zondag 16 november 2014

Column. Voetbalcoach.

Mocht ik nog mooie gedachten koesteren over mijn rol als duider van grote gebeurtenissen, voorlichter op het gebied van nuttige zaken als rekenen, lezen en taal en sociaal begeleider van klein en groot kinderleed, mijn huidige klas ziet maar een rol voor mij weggelegd: die van voetbalcoach en voetbalscheidsrechter. Het is geen prettige rol. Elke dag staan er knaapjes voor me die er tot in het diepst van hun ziel van overtuigd zijn dat zij even daarvoor- in de pauze, tussen de middag- uitermate onrechtvaardig behandeld zijn door iemand van de tegenpartij of niet zelden door de hele tegenpartij tegelijk. Die onrechtvaardige behandeling heeft tot een doldrieste aftocht geleid of een flinke trap tegen het scheenbeen van de tegenstander. In mijn naïviteit - ik vergeet steeds opnieuw dat voetbal in tegenstelling tot volleybal, trefbal en hockey, helemaal geen spel is maar een bezigheid die appelleert aan tribale oerinstincten, dacht ik dat ik met het intensief begeleiden van deze processen de zaak in goede banen kon leiden . Op sommige dagen is dat ook zo maar er zijn dagen dat er tijdens de pleinwacht of erger: aan het begin van de les, opnieuw een hele rij opgewonden jongetjes met knalrode gezichten voor me staat. De ene keer vanwege akkefietje zus, de andere keer vanwege akkefietje zo maar vooral om mij te melden dat het-niet-eerlijk-gaat. Omdat ik regelmatig niet begrijp wat er nou precies niet eerlijk gaat onderwerp ik op een goed moment het begrip eerlijkheid eens aan een nader onderzoek. Tot mijn verbazing blijkt dat minstens de helft van de jongetjes –en groep 7 bestaat dit jaar voor 80 procent uit jongetjes- er van overtuigd is dat een wedstrijd niet eerlijk gaat op het moment dat de ploeg waar zij toe behoren op achterstand komt te staan. Jullie kunnen dit niet menen, roep ik terwijl ik wanhopig mijn armen in de lucht werp. O ja hoor, dat menen ze echt. Het komt omdat de partijen niet eerlijk zijn verdeeld. Daardoor kunnen ze niet winnen en zodoende is er niets meer aan, roepen ze boos. Ik kan me dat voorstellen bij een stand van 10-0, weerleg ik geduldig, maar bij 2-0 is er toch niets aan de hand? O, jawel hoor, bij 2-0 kan het ook al heel erg oneerlijk zijn, roepen ze in koor. Ik besluit alles uit de kast te halen om deze knapen te leren sportief te spelen. Ik laat de partijen elke dag door andere kinderen verdelen, verbied het geven van negatieve commentaren en ga zelf langs de kant gaan om het goede voorbeeld te geven. Maar het blijft fout gaan, er zitten eenvoudig teveel gepassioneerde, egocentrische, driftige, enthousiaste jongetjes in deze groep die hopen dat ze de nieuwe Wesley Sneijder worden. Dus stel ik nog meer regels op, verbied nog meer soorten negatief gedrag, laat meer ballen meenemen zodat niemand er met de bal vandoor kan gaan en regel dat de kinderen die boos het veld uitlopen en voor het eind van de wedstrijd niet terug keren een volgende keer niet meer opgesteld worden. Maar voor ik het weet gaat het de hele dag alleen nog over voetbal. De eerste vraag die mij om half negen bereikt gaat over de opstelling. Om kwart over tien worden de eerste zuchten over de oneerlijke partijen onderdrukt. In de pauze zijn de eerste leerlingen al na een minuut terug om mij de eerste klachten te melden. En dan op een dag geef ik het op. Ik doe het niet meer, raas ik, na weer een chaotische wedstrijd. Ik ben een juf, geen voetbalcoach. Ik ben hier ingehuurd om rekenles te geven en spellingsregels uit te leggen. Ga maar wat anders doen in de pauze. Er wordt hier niet meer gevoetbald. Ze kijken me ontredderd aan. Iets anders doen?

maandag 10 november 2014

Column. Averechts

De herfstvakantie stond vooral in het teken van het omspitten van de achtertuin van Einstein en het breien van een snood. Ik hou mij graag op in de achtertuin van Einstein. Ik krijg maar moeilijk genoeg van al die fotonen, ionen, neutronen, protonen en elektronen. Niet omdat ik dat allemaal zo goed begrijp, dat doe ik niet, maar omdat het zo’n wonderlijke wereld is. Het maakt niet uit hoe vaak ik een boek over de relativiteitstheorie en de kwantummechanica lees, elke keer is er weer zoveel informatie weggezakt of simpelweg niet goed genoeg doorgrond dat het lijkt alsof ik steeds opnieuw het mooiste boek van de wereld mag lezen terwijl ik de afloop nog niet weet. Nee, dan breien, daar weet ik maar al te goed de afloop van. De laatste keer dat ik breinaalden in mijn hand heb gehad was ik tien jaar oud en heel erg boos. Boos op dat handwerkje dat maar niet wilde vlotten. Alle meisjes uit mijn klas hadden het al af. Twee jaar duurde deze lijdensweg. Twee jaar lang twee keer in de week handwerkles van juffrouw Spinnekop . En toen het af was, zag het er niet uit. Ik weet dat zeker want ik heb het nog. Het is een reuze zielig beertje. Mijn hekel aan deze juf was monumentaal. Ik weet zeker dat dat geheel wederzijds was. Maar goed. Het is nu bijna 50 jaar later. Een mens moet een keer besluiten ergens over heen te stappen. Ik kocht breinaalden, wol en het patroon van een snood. Daar lag het dan. Naast dat prachtige boek van Amanda Gefter over de achtertuin van Einstein. Gefter heeft niet gestudeerd. Het enige wat ze weet over natuurkunde als ze aan dit boek begint weet ze van haar gepassioneerde vader. Ze bluft zich bij natuurkundecongressen naar binnen en spreekt daar Stephen Hawking, John Wheeler en Leonard Susskind aan. Ze leest, leest en leest en bluft zich al even vrolijk bij the New Scientist naar binnen. Vervolgens schrijft ze dit geweldig leuke boek. Het kost me dan ook moeite om het weg te leggen. Maar ik vind dat ik die snood moet breien. Ik wil die weerzin overwinnen. Een mens moet zichzelf doelen stellen. Dus daar ga ik. Tot mijn verbazing brei ik de eerste pennen zo weg. Alle bewegingen zitten kennelijk nog ergens in mijn systeem opgeborgen en ik ontwaar enig plezier bij de voortgang die ik maak. Maar dan moet ik de pen averechts breien. En opeens glip ik door een wormgat heen en ben ik weer tien. Steeds opnieuw glijdt de draad van de pen en glipt er een steek vandoor. Weg! Verdwenen in een zwart gat. Aanstonds moet ik weer in die rij bij het bureau van juffrouw Spinnekop en zal ik haar blik opvangen als ze me ontwaart en haar diepe zucht horen als ze het werkje uit mijn handen grist. Ik smijt het trieste begin van de snood van me af en pak het boek van Gefter weer op. Ik maak liever een krachttoer om de kwantummechanica te doorgronden dan dat ik nog een toer averechts brei. De ‘constante van Planck’ is de kleinste lengte in de kosmos, lees ik. Het is een miljoenste van een miljardste van een miljardste deel van een centimeter. Zo lang de atomen van de ruimte maar niet kleiner zijn dan de Planckschaal houdt de zwaartekracht de controle. Bij afstanden die kleiner zijn dan deze schaal keert het universum zich tegen zichzelf. Ruimte en tijd lossen op in het niets. Ongetwijfeld in een mooier niets dan dit breiwerk, zucht ik terwijl ik de pennen weer oppak. Maar ik kan die Spinnekop niet vanuit haar graf over mij laten regeren. Ik zal die snood breien. Toch vrees ik dat het boek eerder uit is dan de snood af.

zaterdag 8 november 2014

Artikel. En nog is het einde niet in zicht.

Hoewel jonge collega’s vanwege de krimp van het leerlingenaantal bij bosjes in de rddf geplaatst worden of alleen in geval van ziekte nog een schoolklas binnenkomen is het einde van mijn inmiddels 37-jarige onderwijsloopbaan nog lang niet in zicht. Ik sta daarin niet alleen. Het personeelsbestand op de school waar ik werk bestaat voor 70 procent uit (eind)vijftigers en zestigers. Als alles gaat zoals de ‘bovenonsgestelden’ bepaald hebben dan zullen wij op het moment dat we met pensioen gaan meer dan 45 jaar gewerkt hebben. In veel gevallen full time. Dat is onwaarschijnlijk lang. Dat is ook onafzienbaar lang. Het is dan ook niet voor niets dat er onder deze collega’s gemopperd, gezucht en hier en daar flink gezanikt wordt. Wie schiet er nou wat mee op dat wij onszelf tot in lengte van jaren krakkemikkig en op ons tandvlees de drempel van de school over slepen terwijl er een jongere garde is die niet of nauwelijks aan het werk komt of alleen het treurigste invalwerk mag doen. Daar komt bij dat er tijdens het schoolleven van de generatie waar ik deel van uit maak enorm veel onderwijsveranderingen hebben plaatsgevonden. Er is heel wat huisgehouden en rondgedanst op onze ziel dus ik snap al dat gemopper wel. En soms zanik en zucht ik dan ook van ganser harte mee. Zo ben ik zo langzamerhand allergisch voor bepaald vergadermomenten: ja hoor, daar gaan we weer.. daar komen die hoofdluizen weer aankruipen, o get, collega A begint toch weer niet opnieuw over de rotzooi in de school? Ah nee hè…gaat B nu echt dat hele draaiboek regel voor regel voorlezen? Och hemeltjelief daar komt het taakbeleid weer aan de orde, waarom doen we toch steeds alsof dat werkt? Is de ouderraad het onderling niet eens over de festiviteiten? Vertel me eens wat nieuws. Allemachtig, duurt dit echt nog een uur…wat jammer van mijn leven. Een hele oude zeurderige vrouw ben ik op dat soort momenten. Echt een pain in the neck. Dat geldt ook voor scholingen. Als ik een scholing zou leiden waar iemand als ik in het publiek zou zitten dan zou ik er geen moment over aarzelen om die persoon eruit te mikken. Ik misdraag me soms echt. Ik slaag er gewoon niet meer in om al die van boven opgelegde modieuze flauwekul , voorzien van al die al even doorzichtige scholingsmiddelen (flappen met slechte samenvattingen die wemelen van de spelfouten, Roos van Leary, domme groepsopdrachten, Roos van Leary, suffe spelletjes, Roos van..) serieus te nemen. En ja ook ik mopper evenals mijn hele generatie op dat leerlingvolgsysteem. Niet omdat ik vind dat we niets moet administreren, dat moeten we wel, maar omdat dit systeem een doel op zich geworden is. Zoals ik laatst las op een Amerikaanse onderwijs site: crazy is crazy but we can administer it. Waarom stap ik dan ondanks het vooruitzicht nog zo’n kleine tien jaar door deze bergen flauwekul te moet waden toch elke dag redelijk vrolijk en opgewekt de school binnen? Nou dat is simpel: ik vind ze leuk, die leerlingen van me. En als ze van nature niet erg leuk zijn vind ik ze boeiend. Altijd weer. Jaar in, jaar uit. Dat gaat niet over. Daarnaast hou ik gewoon van uitleggen en verhalen vertellen. Het maakt niet uit of dat steeds hetzelfde verhaal is. Het gaat hier per slot niet om luizen of wat rotzooi in de school maar om wezenlijke dingen. Nuttige zaken, interessante zaken. Ik probeer steeds een nieuwe draai aan mijn lessen te geven of een nieuwe invalshoek te creëren en als dat niet lukt is het een goede oefening in geduld. Ik hou ook van kijken naar groepsprocessen, van het ingrijpen in groepsprocessen, van het falen, nadenken en opnieuw proberen. Ik zoek graag uit wat het ene kind beweegt om iets te doen en wat het andere weerhoudt. Ik wil graag weten waarom Arno zo snel boos met de deuren slaat, Marloes direct om alles moet huilen en Sanne op haar lip bijt als ik vraag of ze haar rol in een conflict toe wil lichten. Bovenal probeer ik leerlingen te leren om over al deze grenzen heen te stappen. Dat geldt ook voor mijzelf. Er valt ook voor mij namelijk veel te leren van boos met de deuren slaan, snel huilen en op je lip bijten. En dat allemaal zonder flappen en Roos van Leary. Maar goed beschouwd geldt dit plezier in het vak, want dat is het, nog steeds voor veel eind vijftigers en zestigers. Het is ook niet het werk voor de klas dat hen bezwaart maar ‘dat wat er allemaal bij komt’. Al die extra werkzaamheden zorgen er voor dat veel oudere collega’s vaak als de karikatuur uit het liedje van Brigitte Kaandorp door de school sloffen: ik heb een heeeel zwaaaar leven…moeilijk, moeilijk, moeilijk. Als we nog met enig plezier die halve eeuw vol willen maken dan moeten we beginnen met niet zo vreselijk braaf te willen zijn. Braafheid is de gesel van dit vak. Er wordt geen les leuker van en geen kind enthousiaster. Mijn remedie is: ga zingen met de kinderen. Verzin doorzichtige smoezen om onder nutteloze tijdrovende activiteiten uit te komen. Voel nooit enige morele weerstand om zo’n doorzichtige smoes te verzinnen. Zet om de haverklap iets nieuws op poten, let wel: om de kinderen iets te laten leren of ervaren, nooit om je bazen te behagen. Zorg dat je op tijd naar huis gaat, kijk films, fiets, zeil, borduur, lees, ga lekker uit eten maar kijk nooit naar de mail van je werk en check altijd per ongeluk uit van gemeenschappelijke schoolaccounts. Laat nakijkwerk op school. In de papiercontainer mag ook. Laat het vaste lesprogramma los. Een voorspelbaar programma doodt alle levendigheid. Verras de kinderen. Verras jezelf. Ga nooit achter je bureau zitten, het is een plek van verveling. Zanik zo nu en dan flink maar zeur nooit.

zaterdag 25 oktober 2014

Aanpassen.

De meisjes in de groep 6/7 zijn veruit in de minderheid. Het is een echte mannenwereld in deze klas. Een wereld vol voetbal, geintjes zonder gein en driftig geuite gelegenheidsstandpunten. Vooral in groep 7 is er amper ruimte voor meisjes en meisjesdingen. Ze zijn er maar met zijn vieren. Toch zoeken ze maar zelden steun bij elkaar en hebben ze elk een andere manier gevonden om zichzelf overeind te houden. Michelle gaat daar het verst in. Haar identificatie met de jongens is groot. Ze voetbalt met ze mee, heeft zich gespecialiseerd in geintjes zonder gein en kan enorme woedeaanvallen krijgen als haar overkomt wat ze het liefst een ander laat overkomen. De meeste jongens nemen dan ook in de omgang met haar enige omzichtigheid in acht. Ze vrezen haar. Stephanie daarentegen doet net alsof ze niets opmerkt in de omgang met haar mannelijke klasgenoten. Schreeuwde daar iemand tegen haar? Mwah. Gaf iemand haar daar net de schuld? Schiet toch op man. Stephanie heeft drie oudere zusters en valt nergens meer van om. Laat toch zitten allemaal. Doe niet zo vermoeiend. Ze haalt doorlopend haar schouders op over de wereld. Helaas val ik daar ook onder maar dat is een ander verhaal. Marianne heeft de beste positie ingenomen: zij gaat haar eigen gang. Ze lacht lief, werkt aandachtig, loopt omzichtig om elke kluwen drukke knaapjes heen en tekent, leest en droomt zich door de dag. Het meest beklagenswaardig is Aisha. Ze heeft een behaagzuchtige aard. Maar voetballen kan ze niet, de geintjes zonder gein kwetsen haar tot tranen toe en ze wordt nooit kwaad, al dansen ze allemaal op haar ziel. Laatst zag ik haar met haar handtas om op veel te hoge hakken over het voetbalveld strompelen in een uiterste poging toch deel uit te maken van deze groep. Nee, dan de meisjes van groep 6. Ze zijn weliswaar niet zo in de minderheid als de meisjes van groep 7 maar ook hier kunnen ze niet tegen de aanwezige knaapjes op. Deze meisjes hebben een heel ander antwoord gevonden: zij koesteren zich in hun onopvallendheid. Ze fluisteren, schuiven briefjes door, wisselen betekenisvolle blikken uit en kijken steeds wat schielijk in mijn richting om controleren of ik niet kijk. Maar ik kijk natuurlijk wel want ik word tureluurs van dat stiekeme gedrag. Alle meisjes vinden het reuze vervelend als ze door mij betrapt worden. Ze kijken schuldig, mompelen excuses, haasten zich om snel hun werkzaamheden te hervatten. Behalve Gina. Gina weerstaat mijn blik of erger: ze gaat gewoon door met fluisteren. Ze ziet me kennelijk als een lastige vlieg die haar komt storen bij haar noodzakelijke werkzaamheden om de macht in deze meidengroep te consolideren. In het begin drongen deze brutaliteiten nog niet zo tot me door. Per slot zaten er allemaal driftige mannetjes in de weg en moet er zo nu en dan toch ook echt nog wel lesgegeven worden maar op een dag is de weg vrij en begeef ik mij in haar richting. Langzaam en dreigend. Gina praat gewoon door terwijl ik zie dat ze me vanuit een ooghoek toch echt aan ziet komen. De meisjes in haar omgeving kijken snel in mijn richting. Gina niet. Nu ze echter geen publiek meer heeft draait ze zich met een vermoeid gebaar naar me toe. Is er wat of zo? De klas houdt de adem in. Juf nadert Queenbee. Queenbee weerstaat juf. Spannend! De queenbee knippert niet eens met haar ogen. Zo, jij durft, zeg ik terwijl ik mijn armen over elkaar sla. Er valt een stilte. Een lange stilte. Dan knippert ze en draait haar blik weg. Dit, zeg ik terwijl ik zorg dat ze me weer aankijkt, was helemaal nergens voor nodig. Nina schudt haar hoofd. Sorry, mompelt ze. De rest van de dag is ze druk bezig de schade te herstellen.

maandag 22 september 2014

Opnieuw

Dit is een genadig beroep. Elk jaar word je opnieuw in de gelegenheid gesteld alles anders te doen dan het jaar ervoor. Het maakt niet uit of je de zomervakantie volkomen uitgeteld ingegaan bent. In september is alles nieuw. De stapels illegaal bekladderde schriften van het vorige schooljaar zijn vrolijk de papiercontainer ingekieperd, de ouders die nog net op de valreep hun kroost naar een betere school gestuurd hebben zijn in de vergetelheid geraakt, de vloeren geschrobd, de tafels gepoetst, de ramen gelapt, de schriften hagelnieuw en de potloden geslepen. Er zijn volop nieuwe kansen om opnieuw onhaalbare doelen te stellen. Om het leven overzichtelijk te houden vergeten we kennelijk steeds dat we het jaar ervoor ook zo fris en vrolijk van start gegaan zijn. En het jaar daarvoor ook. Wie dat niet vergeten kan wordt cynisch en cynisme hoort niet thuis in een schoolomgeving. Daar komt bij dat ik zo’n nieuwe klas met allemaal onbekende gezichten altijd weer leuk vind. Dat gaat niet over. Ook niet na 36 jaar. Het enige dat echt jammer is, is dat ik amper tijd heb om eens echt goed naar die nieuwe klas te kijken. Ook in schoolverband is september namelijk de maand waarin alles anders moet worden. Beter natuurlijk, moderner ook en vooral meer afgestemd op de laatste eisen, voorschriften, idealen en oprispingen. Dus gaan we met duizelingwekkende snelheid van start: kennismakingsgesprekken met de ouders, informatieavonden voor de ouders, groots opgezette anti-pestprojecten, vergaderingen over zus en zo, gesprekken met allerlei diensten over die en die, groepsplannen voor twee klassen, handelingsplannen voor zes leerlingen, rooster besprekingen voor remedial teaching, technieklessen, dramalessen. En alles moet meteen. In de eerste weken na de zomervakantie slaag ik er maar zelden in de weg naar mijn lokaal te vinden zonder dat er ouders, collega’s of anders wel de directeur met de telefoon in zijn hand aan mijn mouw trekt. Maar goed, die leerlingen dus. Ik heb er intussen een glimp van opgevangen. Het zijn er 29. Het is een combinatieklas. Ik ben nooit op mijn best met een combinatieklas. Ik vertel teveel denk ik. Dat werkt goed met één klas maar is een uitputtingsslag met twee klassen. Daar komt bij dat de klas aan wie ik niets vertel en die gewoon aan het werk zou moeten zijn, regelmatig gezellig mee zit te kletsen. Per slot zijn kruisvaarders en Napoleontische oorlogen vele malen interessanter dan voltooide deelwoorden en het meewerkende voorwerpen. Het kan een tijd duren voor ik door heb dat op deze wijze de lessen aan de andere kant van de klas nooit afkomen. Ik heb in het verleden wel eens geprobeerd om alles door middel van veel zelfstandig werken en een strikte dagindeling naadloos in elkaar over te laten gaan. Gottegottegot wat was dat saai. Niet alleen voor de leerlingen, ook voor mij. De wijzers van de klok kropen gewoon vooruit. De leerstof wilde door deze aanpak ook maar geen spat interessanter worden. Lees nou eens goed, mopperde ik voortdurend, kijk, wat staat daar nou? Heb je de les nagekeken voordat je je schrift op de stapel legde? Heb je de fouten verbeterd? Waar is je weekagenda? Hoezo, ben je die kwijt, hoe moet je dan iets aftekenen? Mijn mooie lesgevende taak was teruggebracht tot een controlerende functie met veel onzinnig nakijkwerk. Geen lol, geen verwondering, geen spanning. Het kan goed zijn dat andere leerkrachten deze wijze van lesgeven het summum van goed onderwijs vinden maar ik heb er geen talent voor. Ik word er cynisch van en cynisme hoort niet thuis in de onderwijspraktijk. Dus wacht mij een jaar met veel onderbroken lessen en lessen die niet af zijn. Maar leuk zal het wel zijn en spannend ook. Tenminste…als ik eindelijk eens tot stilstand kom en kans zie om aan het werk te gaan met mijn leerlingen. In oktober dus.

zondag 7 september 2014

Grieven

Het kan wel eens een tijd goed gaan, soms ook wel een hele tijd, maar vroeg of laat krijgt iedere school er weer mee te maken: een groepje chronisch ontevreden ouders. Ze staan bij het hek, in de hal, op het fietspad. Ze schijnen altijd tijd te hebben, tijd en grieven. Die grieven kunnen het gedrag van een leerkracht betreffen of een geconstateerde omissie in het beleid: aan zus of zo wordt nooit wat gedaan, dit of dat wordt nooit gezien. Het is vaak willekeurig. Iemand uit deze groep benoemt iets en voor je als school goed en wel weet wat er gebeurt, groeit het vermeende onrecht tot grote proporties uit. Soms loopt er een lid van deze groep in een boze opwelling het kantoor van de directie binnen. Dan ligt daar ineens een levensgroot verwijt. Een klacht die op deze wijze een directeur bereikt is al in de explosieve fase. De betrokkenen hebben hun stellingen betrokken. Je kunt je als school alleen nog maar verdedigen. Vaak zonder een bevredigend resultaat. Hebben ze dan nooit een punt? Natuurlijk wel. Geen school is volmaakt. Er is overal wel iets dat beter kan. Er zijn ook kinderen die echt ongelukkig zijn in een bepaalde klas en die gebaat kunnen zijn bij constructieve overwegingen om de school te verlaten. Maar de gesprekken hierover kunnen nooit aan het hek plaatsvinden. Dat is domweg fout. Het is vooral de wijze waarop deze ouders hun grieven onder de aandacht brengen die frustreert. Er is vaak geen dialoog. Er is echter een ding die ouders die op deze wijze terecht dan wel onterecht ten strijde trekken nooit goed van te voren overwegen: wat hun gedrag betekent voor hun kinderen. Want voor die kinderen is al deze strijd toch bedoeld. Die zouden daar beter van moeten worden. Het tegendeel is vaak het geval. Kinderen wiens moeder of -in een enkel geval- vader bij het hek of in de hal staat te oreren raken vaak in een emotionele spagaat. Ieder kind gaat daar weer anders mee om. De een wordt er doodongelukkig van, de ander vindt het doodvermoeiend om na schooltijd lang te wachten omdat moeder maar niet uitgepraat raakt over de juf, de kwestie, het onderhavige. De volgende maakt misbruik van de situatie door moeder van nieuwe informatie te voorzien waarvan hij of zij haarfijn weet dat het de onmiddellijke aandacht van haar oplevert. Hoe je het ook wendt of keert, dit is schadelijk voor kinderen. Het maakt dat er een breuklijn door gezagsverhoudingen loopt die kinderen in de war brengt, ongelukkig maakt, tot slinkse praktijken kan dwingen en hen bovenal leert dat men iedere brand met benzine hoort te blussen. Er is scholen veel aan gelegen om deze ellende te stoppen. Ze worden steeds laagdrempeliger en veel leerkrachten en directeuren praten zich de blaren van de tong. Er worden cursussen gevolgd om een beter antwoord te hebben op klachten. Steeds weer wordt er gepoogd om de dialoog aan te gaan, de klachten weg te nemen, iedereen tegemoet te komen. In het belang van de kinderen, de sfeer en het leerlingenaantal. Maar onderhand wordt het tijd om te overwegen of er geen gedragsprotocol voor ouders opgesteld zou moeten worden. Niet elk gedrag is te tolereren in het kader van bovenstaande principes en uitgangspunten. Elk conflict met ouders dat vanuit zwakte – er komt misschien een echte klacht, het gaat misschien leerlingen kosten- beslecht wordt heeft de ingrediënten van een volgend conflict al in zich. Een gedragsprotocol moet in ieder geval de regels bevatten dat een verschil van inzicht tussen ouders en school nooit in het bijzijn van kinderen besproken wordt en dat een ieder zich in dient te spannen om het op te lossen. Ouders die zich niet aan deze regels houden worden verzocht een andere school te zoeken.

maandag 7 april 2014

Verantwoordelijk

Het is tamelijk ongewoon dat een kind de nacht doorbrengt in een park. Toch ging het in al de hectiek rond de tijdelijk verdwenen leerling in Amsterdam niet direct om de leerling zelf. De schokgolf concentreerde zich voornamelijk rond de school van deze jongen en de leerkracht die geen actie ondernam toen de jongen die ochtend niet op school verscheen. Ik heb veel aan deze arme collega gedacht. Ik had haar kunnen zijn. Niet vanwege een onverantwoordelijke inslag maar gewoon omdat het kan gebeuren. Net zoals ook haar het ongetwijfeld zomaar is gebeurd. Het kan immers op alle scholen gebeuren. Er zijn leerlingen die vaak ziek zijn en niet altijd opnieuw ziek gemeld worden, er zijn ouders en collega’s die per ongeluk vergeten een ziekmelding door te geven, er zijn akkefietjes die maken dat je de dag niet rustig en weloverwogen kunt starten. Het is eigenlijk een wonder dat er altijd zo veel goed gaat. Maar soms dus niet. En dan kan het zo maar gebeuren dat het hele land pardoes over je heen valt. Dat is een vreesaanjagende gedachte. Ik begrijp eigenlijk niet waarom men zo naïef is om te denken dat dit niet kan of mag gebeuren. Het is te simpel om de schuld bij de leerkracht neer te leggen en vervolgens over te gaan tot de orde van de dag. Er is soms geen orde van de dag. Het leven is niet zo eenvoudig. Iedereen heeft de plicht om het risico zo klein mogelijk te houden maar uitsluiten kun je niks. Toeval bestaat. Er zijn, zo heb ik ervaren, echter wel grote verschillen in hoe je de druk als verantwoordelijke leerkracht ervaart. Zelf heb ik in de loop van de tijd een aversie ontwikkeld tegen alle uitstapjes die zich buiten het schoolgebouw afspelen. Ik vind de verantwoordelijkheid in de school al zwaar genoeg. Ik weet nog goed hoe ik als dertigjarige leerkracht bij een kampeerboerderij aankwam met 30 leerlingen en een viertal ouders en dacht: waarom denkt men in hemelsnaam dat ik dit kan? Hoe weet men zo zeker dat deze kinderen allemaal gezond en wel weer terugkeren in de moederschoot? Ook uitstapjes op de fiets breng ik vaak in een staat van bewustzijnsvernauwing door. En natuurlijk ging er zo nu en dan iets mis of bijna mis. De plattegrond van de stad, de directe omgeving van kampeerboerderijen en pretparken staan vol met zwarte markeringen: hier dreigde Ewald bijna onder een scooter te komen, hier reed Aydin met een enorme vaart het talud af, hier viel Marleen uit het stapelbed, daar roeiden Tim en Thomas expres een andere kant op. Allemaal gebeurtenissen die onvoorzien waren. Al houd ik tien toespraken, regel ik alles dicht, dreig ik met deportatie of zware afwasdiensten, er gebeurt altijd wel wat. Twee jaar geleden: met twee klassen vertrekken we naar Summercamp Heino. Bij aankomst blijkt dat de slaapvertrekken nog niet klaar zijn en moet ik plotseling improviseren. Ik pak twee stapels met speurtochten uit mijn tas: de ene speurtocht speelt zich op het terrein af, de ander buiten het terrein en kan dus alleen onder begeleiding plaatsvinden. Terwijl de leerlingen om mij heen drommen, constateer ik dat er iemand op mijn leesbril is gaan zitten. Ik lees niet goed wat er op de boekjes staat en geef de leerlingen de verkeerde boekjes mee. Vervolgens heb ik een uur lang niks meer aan mijn leven. Terwijl ik door de weilanden van Heino fiets en naarstig speur naar de laatste twee verdwaalde leerlingen denk ik opnieuw: ik wil deze verantwoordelijkheid helemaal niet. Stel dat ik ze niet terug vind dan valt, afgezien van een enorm zelfverwijt, ook nog eens het hele land over mij heen. Toch zijn er collega’s die zingend in de bus, op de fiets of in de boot stappen dus het ligt ook beslist aan mij.