zaterdag 22 februari 2014

Dubio

Rutger slikt een hoge dosis. Om die reden maakt hij soms een versufte indruk. De dosering is zo ingesteld dat hij ’s morgens rustig sloffend de klas binnenkomt. Dat was ooit wel anders. Toen hij nog geen medicijnen slikte was zijn komst op school voor iedereen hoor-en zichtbaar. Schreeuwend en met zijn tas om zich heen slaand, een spoor van omgevallen stoelen en verschoven tafels achterlatend stormde hij de school binnen. Overal vlogen leerkrachten hun lokaal uit om hem tot rust te manen. Iets wat overigens maar amper lukte. Hij bracht tijdens de les meer tijd buiten de klas door dan er in. Dat is nu anders. Je merkt hem amper op als hij nu binnenkomt. Hij is zelfs zo rustig dat het bijna zielig is. Bijna….want toen onlangs zijn pil tijdens een voorstelling in de schouwburg uitgewerkt was zag ik mijzelf genoodzaakt de hele voorstelling achter hem aan te klauteren. Steeds opnieuw bereikten mij klaagzangen van andere scholen over zijn gedrag. Alsof het mijn schuld was dat Rutger daar als een aal door de rijen heen schoot om iedereen te ontregelen. Ik kon hem helaas niet vast binden en ook was ik niet gemachtigd om er desnoods tien pillen in te stoppen. En dat terwijl ik eigenlijk -als ik niet in een schouwburg zit en niet verantwoordelijk wordt geacht- tegen al die medicatie ben. Ik begrijp de moeder van Joanna best. Die hield radicaal op met de Ritalin toen ze zag dat haar dochter niet meer op zichzelf leek. Het resultaat is echter wel dat Joanna nu de hele dag op een vuilnisbelt leeft. Het is niet te geloven wat zij in korte tijd aan rotzooi om zich heen weet te verzamelen. Half afgekloven appels, half leeggedronken vruchtensappakjes, verfrommeld papier, stiften, pennen, potloden, boeken, schriften, atlassen, ze is zelf regelmatig onvindbaar tussen al die rommel. Als de vleesgeworden wrake toren ik steeds te midden van al die puinhoop op: wat is dit, gooi dat eens in de prullenbak, waar is je rekenboek, waar kan ik deze taalles terugvinden in je schrift? Joanna straalt altijd iets wanhopigs uit als ik probeer enige orde aan te brengen. O ja, dat wou ik net doen, mijn taalles is niet gemaakt want ik kon mijn boek niet vinden, ik was naar de wc dus ik heb u niet gehoord. Ook verkeert ze op voortdurende voet van oorlog met Maartje. Maartje is in alles haar spiegelbeeld. Ze is net zo springerig, chaotisch, aanwezig en rommelig als zij. Met dit verschil dat Maartje wel medicatie slikt en doorgaans in een ordelijke omgeving haar werk maakt. Ze kunnen elkaar niet luchten of zien. Ik moet ze minstens twee meter van elkaar af zetten anders brengen ze de hele tijd door met het organiseren van minuscule invasies in het territorium van de ander. Daar schuift een boek net even over de rand, daar wordt opzettelijk een voet in het gebied van de andere geschoven. Ah, juf Joanna tikt met haar voet op mijn stoel, Ah juf, Maartje tikt me steeds even aan als ik langs loop. Waarschijnlijk zou Joanna beter af zijn met medicatie maar ik verkeer in dubio of ik deze strijd met haar moeder op dit punt aan wil gaan. Ik ga niet overal over en ik wil ook niet overal over gaan. Er zijn beslissingen die buiten mijn invloedssfeer vallen. In deze klas van 27 leerlingen gebruiken vijf leerlingen Concerta of Ritalin. Dat is een kleine twintig procent. Dit percentage wijkt niet substantieel af van het percentage van vorige jaren. Dat is tamelijk onthutsend. Dat betekent dat een op de vijf leerlingen gedrogeerd in de klas zit. Daar wil ik geen steentje aan bij dragen. Ook al betekent dat misschien wel dat Joanna haar potentieel niet voldoende benut.

Komma

Er wordt een gastles gegeven in de klas. De leerlingen zitten in groepjes van vier rond een bordspel. De opdracht is onduidelijk. Wouter, de docent, erkent dat. Hij heeft deze klacht vaker gehoord zegt hij. Maar het doet er niet toe want het gaat om het idee. De meeste leerlingen zijn het kennelijk met hem eens want ze stromen over van de ideeën: voorwerpen afpakken, de buurman aanstoten, dingen op de grond laten vallen. Oeps! Sorry hoor. Geef hier! Ah juf…Sarah speelt vals. Ik zit op het puntje van mijn stoel maar Wouter lijkt zeker van zijn zaak. Hij doet dit dagelijks, zegt hij. Dan valt mijn oog op Marcel. Marcel haat alles wat met samenwerken te maken heeft. Hij kan het niet en hij wil het ook niet leren. Hij staat op het punt heel erg gefrustreerd te raken van deze chaos. Ik maak aanstalten om naar hem toe te lopen. Wouter legt zijn hand op mijn arm. Ik had deze jongen bij binnenkomst al in het vizier, zegt hij, autisme hè? Hij wacht het antwoord niet af. Ik weet er alles van, vertelt hij, ik ben namelijk samen met een collega bezig een module voor autistische kinderen op te stellen. Wacht maar. En voor ik ook maar iets kan zeggen staat hij op en gaat hij vaderlijk achter Wouter staan. Lukt het niet jongen? Nee, schreeuwt Marcel boos. Dan legt Wouter zijn handen op zijn schouders. Ik krimp onwillekeurig ineen en doe mijn ogen dicht. Als ik ze weer open zie ik nog net dat Wouter geschrokken terugdeinst vanwege een vuist die hem in zijn middenrif treft. Ik sta op. Wouter steekt echter zijn hand op. Wacht nou maar, zegt hij opnieuw. Dan leg hij opnieuw zijn hand op de schouder van Marcel. Deze bedenkt zich geen tel en haalt dit keer loeihard met zijn elleboog uit. Ik besluit nu toch echt in te grijpen en zeg tegen Marcel dat hij maar even een boek moet gaan lezen. Marcel staat snel op en haalt met een rood hoofd zijn boek uit het kastje. Wouter krabt zich op zijn hoofd. Even later is hij op weg naar zijn tas en pakt er een stapel kaarten uit. Hij roept Marcel. Laat hem nu maar, zeg ik. Maar Wouter laat zich andermaal niet door mij weerhouden. Marcel,roept hij enthousiast door de klas, jongen, vriend van me, als jij deze kaarten nou eens….Ga weg, krijst Marcel buiten zich zelf, ga weg! Als Wouter vertrekt, geeft hij me een hand en zegt: als mijn module af is, ben ik benieuwd wat je er van vindt? Ik knik. Ik weet al wat ik ervan vind. Die middag hebben we opnieuw bezoek. Dit keer is het Yvonne, de ambulant begeleidster van Tara. Tara is slechtziend. De begeleidster komt tijdens de gymles binnen. De leerlingen weten dat ze voor Tara komt en beginnen meteen de bal naar haar toe te spelen en haar aan te moedigen. Het is schattig van ze maar ook volslagen zinloos. Yvonne vindt het niks. Het regent kritiek als ik na de les met haar praat. Tara kan op deze manier echt niet mee doen! Deze les is niet voldoende aan haar beperkingen aangepast. Wist ik niet dat ik zus kon doen en zo? Ook over situatie in de klas is Yvonne niet te spreken. Ja, hier is wel erg veel rekening gehouden met Tara hè? Zo valt ze veel te veel op. Tara wil zo gewoon mogelijk zijn, op deze manier gaat dat niet, zegt ze streng. Als ze weg gaat zegt ze dat ze me de aanbevelingen zo snel mogelijk zal opsturen. Ik knik. Ik weet al wat ik er mee doe. Het is zo makkelijk om een specialist op de vierkante centimeter te zijn. Een heerser achter de komma

maandag 4 november 2013

Gedoe

Het leek zo’n goed idee. Toch pakte het totaal verkeerd uit. Ik had onderschat hoe ongelijk de vriendschap tussen Tara en Denise was. Tara is slechtziend. Denise helpt haar met alles: met het zoeken van haar boeken, haar pennen, haar schriften. Ze wijst de juiste bladzijden aan in het boek en schiet te hulp als er iets van de tafel van Tara valt. Er valt om de haverklap iets van de tafel van Tara dus Denise heeft er een dagtaak aan. Ook in de gymzaal blijft ze in de buurt van Tara om alle obstakels te benoemen: pas op een bank, pas op een mat! Denk eraan, er loopt hier een scheidslijn, daar mag je niet over! Denise doet dit graag. Ze vindt het leuk en ook wel een beetje belangrijk. Ze neemt haar taak heel serieus. Op een dag regelde ik dat Tara zangeres van de schoolband zou worden. Tara kan goed zingen en het leek me goed voor haar zelfvertrouwen. Ik had niet aan Denise gedacht. Dat was niet slim. Naast lief en zorgzaam is Denise ook impulsief en snel van slag. Zij wilde ineens ook zangeres van de schoolband worden of desnoods drummer. Ja zelfs een triangel zou al genoeg zijn, als ze maar mee kon doen. En, zo fulmineerde ze terwijl ze met een rood hoofd voor mijn bureau stond, had Tara soms geen hulp nodig met het lezen van de teksten en het vinden van de microfoon? Het podium is hoog hoor juf, voor je het weet valt ze eraf! Ik knikte, ik begreep haar teleurstelling wel. Maar voor ik ook maar een oplossing gevonden had, bleek de geest uit de fles. Er rees een tegenstander van formaat op: Tara. Ja, zo was er dus niks meer aan hè? Denise hoefde toch niet overal bij. Ze was haar kindermeisje niet. Die schoolband was van haar en als Denise daar ook bij kwam hoefde het niet meer van haar. Punt. Mokkend schoof Tara haar tafel van die van Denise weg. Ze kon de hulp van Denise missen als kiespijn, beet ze Denise toe. Denise bedacht zich geen tel en keerde haar rug naar haar toe. Vanaf dat moment vielen er boeken, pennen en schriften op de grond die daar bleven liggen. Niemand bleek de alertheid en de behulpzaamheid van Denise te kunnen evenaren. Ik ook niet. Regelmatig zag ik Tara tasten naar haar rekenboek of over de vloer kruipen op zoek naar haar pen. Denise keek niet op of om. Als ze het per ongeluk zag snoof ze diep. Dat had Tara er nu van. Buiten schooltijd ging de strijd onverdroten verder. Op het dieptepunt van de verwikkelingen stormde er een moeder van een kleuter mijn klas binnen met een luizentas in haar hand. De tas was over de reling naar beneden gesmeten en had haar kind op een haar na geraakt. Als ik de tas van haar overneem zie ik het naamkaartje van Denise er aan bungelen. Ik loop naar Tara. Heb jij die tas over de reling gesmeten, vraag ik. Tara kijkt me verbolgen aan: u weet toch dat ik boos ben op Denise, antwoordt ze. En dan doe je zulke gevaarlijke dingen? Tara haalt haar schouders op. Blijf maar binnen in de pauze, zeg ik boos. Na een uur komt Tara bij me. Ik wil het eigenlijk wel goed maken. Maar ik niet, ik niet, roept Denise door de klas. Jullie hebben vandaag nog om het in orde te maken, gebied ik narrig. Daarna werk ik aan geen enkele oplossing meer mee. Het is even stil. Dan knikt Denise. De dametjes verdwijnen naar de gang. Als ik na een kwartiertje poolshoogte kom nemen liggen ze gierend van de lach over de tafel. Naar binnen, gebaar ik. Maar we zijn nog niet klaar. O jawel, antwoord ik grimmig. O jawel.

zondag 29 september 2013

Veiligheid

Ergens onderweg is het mis gegaan met me. Ongewild ben ik besmet geraakt. Anders kan ik niet verklaren waarom ik zo ingespannen oplet of het tweetal kinderen, dat zo onbekommerd in de bergbeek speelt, niets overkomt. Ik ken ze niet en ze zijn bepaald niet alleen, hun moeder zit pal achter mij en leest een boek. Eigenlijk zou ik degene moeten zijn die leest maar dat lukt me niet. De stroom is sterk, het water is -ondanks het snikhete weer- ijzig koud en de kinderen voor mij spelen een woest en impulsief spel. Het is een leuk spel, als ik ook tien geweest zou zijn zou ik graag meegedaan hebben. Deze overweging doet mij plotseling beseffen dat ik al een tijdje niet meer de oude ben. Het ‘veiligheids’ virus heeft ook mij in de greep gekregen heeft. Ik heb daar de pest over in. Ik vond mijn oude opvatting beter: klim in de hoogste boom, rijd als het even kan zonder handen aan het stuur, sta rustig achterop de bagagedrager van je vriendje en spring over de breedste sloot die je vinden kan. Leer durven, leer risico’s inschatten, leer uitdagingen aangaan en wees niet flauw als het eens mis gaat. Jarenlang twijfelde ik geen tel aan de juistheid van deze opvatting, tot de veiligheidstroepen hun opwachting maakten. Complete speeltoestellen werden ontmanteld, stenen tegels werden vervangen door rubberen equivalenten en het aantal verboden buitelden over elkaar heen: niet skaten zonder beschermers, niet klimmen in de bomen en natuurlijk al helemaal niet op het dak van het fietsenhok, nee ook niet als de bal daar ligt. Ja, dat is jammer van die bal. Op het veld van mijn huidige school staat een controversiële boom. Of eigenlijk is het een boompje. Ik zou er als kind mijn neus voor opgehaald hebben. Je moet wel heel erg je best doen om iets te verwonden als je er uitvalt. Mijn collega’s en ik kunnen het onderling maar niet eens worden of er nu wel of niet in die boom geklommen mag worden. Tot nu toe wint het ja-team maar dat duurt niet lang meer want het ja-team bestaat voornamelijk uit oudere leerkrachten en die sterven natuurlijk een keer uit. Ook ouders komen regelmatig verbaasd verhaal halen: ehh…ik wil me nergens mee bemoeien maar ze klimmen daarginds in een boom! Ja, dat mag mevrouw. Mag dat? En als ze dan vallen? Dan staan ze weer op, antwoord ik monter. Maar dit antwoord valt steeds minder goed. Het lijkt eerder te getuigen van onverschilligheid dan van een diep doordacht pedagogisch concept. Dus heb ik me kennelijk in de loop van de jaren aangepast aan deze veiligheidsterreur en zit ik nu op deze prachtige plek in de bergen te letten op de kinderen van een ander. Kinderen die zich prima redden en geen tel echt in gevaar komen. Een uur later slaat de vrouw achter mij haar boek dicht, roept haar kinderen en verdwijnt. Even later strijkt er een ander gezin neer. Ook deze moeder let geen tel op haar kroost. Maar dit is anders. Deze kinderen kunnen zich niet redden. Deze kinderen schatten de risico’s van de bulderende bergbeek niet goed in. Ze glijden uit, verdwijnen onder water, komen even later happend naar adem weer boven. Voor ik het weet kijk ik weer ingespannen mee. Het gaat snel mis. Een van de jongetjes wordt meegesleurd en nog maar net op tijd gered door een omstander. Moeder roept een bedankje en gaat weer verder met haar gesprek. Dan weet ik weer dat er een groot verschil is tussen vrijheid die je langzaam maar zeker leert te veroveren zoals bij de eerste moeder en de laissez faire houding van de tweede. Vroeger wist ik dat verschil feilloos te benoemen en er ook naar te handelen Nu vind ik de weg naar dat uitgangspunt maar moeizaam terug.

maandag 16 september 2013

Onherbergzaam

Is het zo warm genoeg, vraagt Rutger terwijl hij een zware emmer met sop voor mijn voeten zet. Ik steek mijn hand in het water en knik. Precies goed zo. Rutger sleept de emmer naar het keukentje in het lokaal en begint heel precies de kastjes uit te soppen. Als hij halverwege is draait hij zich grijnzend om. Ik doe dit thuis nooit! Dus ik moet maar niet aan je moeder vertellen hoe goed je dit kunt? Nee juf, doe dat maar niet. Sanne en Lotte zijn de kast achter mij aan het schoonmaken. Het tempo is nogal sloom want ze vinden het reuze interessant wat ze allemaal tegenkomen. Kijk juf, hier op deze foto was u nog jong! Wanneer was dat? Ver in de vorige eeuw, vraag maar niet verder. Overal om me heen wordt er geruimd en gesopt. De leerlingen vinden het heerlijk, zo’n opruimdagje. Ik niet. Ik tuur naar mijn computerscherm waar ik de laatste zaken in het leerlingvolgsysteem ParnasSys probeer te zetten. Het systeem is niet voor niets naar een ruig en onherbergzaam bergmassief genoemd, denk ik narrig, als ik voor de zoveelste keer de weg probeer te vinden. Er is op dit gebied nog geen schooljaar hetzelfde van me gevraagd. De veranderingen buitelen over elkaar heen. De een na de andere oekaze van de regionale Weer Samen Naar School afdeling -het is me een raadsel waarom dit niet landelijk geregeld is- wordt via de Interne Begeleider pardoes op mijn bordje gegooid. Het georganiseerd wantrouwen neemt een steeds grotere vlucht. Leerlingenvolgsystemen zijn een ‘Rupsje Nooitgenoeg’ geworden. Het begon ooit eens met het vastleggen van de Citoscores, daarna moesten de resultaten van de methodetoetsen ingevoerd worden, vervolgens werden er datamuren verlangd om de gegevens van beiden te combineren. Uit de datamuren kwamen groepsplannen voort die liefdeloos in min-, basis en plus- groepen onderverdeeld hoorden te worden. Hierna leek de rust even terug te keren. Totdat iemand te binnen schoot dat met de oprukkende ouderparticipatie ouders die de ontwikkelingen van hun kind wilden volgen ook bij de gegevens van andere leerlingen konden komen. Dus dienden we alles individueel in te voeren. Niet veel later kwamen er weer nieuwe richtlijnen: voordat je ook maar iets invoert dien je eerst te evalueren op grond van dle-scores. En zo gaat het maar door…elke nieuwe richtlijn leidt tot nieuwe onvolkomenheden en elke nieuwe onvolkomenheid leidt weer tot nieuwe richtlijnen. Er zijn geen leidinggevenden die aan de rem trekken en aangezien inspraak in het onderwijs volkomen in onbruik is geraakt zit er maar weinig anders op dan je steeds opnieuw kreunend en steunend in de spelonken van ParnasSys te wagen. Waar zet ik deze notitie neer? Waar haal ik de dle-scores vandaan? Hoe vind ik mijn weg naar de handelingsprogramma’s van het vorig schooljaar? Ondertussen is het tijd geworden om ParnasSys af te sluiten, de emmers op te laten ruimen en het laatste half uur van de middag de groep die volgend schooljaar bij mij in de klas zal zitten te ontvangen. Het is een vriendelijk kennismaking. Ik vertel over het Verkeersexamen, de lessen Engels en nog zo wat nieuwe dingen in groep 7 en pak de laatste 5 minuten mijn gitaar: we gaan natuurlijk ook zingen, kondig ik aan. Dan zet ik een lied in. Halverwege het lied valt mijn oog op Sanne. Ze is zojuist uit het lokaal van groep 8 teruggekeerd en staat voor het raam van de deur met de armen over elkaar en een gezicht als een oorwurm. Sanne was dol op de zangles dit jaar en heeft al een paar keer aangekondigd dat ze dat het meest gaat missen als ze niet meer bij mij in de klas zit. Als ik klaar ben met zingen trekt ze boos de deur open en loopt stampvoetend op me af: het leek wel of je vreemd ging juf!

maandag 24 juni 2013

Column. Techniek

Sinds een aantal jaren voer ik het bewind over een drietal techniekkasten. Het zijn mooie kasten. Ze zijn tot de nok toe gevuld met uitdagende, inventieve opdrachten voor 4- tot 12-jarigen. Toch is het geen onverdeeld genoegen om ermee te werken. Dat komt vooral omdat er altijd wel iets zoek is: een piepklein essentieel radertje van een legoconstructie, vormpjes om zeep mee te maken, een maatbekertje, een strippentang. Hoezo kun je de lift van de knikkerbaan niet omhoog krijgen? Omdat het mechaniek zoek is juf. Maar hoe kan dat nou zoek zijn? Ja, het zat niet meer in de doos. Maar dat kan helemaal niet, ik heb alles nagekeken, er is geen hoek in deze hal die ik niet gecontroleerd heb! Toch is het er niet, wat moeten we nou doen, juf? Ruim die knikkerbaan maar weer op. Ik bestel wel een nieuwe lift. Ik stampvoet nog net niet als ik wegloop. Als ik zou willen kan ik na elke techniekronde wel een nieuwe bestelling plaatsen. Zelfs bij een schrikbewind - is alles terug- heb je onder de stoel gekeken- heb je de lijst met materialen gecontroleerd- blijkt er toch altijd wel iets onherroepelijk verloren te zijn gegaan. Een van de leukste opdrachten, zowel in de kast van de middenbouw als in de kast van de bovenbouw, betreft het metselen van een huis. De specie bestaat echter uit bakmeel. Als de huizen weer afgebroken worden en de steentjes gewassen zijn blijft er altijd wel een beetje meel aan plakken. In het begin had ik nog niet door wat voor een effect het terugleggen van deze steentjes in de kast had. Als ik na zes weken de deur opende om de volgende techniekronde voor te bereiden sloeg er een enorme stank uit de kasten. Er zat niets anders op om de steentjes buiten de kast te bewaren. Alwaar ze natuurlijk regelmatig zoek raken. Dat geldt ook voor de schattige troffeltjes die bij deze opdracht horen en die- het kan bijna niet anders-het pand regelmatig op illegale wijze verlaten. Er zijn nergens troffels juf! Plak dan maar met je vingers. Ja, maar dan wordt het niet mooi glad. Kan me niets schelen. Plakken! Mijn doorgaans goede humeur is op techniekmiddagen vaak net zo ver te zoeken als de troffeltjes, de mechaniekjes, de vijlen en de vormpjes. De opdrachten die bij de techniekdozen horen verschillen behoorlijk in moeilijkheidsgraad en tijd. We krijgen het niet af, jammert de ene groep. We hebben dit nu al drie keer achter elkaar gedaan, moppert een andere. De leerlingen van de middenbouw kunnen de opdrachten niet zelfstandig maken. Het allerbeste zou zijn als ze begeleid werden door volwassenen. Maar er is anno 2013 vrijwel geen hulpouder meer voor dit soort activiteiten te vinden. Daarom worden er leerlingen van hogere groepen ingezet. Zelfs de meest sociale en organisatorisch goed toegeruste leerlingen vinden dit een hele klus. Ze vinden het lastig om alle leerlingen goed te betrekken bij de opdracht en optreden tegen lastig gedrag is vaak helemaal een brug te ver. Die kleintjes moeten hen natuurlijk wel aardig vinden. Regelmatig tref ik een bovenbouw leerling aan die de opdracht in zijn eentje uitvoert terwijl de leerlingen die hij begeleiden moet elders in het pand om onduidelijk redenen een achtervolging hebben ingezet. Waar is je groepje Daan? Eh…Toch zijn er momenten waarop alles klopt: overal in de school werken groepjes aandachtig aan hun opdracht, er is niets kwijt, er is niemand vervelend. Wat is dat werken met techniekkasten toch leuk, leerzaam en gezellig, roep ik enthousiast tegen een collega. Dan buitelen er ineens vier leerlingen uit groep vijf het handenarbeidlokaal uit. Ik stuur ze terug en loop mee naar binnen. Daar zit Tara uit groep 8 moedeloos op een stoel. Alle zaagjes van de figuurzagen zijn zojuist gebroken.

zondag 9 juni 2013

Teamuitjes

Het is de koudste 23 mei in meer dan 100 jaar en ik zoek samen met mijn collega’s een bal onder de rododendrons in het park. We zijn aan het klootschieten. Ik heb dat nog nooit eerder gedaan en het ziet er ook niet naar uit dat ik het ooit weer zal doen. Klootschieten is iets voor teamuitjes en familie uitstapjes. Evenals Pitch en Put, paarden mennen en georganiseerde stadswandelingen. Activiteiten die je een beetje op zijn elfendertigst uitvoert en waarbij je veel verscholen blikken op je horloge werpt. Zijn we er al? Duurt het nog lang? Het is niet per se ongezellig maar het is toch altijd weer een mooi moment als het afgelopen is. Dit keer is het echter wel heel erg koud. Een paar graden boven nul. Het bedrijf dat dit uitstapje georganiseerd heeft, wil van geen annulering of andere datum weten. Een raadsel omdat alles zich buiten afspeelt. Ook de barbecue tot mijn afgrijzen. Terwijl de hagel op mijn regelmuts klettert zoek ik dapper voor de zoveelste keer naar die vermaledijde kloot. Eerlijk gezegd was ik behoorlijk opgelucht dat we dit gezapige spel zouden spelen. Het gebied waar we liepen kent ook een klimbos en in gedachten zag ik mij al bibberend die touwladders opklimmen. Een halve eeuw geleden zou dat een fluitje van een cent zijn geweest maar nu is het een hachelijke onderneming. Het zou niet het eerste teamuitje zijn geweest dat met een gang naar het ziekenhuis eindigt. Jaren terug bracht ik halverwege de dag een collega naar huis die onwel was geworden. Tijdens de rit verslechterde zijn conditie zo erg snel dat we ons genoodzaakt zagen een motoragent aan te houden. In vliegende vaart scheurden we vervolgens door de stad naar het ziekenhuis. Het liep uiteindelijk goed af maar het waren akelige uren. Ook collega’s van andere scholen reppen van enge gebeurtenissen bij teamuitjes: rug gebroken bij een val van het paard, hersenschudding na een glijpartij in het zwembad, achillespees geknapt bij een wat al te jeugdig uitgevoerde sprong. Gezien de sterke vergrijzing van het onderwijspersoneel zou het echt het beste zijn als we alleen nog een high tea organiseren, een avondje naar het theater gaan, een korte wandeling langs het strand maken of een copieus diner verorberen. Toch zijn al deze uitstapjes te verkiezen boven de uitstapjes die in het teken van teambuilding staan. Wat heb ik daar toch altijd een hekel aan gehad. De zijige taal van de cursusleiders, de opdrachten waarbij we elkaar letterlijk over hindernissen moesten helpen, de loze beloftes van mensen die enigszins onder vuur kwamen te liggen, het feit dat mensen überhaupt onder vuur kwamen te liggen. Bah. Bah. Bah. Het was in de tijd dat men ervan overtuigd was dat neuzen eenzelfde kant op moesten staan. Een kant die meestal arbitrair en willekeurig was en niet zoveel met de lespraktijk te maken had. Er werden door cursusleiders veel nobele inleidingen gehouden over kritiek geven en ontvangen, over ik-boodschappen, over feiten en belevingen maar als er dan vervolgens een emotionele beerput openging vol veronderstellingen, meningen en afrekeningen dan zaten ze er krachteloos bij: het is goed dat het gezegd wordt. Laten we nu kijken hoe we er samen weer uit kunnen komen! Maar we kwamen natuurlijk samen nergens meer uit. Er waren wonden geslagen die er voorheen nog niet waren. Ze etterden nog jaren na. Niemand was er beter van geworden. Het team niet, de leiding niet en de leerlingen al helemaal niet. Nee, laat me dan maar lekker klootschieten, in de kou barbecueën en paarden mennen. Alleen in een tuktuk zal niemand me niet meer vinden. We zaten er met zijn drieën in, vanwege een blessure van een van ons. De rest reed op Solexen door het zonnige Drentse landschap. We verdwaalden.