt fanatiek rond gemept. Als iemand zich genoodzaakt ziet iets te zeggen, valt het me op dat ik het antwoord niet hoor. Ik ben veel te druk met bedenken wat ik zelf zou zeggen. Er schiet mij niets te binnen. Dit spel laat namelijk geen nuance toe. Het moet kort en krachtig. Gelukkig gaat de beurt aan mij voorbij. Vol schaamte bedenk ik dat ik op de pabo mijn studenten ook wel eens lastig viel met een dergelijke frustrerende opdracht. Al werd er daar niet met een bal gegooid maar met wol. Het bolletje werd zo snel heen en weer gegooid dat ik echt de antwoorden van de studenten niet verstond en zij die van elkaar ook niet. Ook raakte de draad vaak hopeloos in de knoop zodat ik naderhand nog lang bezig was het lokaal weer op orde te brengen. Het is een raadsel waarom deze opdracht niet allang op de vuilnishopen van de nutteloze scholingstechnieken is beland. Waarschijnlijk speelt gemakzucht een rol: er moet nog iets leuks aan het begin van de workshop….o ja die bal! Als de lamellen weer recht gehangen zijn, wijst de workshopleider op een grote streep die dwars door het lokaal getrokken is. De volgende opdracht een stellingenspel. Het is de bedoeling dat we links van de streep gaan staan als we voor een stelling zijn en rechts als we er tegen zijn. Ik zucht. Ook deze oefening komt me bekend voor. Arme studenten. Zal ik ze met terugwerkende kracht een excuusbrief schrijven? De eerste stelling verschijnt ondertussen op het digibord. Er breekt ogenblikkelijk verwarring uit. Het is moeilijk om stellingen glashelder te formuleren en deze workshopleider is in alle valkuilen tegelijk getuimeld. Er wordt veel heen en weer gelopen. Zelfs als het gesprek over de posities die men ingenomen heeft al hoog en breed op gang is, stappen er nog mensen snel over de streep heen. ‘O, bedoel je dat. Nee, dan hoor ik aan de andere kant!’ Het liefst zou ik in het midden gaan staan. Met mijn ene been rechts over de streep en mijn andere been links. Maar er bestaat geen tussenvorm van ja en nee. Het zou mooi zijn als het eens uitgevonden werd. Ooit las ik eens een boek waarin voorgesteld werd het woord ‘po’ te gebruiken als je ergens geen mening over hebt of beter nog…geen mening over wil hebben. Po! Geen ja. Geen nee. Ik was onmiddellijk voor. Het is vaak zo vermoeiend om standpunten in te nemen, zeker over zoiets onvermijdelijks. Ouders zijn er nu eenmaal. Punt. Je kunt ze beter niet voor het hoofd stoten en je kunt ze ook de les niet laten overnemen. Tussen die twee uitersten vinden de dagelijkse manoeuvres plaats. De ene keer kan de dag door hun aanwezigheid niet meer stuk en de andere keer is de dag al stuk voor dat hij begonnen is. Maar de bedenker van het woord ’po’ is een buitenlander. In het Nederlands is het een raar woord. Het maakt een merkwaardige indruk als ik plotseling in het midden van de ruimte ga staan en ‘po’ roep. Dus doe ik iets wat die studenten van mij natuurlijk nooit konden doen. Ik ga er vandoor. Als er opnieuw verwarring ontstaat bij een stelling ontvlucht ik de ruimte, op zoek naar een zinvollere workshop. Iets met dansen of zo.
zaterdag 22 september 2012
Dobber
Het nieuwe schooljaar is echter nog maar net van start gegaan en ik heb nu al het vermoeden dat de meisjes uit deze klas eigenlijk liever niets willen weten. Ik heb natuurlijk nog lang niet alles uit de kast gehaald maar alle signalen wijzen er op: het wordt een harde dobber. De desinteresse straalt er van af. De tweede wereldoorlog, de aanstaande verkiezingen, de oorsprong van het heelal, ik ben amper begonnen of daar knikkebolt het eerste meisje, daar gaapt het tweede, daar valt het derde dametje ten prooi aan dodelijke verveling. O o o wat kan ik daar toch narrig van worden. Draai je eens naar mij toe, snib ik. Kom op meid, donder ik een andere keer, terwijl ik met mijn hand op tafel sla en enigszins geniet van de schrik die dit veroorzaakt bij het ingedutte schepseltje. Ik snap zulke meisjes niet. Al die mooie verhalen, opgesmukt met prachtig gemaakte schooltelevisie uitzendingen, fleurige werkboeken, oogstrelende en uitdagende computerprogramma’s, hoe bestaat het dat je tien bent en denkt: wanneer gaan we stoppen, gaan we ook nog wat anders doen juf? En hoe is het mogelijk dat dit jaar alle meisjes behept lijken met het o-wat-is-dit saai-zeg virus. Hoe haal ik het eind van mijn onafzienbaar lange loopbaan als er groepen voor me zitten waarvan de helft gaapt, slaapt en suft tijdens de leukste lessen? Gelukkig zijn de jongens van een ander kaliber. De meesten doen actief mee, hangen aan mijn lippen, klikken enthousiast door de menu’s van computerprogramma’s heen en kijken ademloos naar schooltelevisie uitzendingen. Mag ik vandaag wat extra lang aan mijn werkstuk werken, juf? Mag mijn opa over de Tweede Wereldoorlog komen vertellen? De jongens in deze klas hebben echter een andere makke: ze zijn voetbalgek. In pauzes spelen ze dit spel al jaren met zoveel overgave en inzet dat het net lijkt of hun leven er vanaf hangt. Dat is geloof ik ook zo. Er spelen zich soms heuse veldslagen af: A. gaat door het lint, B. waagt zijn leven doordat hij A. probeert te kalmeren. C. stampt boos het veld af. D. rent dolzinnig naar huis. E. schakelt de pleinwacht in en de rest staat er verslagen en geïmponeerd bij. Er zijn vele pogingen ondernomen om het spel van deze groep in goede banen te leiden. Met wisselend succes. Om mijzelf veel gedoe in pauzes en vooral na pauzes te besparen besluit ik om ook een poging te wagen. Het begin van het schooljaar is immers een goed moment om duidelijk te maken dat ik een strenge doch rechtvaardige natuur heb en dat er niet met mij te spotten valt. Op de eerste schooldag laat ik de jongens uit mijn klas voor mij plaatsnemen, sla mijn armen over elkaar en kijk hen stuk voor stuk plechtig aan. Jullie zitten nu in groep zeven, zeg ik. Ik spreek deze woorden langzaam en nadrukkelijk uit. Ik ben namelijk dol op deze zin. Ik gebruik hem te pas en te onpas: om leerlingen af te leren hun moeders mee te zeulen bij vermeend onrecht, om te zorgen dat niemand het meer durft om linea recta naar huis te stiefelen als het even tegenzit, bij chronisch geruzie enzovoort. De eerste de beste keer, zeg ik, dat het voetballen op het veld tijdens de pauze uit de hand loopt, wordt er in de week daarna niet meer gevoetbald! Ze kijken elkaar aan. Niet meer gevoetbald? Dat is toch onbestaanbaar. Wat moeten we dan doen, vraagt Koert verbijsterd. Ik negeer hem. Er gaat ook niemand meer voor dood op het veld liggen, vervolg ik mijn verhaal, dat houdt de boel veel te veel op en is meestal alleen maar aanstellerij! Ze knikken en sjokken aangeslagen weg. Wat een merkwaardige juf. Ik kijk ze weifelend na. Ook dit wordt nog een harde dobber.
zondag 24 juni 2012
Over en uit.
Ze hebben het tot maart volgehouden, Sarah en Michelle. Daarna was het plotseling over. In het begin verbaasde het me zeer. Zag ik nou echt goed dat Sarah een briefje aan haar buurvrouw doorschoof terwijl ik ze bij de rekeninstructie uitputtend over de kubieke decimeter en de vierkante centimeter onderhield? Nou ja, misschien lag het aan die kubieke decimeter. Tot op de dag van verdaag vervullen opdrachten in het rekenboek die daarmee samenhangen mij met weerzin – al dat gedoe met nullen en komma’s, wat moet een mens ermee- dus wie ben ik om hen iets kwalijk te nemen. De volgende dag schuiven er echter ook briefjes tijdens de uitleg van gewone huis-tuin-en-keuken sommen voorbij. Ik spreek ze stevig toe. Even lijkt het alsof ze mijn woorden serieus nemen maar even later zie ik hun aandacht al weer afdwalen. Een paar dagen later begrijp ik wat er werkelijk aan de hand is: Sarah en Michelle zijn afgehaakt. Ze hebben het opgegeven. Ze zijn er klaar mee. Rekenen is gewoon te moeilijk, over tot de orde van de dag. In het begin van het jaar waren ze allebei nog vast van plan de moeilijkheden onder de knie te krijgen. De resultaten vielen onverminderd tegen maar hun inzet bleef op peil. Ik prees ze de hemel in, legde alles steeds opnieuw uit en zorgde dat ze niet teveel moeilijkheden tegelijk op hun bordje kregen. Maar steeds opnieuw verdween de instructie in een bodemloos gat in hun hoofd. Ze wisten het zelf ook. Ik vergeet het steeds, zuchtte Sarah dan. Net begreep ik het nog, steunde Michelle droevig. En nu is het voorbij. Het leven gaat verder zonder rekenen. Ook hun ouders hebben er vrede mee. De enige die zich er niet bij neer kan leggen ben ik. Het voelt als een nederlaag. Luister nu. Als ik het nu nog eens uitleg? Let nou toch op, verdorie! Met Randy is het al net zo gesteld. Al gaat het bij hem niet alleen om rekenen. Ook bij spelling, topo en aardrijkskunde haalt hij nog maar zelden een goed resultaat. Hij weet het. Ik zie bij het afnemen van toetsen aan zijn hele lichaamshouding dat hij doordrongen is van het feit dat hij opnieuw een slecht resultaat zal halen. Hij hangt wat, zucht wat, draait wat op zijn stoel. Hij sloft naar de wc, vraagt fluisterend of hij misschien koffie voor me moet halen. Het is een toets Nils. Ja maar u heeft toch vast wel zin in koffie? Tijdens de reguliere lessen wordt het werk op zijn niveau aangepast maar zolang de (Cito-)toetsen onverminderd op hetzelfde niveau worden aangeboden weet hij dat hij het klassengemiddelde bij lange niet haalt. Leonie zucht al net zo hard. Zij heeft zoveel problemen met rekenen dat zij de Cito-toetsen op het niveau van groep vijf maakt. Maar ook dan is ze de kluts regelmatig kwijt. Ik heb zo’n buikpijn, klaagt ze dan. Leonie gaat binnenkort naar groep 8. Ik was benieuwd hoe het Cito dacht over leerlingen die bij rekenen nog niet op groep 6 niveau presteren. Moeten ze dan toch meedoen aan dit onderdeel bij de landelijke Cito-toets? Ik kreeg een ellenlange mail zonder een echt antwoord terug. Voor Leonie moeten we kennelijk zelf op zoek naar een procedure waar ze geen buikpijn van krijgt. Werken op diverse instructieniveaus is –terecht- een onvoorwaardelijke eis van de onderwijsinspectie, afrekenen op een gemiddeld eindniveau is –helaas- net zo’n onvoorwaardelijke verlangen. Die twee zaken bijten elkaar. Dat weet iedereen. Aan ons de taak om tussen deze twee uitersten een weg te vinden die het minst schade aanricht aan de kinderziel van Michelle, Sarah, Randy en Leonie. Gelukkig weten sommige kinderen wel raad met deze spagaat: ze geven het op en gaan leukere dingen doen met hun leven: briefjes schrijven bijvoorbeeld.
zaterdag 9 juni 2012
Verkeersles
Zeker twintig klasgenootjes zijn haar voorgegaan op de fiets. De meesten hebben zich keurig aan alle aanwijzingen gehouden: eerst achterom kijken, hand uitsteken en dan voorsorteren als je het voorrangsfietspad nadert. Toch ziet Sharon kans geen van deze handelingen uit te voeren. Als ze het teken krijgt om te laten zien dat ze de regels heeft begrepen, brengt ze haar fiets wiebelig in beweging, kijkt niet over haar schouder naar achteren en rijdt, zonder voor te sorteren, zonder ook maar en blik naar links of rechts te werpen recht op het fietspad af. Collega L. en ik schreeuwen ons tegelijkertijd de longen uit het lijf. Sharon laat zich echter niet uit het veld slaan door ons gebrul, uit haar lichaamshouding blijkt dat zij ook de razend drukke verkeersweg die zich achter het fietspad bevindt op dezelfde wijze denkt te kunnen nemen: met blind vertrouwen in de voorzienigheid. Mijn hart klopt in mijn keel. Ik twijfel ineens aan mijn vermogen om haar vandaag in leven te houden. Als ik Sharon eindelijk tot stilstand heb geschreeuwd, kijkt ze me verbaasd aan. Haar houding verandert in een seconde van roekeloos in apathisch. Doe ik het niet goed? Zegt u het dan maar hoor juf. Kan het nu? Nee, nu dan wel? Neem zelf een beslissing, roep ik. Kijk goed. Ga niet als je twijfelt. Sharon blijft echter naar mij kijken. Je moet naar links kijken, zeg ik. Sharon kijkt braaf naar links en dan weer naar mij. Ik ben er van overtuigd dat ze niet echt iets waarneemt. Ondertussen heeft Sarah zich al in beweging gezet om de oversteek te wagen. Sarah is Turks maar in Nederland geboren en opgegroeid. Ze kan echter amper fietsen. Ze doet ontzettend haar best maar het verkeersknooppunt is gewoon te complex voor haar. Fietspad links, schreeuw ik. Ze kijkt gehoorzaam naar links. Fietspad rechts, schreeuw ik. Denkt u dat ik kan gaan, vraagt ze onzeker. Wat denk je zelf, vraag ik uitnodigend. Sarah haalt besluiteloos haar schouders op. Ik weet het niet juf. Ja maar lieverd, ik sta hier de volgende keer echt niet als jij de weg over moet. Ha, ha, nee juf, dat weet ik. Ik slaak een zucht van verlichting als ze aan de overkant is. Er zijn ook leerlingen die de route van het verkeersexamen veel geoefend hebben met hun ouders. Tim hoef ik om die reden niets meer te vertellen. Ik heb hier al al vier keer met mijn ouders gereden, zegt hij als ik op het punt sta om hem een aanwijzing te geven. Ik klap mijn mond braaf dicht. Als hij echter bij de derde hindernis opnieuw vergeet zijn hand uit te steken en andermaal zelfverzekerd in mijn richting roept dat hij hier al voor de vijfde keer rijdt kan ik het niet laten: zolang je je hand vergeet uit te steken moet je misschien ook nog maar een zesde keer gaan oefenen! Tim rijdt met een rood hoofd verder. Ik ben nooit op mijn best met dit soort uitstapjes, denk ik berouwvol als ik naar zijn verdwijnende rug kijk. Dit reflectieve moment duurt echter maar kort want Mickey komt eraan gescheurd. Ik ken deze weg want ik woon hier, roept hij enthousiast terwijl hij aanstalten maakt nog net voor een aanstormende auto langs te schieten. Mijn terechtwijzing weerkaatst door de hele buurt. Gelukkig doen de meeste leerlingen het heel goed. Soms zelfs te goed. Zo doet Daan bijvoorbeeld heldhaftige pogingen om zijn hand uit te steken en tegelijkertijd zijn fiets in beweging te zetten. De poging eindigt in de berm. Ik help hem overeind. Nog even en we zijn weer op school, denk ik opgelucht. Dat is een plek waar mijn zonnige aard veel beter tot zijn recht kom dan hier op straat.
Abonneren op:
Posts (Atom)