zondag 7 oktober 2012
Po
Er gaat een grote strandbal rond tijdens de workshop. Als de bal in de buurt van een deelnemer komt is het de bedoeling dat hij verder gegooid wordt. Behalve als er ‘stop’ geroepen wordt. Dan moet je kort vertellen waar je aan denkt bij het woord ‘ouders’. Ik ben als de dood dat die bal bij mij belandt. Dat geldt niet alleen voor mij. De bal wordt fanatiek rond gemept. Als iemand zich genoodzaakt ziet iets te zeggen, valt het me op dat ik het antwoord niet hoor. Ik ben veel te druk met bedenken wat ik zelf zou zeggen. Er schiet mij niets te binnen. Dit spel laat namelijk geen nuance toe. Het moet kort en krachtig. Gelukkig gaat de beurt aan mij voorbij. Vol schaamte bedenk ik dat ik op de pabo mijn studenten ook wel eens lastig viel met een dergelijke frustrerende opdracht. Al werd er daar niet met een bal gegooid maar met wol. Het bolletje werd zo snel heen en weer gegooid dat ik echt de antwoorden van de studenten niet verstond en zij die van elkaar ook niet. Ook raakte de draad vaak hopeloos in de knoop zodat ik naderhand nog lang bezig was het lokaal weer op orde te brengen. Het is een raadsel waarom deze opdracht niet allang op de vuilnishopen van de nutteloze scholingstechnieken is beland. Waarschijnlijk speelt gemakzucht een rol: er moet nog iets leuks aan het begin van de workshop….o ja die bal! Als de lamellen weer recht gehangen zijn, wijst de workshopleider op een grote streep die dwars door het lokaal getrokken is. De volgende opdracht een stellingenspel. Het is de bedoeling dat we links van de streep gaan staan als we voor een stelling zijn en rechts als we er tegen zijn. Ik zucht. Ook deze oefening komt me bekend voor. Arme studenten. Zal ik ze met terugwerkende kracht een excuusbrief schrijven? De eerste stelling verschijnt ondertussen op het digibord. Er breekt ogenblikkelijk verwarring uit. Het is moeilijk om stellingen glashelder te formuleren en deze workshopleider is in alle valkuilen tegelijk getuimeld. Er wordt veel heen en weer gelopen. Zelfs als het gesprek over de posities die men ingenomen heeft al hoog en breed op gang is, stappen er nog mensen snel over de streep heen. ‘O, bedoel je dat. Nee, dan hoor ik aan de andere kant!’ Het liefst zou ik in het midden gaan staan. Met mijn ene been rechts over de streep en mijn andere been links. Maar er bestaat geen tussenvorm van ja en nee. Het zou mooi zijn als het eens uitgevonden werd. Ooit las ik eens een boek waarin voorgesteld werd het woord ‘po’ te gebruiken als je ergens geen mening over hebt of beter nog…geen mening over wil hebben. Po! Geen ja. Geen nee. Ik was onmiddellijk voor. Het is vaak zo vermoeiend om standpunten in te nemen, zeker over zoiets onvermijdelijks. Ouders zijn er nu eenmaal. Punt. Je kunt ze beter niet voor het hoofd stoten en je kunt ze ook de les niet laten overnemen. Tussen die twee uitersten vinden de dagelijkse manoeuvres plaats. De ene keer kan de dag door hun aanwezigheid niet meer stuk en de andere keer is de dag al stuk voor dat hij begonnen is. Maar de bedenker van het woord ’po’ is een buitenlander. In het Nederlands is het een raar woord. Het maakt een merkwaardige indruk als ik plotseling in het midden van de ruimte ga staan en ‘po’ roep. Dus doe ik iets wat die studenten van mij natuurlijk nooit konden doen. Ik ga er vandoor. Als er opnieuw verwarring ontstaat bij een stelling ontvlucht ik de ruimte, op zoek naar een zinvollere workshop. Iets met dansen of zo.
zaterdag 22 september 2012
Dobber
Het nieuwe schooljaar is echter nog maar net van start gegaan en ik heb nu al het vermoeden dat de meisjes uit deze klas eigenlijk liever niets willen weten. Ik heb natuurlijk nog lang niet alles uit de kast gehaald maar alle signalen wijzen er op: het wordt een harde dobber. De desinteresse straalt er van af. De tweede wereldoorlog, de aanstaande verkiezingen, de oorsprong van het heelal, ik ben amper begonnen of daar knikkebolt het eerste meisje, daar gaapt het tweede, daar valt het derde dametje ten prooi aan dodelijke verveling. O o o wat kan ik daar toch narrig van worden. Draai je eens naar mij toe, snib ik. Kom op meid, donder ik een andere keer, terwijl ik met mijn hand op tafel sla en enigszins geniet van de schrik die dit veroorzaakt bij het ingedutte schepseltje. Ik snap zulke meisjes niet. Al die mooie verhalen, opgesmukt met prachtig gemaakte schooltelevisie uitzendingen, fleurige werkboeken, oogstrelende en uitdagende computerprogramma’s, hoe bestaat het dat je tien bent en denkt: wanneer gaan we stoppen, gaan we ook nog wat anders doen juf? En hoe is het mogelijk dat dit jaar alle meisjes behept lijken met het o-wat-is-dit saai-zeg virus. Hoe haal ik het eind van mijn onafzienbaar lange loopbaan als er groepen voor me zitten waarvan de helft gaapt, slaapt en suft tijdens de leukste lessen? Gelukkig zijn de jongens van een ander kaliber. De meesten doen actief mee, hangen aan mijn lippen, klikken enthousiast door de menu’s van computerprogramma’s heen en kijken ademloos naar schooltelevisie uitzendingen. Mag ik vandaag wat extra lang aan mijn werkstuk werken, juf? Mag mijn opa over de Tweede Wereldoorlog komen vertellen? De jongens in deze klas hebben echter een andere makke: ze zijn voetbalgek. In pauzes spelen ze dit spel al jaren met zoveel overgave en inzet dat het net lijkt of hun leven er vanaf hangt. Dat is geloof ik ook zo. Er spelen zich soms heuse veldslagen af: A. gaat door het lint, B. waagt zijn leven doordat hij A. probeert te kalmeren. C. stampt boos het veld af. D. rent dolzinnig naar huis. E. schakelt de pleinwacht in en de rest staat er verslagen en geïmponeerd bij. Er zijn vele pogingen ondernomen om het spel van deze groep in goede banen te leiden. Met wisselend succes. Om mijzelf veel gedoe in pauzes en vooral na pauzes te besparen besluit ik om ook een poging te wagen. Het begin van het schooljaar is immers een goed moment om duidelijk te maken dat ik een strenge doch rechtvaardige natuur heb en dat er niet met mij te spotten valt. Op de eerste schooldag laat ik de jongens uit mijn klas voor mij plaatsnemen, sla mijn armen over elkaar en kijk hen stuk voor stuk plechtig aan. Jullie zitten nu in groep zeven, zeg ik. Ik spreek deze woorden langzaam en nadrukkelijk uit. Ik ben namelijk dol op deze zin. Ik gebruik hem te pas en te onpas: om leerlingen af te leren hun moeders mee te zeulen bij vermeend onrecht, om te zorgen dat niemand het meer durft om linea recta naar huis te stiefelen als het even tegenzit, bij chronisch geruzie enzovoort. De eerste de beste keer, zeg ik, dat het voetballen op het veld tijdens de pauze uit de hand loopt, wordt er in de week daarna niet meer gevoetbald! Ze kijken elkaar aan. Niet meer gevoetbald? Dat is toch onbestaanbaar. Wat moeten we dan doen, vraagt Koert verbijsterd. Ik negeer hem. Er gaat ook niemand meer voor dood op het veld liggen, vervolg ik mijn verhaal, dat houdt de boel veel te veel op en is meestal alleen maar aanstellerij! Ze knikken en sjokken aangeslagen weg. Wat een merkwaardige juf. Ik kijk ze weifelend na. Ook dit wordt nog een harde dobber.
zondag 24 juni 2012
Over en uit.
Ze hebben het tot maart volgehouden, Sarah en Michelle. Daarna was het plotseling over. In het begin verbaasde het me zeer. Zag ik nou echt goed dat Sarah een briefje aan haar buurvrouw doorschoof terwijl ik ze bij de rekeninstructie uitputtend over de kubieke decimeter en de vierkante centimeter onderhield? Nou ja, misschien lag het aan die kubieke decimeter. Tot op de dag van verdaag vervullen opdrachten in het rekenboek die daarmee samenhangen mij met weerzin – al dat gedoe met nullen en komma’s, wat moet een mens ermee- dus wie ben ik om hen iets kwalijk te nemen. De volgende dag schuiven er echter ook briefjes tijdens de uitleg van gewone huis-tuin-en-keuken sommen voorbij. Ik spreek ze stevig toe. Even lijkt het alsof ze mijn woorden serieus nemen maar even later zie ik hun aandacht al weer afdwalen. Een paar dagen later begrijp ik wat er werkelijk aan de hand is: Sarah en Michelle zijn afgehaakt. Ze hebben het opgegeven. Ze zijn er klaar mee. Rekenen is gewoon te moeilijk, over tot de orde van de dag. In het begin van het jaar waren ze allebei nog vast van plan de moeilijkheden onder de knie te krijgen. De resultaten vielen onverminderd tegen maar hun inzet bleef op peil. Ik prees ze de hemel in, legde alles steeds opnieuw uit en zorgde dat ze niet teveel moeilijkheden tegelijk op hun bordje kregen. Maar steeds opnieuw verdween de instructie in een bodemloos gat in hun hoofd. Ze wisten het zelf ook. Ik vergeet het steeds, zuchtte Sarah dan. Net begreep ik het nog, steunde Michelle droevig. En nu is het voorbij. Het leven gaat verder zonder rekenen. Ook hun ouders hebben er vrede mee. De enige die zich er niet bij neer kan leggen ben ik. Het voelt als een nederlaag. Luister nu. Als ik het nu nog eens uitleg? Let nou toch op, verdorie! Met Randy is het al net zo gesteld. Al gaat het bij hem niet alleen om rekenen. Ook bij spelling, topo en aardrijkskunde haalt hij nog maar zelden een goed resultaat. Hij weet het. Ik zie bij het afnemen van toetsen aan zijn hele lichaamshouding dat hij doordrongen is van het feit dat hij opnieuw een slecht resultaat zal halen. Hij hangt wat, zucht wat, draait wat op zijn stoel. Hij sloft naar de wc, vraagt fluisterend of hij misschien koffie voor me moet halen. Het is een toets Nils. Ja maar u heeft toch vast wel zin in koffie? Tijdens de reguliere lessen wordt het werk op zijn niveau aangepast maar zolang de (Cito-)toetsen onverminderd op hetzelfde niveau worden aangeboden weet hij dat hij het klassengemiddelde bij lange niet haalt. Leonie zucht al net zo hard. Zij heeft zoveel problemen met rekenen dat zij de Cito-toetsen op het niveau van groep vijf maakt. Maar ook dan is ze de kluts regelmatig kwijt. Ik heb zo’n buikpijn, klaagt ze dan. Leonie gaat binnenkort naar groep 8. Ik was benieuwd hoe het Cito dacht over leerlingen die bij rekenen nog niet op groep 6 niveau presteren. Moeten ze dan toch meedoen aan dit onderdeel bij de landelijke Cito-toets? Ik kreeg een ellenlange mail zonder een echt antwoord terug. Voor Leonie moeten we kennelijk zelf op zoek naar een procedure waar ze geen buikpijn van krijgt. Werken op diverse instructieniveaus is –terecht- een onvoorwaardelijke eis van de onderwijsinspectie, afrekenen op een gemiddeld eindniveau is –helaas- net zo’n onvoorwaardelijke verlangen. Die twee zaken bijten elkaar. Dat weet iedereen. Aan ons de taak om tussen deze twee uitersten een weg te vinden die het minst schade aanricht aan de kinderziel van Michelle, Sarah, Randy en Leonie. Gelukkig weten sommige kinderen wel raad met deze spagaat: ze geven het op en gaan leukere dingen doen met hun leven: briefjes schrijven bijvoorbeeld.
zaterdag 9 juni 2012
Verkeersles
Zeker twintig klasgenootjes zijn haar voorgegaan op de fiets. De meesten hebben zich keurig aan alle aanwijzingen gehouden: eerst achterom kijken, hand uitsteken en dan voorsorteren als je het voorrangsfietspad nadert. Toch ziet Sharon kans geen van deze handelingen uit te voeren. Als ze het teken krijgt om te laten zien dat ze de regels heeft begrepen, brengt ze haar fiets wiebelig in beweging, kijkt niet over haar schouder naar achteren en rijdt, zonder voor te sorteren, zonder ook maar en blik naar links of rechts te werpen recht op het fietspad af. Collega L. en ik schreeuwen ons tegelijkertijd de longen uit het lijf. Sharon laat zich echter niet uit het veld slaan door ons gebrul, uit haar lichaamshouding blijkt dat zij ook de razend drukke verkeersweg die zich achter het fietspad bevindt op dezelfde wijze denkt te kunnen nemen: met blind vertrouwen in de voorzienigheid. Mijn hart klopt in mijn keel. Ik twijfel ineens aan mijn vermogen om haar vandaag in leven te houden. Als ik Sharon eindelijk tot stilstand heb geschreeuwd, kijkt ze me verbaasd aan. Haar houding verandert in een seconde van roekeloos in apathisch. Doe ik het niet goed? Zegt u het dan maar hoor juf. Kan het nu? Nee, nu dan wel? Neem zelf een beslissing, roep ik. Kijk goed. Ga niet als je twijfelt. Sharon blijft echter naar mij kijken. Je moet naar links kijken, zeg ik. Sharon kijkt braaf naar links en dan weer naar mij. Ik ben er van overtuigd dat ze niet echt iets waarneemt. Ondertussen heeft Sarah zich al in beweging gezet om de oversteek te wagen. Sarah is Turks maar in Nederland geboren en opgegroeid. Ze kan echter amper fietsen. Ze doet ontzettend haar best maar het verkeersknooppunt is gewoon te complex voor haar. Fietspad links, schreeuw ik. Ze kijkt gehoorzaam naar links. Fietspad rechts, schreeuw ik. Denkt u dat ik kan gaan, vraagt ze onzeker. Wat denk je zelf, vraag ik uitnodigend. Sarah haalt besluiteloos haar schouders op. Ik weet het niet juf. Ja maar lieverd, ik sta hier de volgende keer echt niet als jij de weg over moet. Ha, ha, nee juf, dat weet ik. Ik slaak een zucht van verlichting als ze aan de overkant is. Er zijn ook leerlingen die de route van het verkeersexamen veel geoefend hebben met hun ouders. Tim hoef ik om die reden niets meer te vertellen. Ik heb hier al al vier keer met mijn ouders gereden, zegt hij als ik op het punt sta om hem een aanwijzing te geven. Ik klap mijn mond braaf dicht. Als hij echter bij de derde hindernis opnieuw vergeet zijn hand uit te steken en andermaal zelfverzekerd in mijn richting roept dat hij hier al voor de vijfde keer rijdt kan ik het niet laten: zolang je je hand vergeet uit te steken moet je misschien ook nog maar een zesde keer gaan oefenen! Tim rijdt met een rood hoofd verder. Ik ben nooit op mijn best met dit soort uitstapjes, denk ik berouwvol als ik naar zijn verdwijnende rug kijk. Dit reflectieve moment duurt echter maar kort want Mickey komt eraan gescheurd. Ik ken deze weg want ik woon hier, roept hij enthousiast terwijl hij aanstalten maakt nog net voor een aanstormende auto langs te schieten. Mijn terechtwijzing weerkaatst door de hele buurt. Gelukkig doen de meeste leerlingen het heel goed. Soms zelfs te goed. Zo doet Daan bijvoorbeeld heldhaftige pogingen om zijn hand uit te steken en tegelijkertijd zijn fiets in beweging te zetten. De poging eindigt in de berm. Ik help hem overeind. Nog even en we zijn weer op school, denk ik opgelucht. Dat is een plek waar mijn zonnige aard veel beter tot zijn recht kom dan hier op straat.
zondag 27 mei 2012
Zelfwerkzaamheid.
Ik licht de keuzekaarten toe die bij de geschiedenismethode horen. Het thema is: ontdekkingsreizen. Je kunt een onderzoek doen naar tropisch fruit, vertel ik. Je zoekt dan uit hoe het verbouwd wordt, waar het verbouwd wordt en daarna maak je daar een presentatie van. Je kunt ook een onderzoek doen naar de verspreiding van Europese talen over de wereld. Een andere opdracht bestaat uit het namaken van een boot uit de tijd van de ontdekkingsreizen, dat kan zowel ruimtelijk als in het platte vlak, je moet je daarbij wel bedenken dat...en zo ga ik door tot ik wel vijftien verschillende opdrachtkaarten heb toegelicht. De een nog uitdagender en leuker dan de ander. Het is niet de eerste keer dat we dit doen. Het is ook niet de eerste keer dat ik uitgebreid op de voorwaarden in ga waar zelfwerkzame opdrachten aan moeten voldoen. Toch is het mij droef te moede als ik een inventarisatie op het bord maak: meer dan de helft van de klas wil een boot maken. Sommige kinderen hebben zelfs al snel een schets gemaakt in de hoop dat zij op deze wijze eerder tot de uitverkorenen behoren. De een wappert met de stoomboot van sinterklaas, de ander houdt een tekening van een wrak sloepje omhoog. Ik klik het digibord uit en been driftig naar mijn bureau. Ik stop ermee, zeg ik narrig, de meesten van jullie kiezen voor de makkelijkste weg. Er zijn zoveel leuke opdrachten en dan willen jullie allemaal tegelijk een mal bootje plakken. Bah! Als we ’s middags opnieuw kiezen durft vrijwel niemand meer te opteren voor de boot. Alleen Sasha maar die heeft haar wens goed voorbereid en een tekening van een Spaans galjoen van het internet geplukt. Bedoelt u zoiets juf? Ik kan aan satéprikkers, karton en doek komen. Toch valt het me op dat ik wederom in looppas langs de groepen moet om het niveau van de opdrachten omhoog te krikken. Ook met dit bovengemiddelde en werkwillige stel leerlingen valt het niet mee om de opdrachten uit de verf te laten komen. Het doet me denken aan de moeizame wijze waarop de lessen bij aardrijkskunde vaak verlopen. Steeds opnieuw staan er kinderen voor mijn neus die het antwoord op een vraag niet kunnen vinden in het boek zelfs al staat het pal voor hun neus. Ik herhaal dan maar weer eens dat in 95 procent van de gevallen de antwoorden gewoon in de tekst staan maar elke keer staan er leerlingen voor mijn neus die mij plechtig verzekeren dat zij de uitzondering op deze regel nu echt gevonden hebben: we kunnen het niet vinden juf. Het staat er niet in. Ook de atlas raadplegen is een reuze vermoeiend proces voor velen. Het register? Wat is dat ook al weer juf? Diepe rimpel. O ja! Even kijken, nee, het staat er niet tussen juf. Echt niet. Kijk maar…o…oeps…toch wel. Sorry juf. Dank u wel juf. Het werktempo ligt bij sommigen adembenemend laag, al zet ik steeds markeringsstreepjes om de voortgang in de gaten te houden. Bij de leerlingen die wel snel gaan is het zaak om te controleren of ze niet steeds doodleuk streepjes hebben gezet waar antwoorden horen te staan. We wisten het niet juf en u was zo druk bezig. Soms verlang ik terug naar de tijd waarin alles op mijn voorwaarden verliep. Het tempo, de inhoud, de aangestuurde naspeuringen. Stil, rustig, klassikaal. Maar dat stimuleert de zelfwerkzaamheid niet. Dus slalom ik tussen de tafeltjes, priem ik eindeloos mijn vinger in registers, wijs ik obligate antwoorden op obligate vragen aan en schud ik regelmatig met mijn hoofd over de zoveel vermorste tijd. Zelfwerkzaamheid is een mooi ding. Er worden prachtige doelen mee nagestreefd. Ik ben dan ook heel erg voor. Behalve in de praktijk.
zondag 22 april 2012
Krachtenveld
Geschrokken loop ik naar Sam. Je moet wel achter die kast blijven staan, wijs ik autoritair. Zojuist is Sarah uit mijn groep ondersteboven achter de springkast terecht gekomen. Ik slaak een zucht van verlichting als ze grijnzend opduikt. O ja, o ja, grijnst Sam, sportleraar in opleiding, schaapachtig. Even later brul ik al weer net zo hard als Steven een aanloop neemt. Iedereen kan zien dat Steven niet omhoog zal komen op die springplank en met kast en al naar voren zal vallen. Sam niet. Hij staat te grappen met zijn vriend Marc, die samen met hem stage loopt. Alles aan de lichamen van Sam en Marc zit mee: flexibel, lenig, goed getraind. Ze zijn zeventien en kunnen zich nog slecht inleven in de moeilijkheden die sommige kinderen ondervinden in het nemen van hindernissen. Kom op joh! Ah, dat kan je wel joh! Ah, niet al te bang zijn, het valt best mee. Dus wil Steven zich niet laten kennen en doet ook Sarah, die meestal haar hoofd schudt en op de bank gaat zitten als het lastig wordt, manmoedige pogingen om over die vermaledijde kast te komen. Om vervolgens te constateren dat ze er alleen voor staan. Boem. Oeps. O jee. O meisje toch.. Heb je je zeer gedaan? Liefdevol buigt Sam zich over het slachtoffer heen. De komst van Sam en Marc heeft een verrassende uitwerking in alle groepen die ze begeleiden. Het brengt elementen in kinderen naar boven die ik eerder niet zag. Zo is Michelle uit groep 5 helemaal idolaat van Sam. Ze rent met een rood hoofd en als een kip zonder kop achter hem aan. Elke les opnieuw komt ze als eerste uit de kleedkamer rennen. Pak me dan! Pak me dan! Je kunt me toch niet krijgen! Houd daar eens mee op, roepen haar leerkracht en ik dan in koor. Maar ze houdt niet op. Wat kan haar die hoofdschuddende oude vrouwen schelen. Sam, daar gaat het om, leuke stoere Sam, pak me dan. Koert uit groep zes is een Sam in het klein. Hij is in zijn groep de stoerste, de snelste, de beste. Die rol is natuurlijk niet vol te houden als Marc en Sam besluiten om mee te spelen met een balspel. Vooral Sam schiet als een schicht door de zaal. Hij doet net alsof hij op zulke momenten hun gelijke is. Hij heeft nog niet voldoende leren schakelen in zijn rol als begeleider. Dus moppert Koert, ontregelt hij het spel en besluit hij regelmatig om dan maar niet meer mee te doen. Het kon niet anders of het moest mis gaan tussen die twee. De oorzaak van de onmin zal wel altijd schimmig blijven. Het is nooit duidelijk geworden of het s-woord ooit gevallen is. Voelde Koert zich een sukkel of heeft Sam daadwerkelijk gezegd dat hij een sukkel is. We weten het niet. Wat we wel weten is dat het akkefietje escaleerde in een gevecht tussen Sam enerzijds en de ouders van Koert, die hun zoon op zijn woord geloofden, anderzijds. De ouders eisten onverwijlde verwijdering van beide stagiairs. Het kostte moeite om hen duidelijk te maken dat zij daar geen beslissingsrecht over hadden. Ook de moeder van Suzan uit groep 4 eiste dat haar dochter niet langer les van Sam en Marc kreeg toen ze een blauwe plek ontwaarde op het been van haar kind. Ze speelde het hoog op. Het is een merkwaardig krachtenveld dat ontstaat als er ineens een brok testosteron en vrolijke manmoedigheid door de gymlessen waart. Zijn we vergeten dat het bestaat? Moeten we kinderen er voor behoeden? Zelf denk ik dat het een uitstekende aanvulling in de voorbereiding op het echte leven. Het neemt echter niet weg dat zowel Sam als Marc nog heel wat moeten leren: achter die kast jongens en snel een beetje!
zondag 25 maart 2012
Keurkorps
De beheerder van de vestiging van Mc Donalds reageert als een kruidenier uit de jaren vijftig. Of wij als de wiedeweerga onze auto elders willen parkeren. Met al die door stakers in beslag genomen parkeerplaatsen lopen zij deze dag wellicht klanten mis. Even later zien de medewerkers van deze vestiging geen kans om mij en mijn stakende collega’s op tijd van koffie te voorzien. Machine te traag, drukte te groot, Gevolg: misgelopen klanten. Het is het enige smetje op een verder vlekkeloos verlopen dag. Vroeger was staken een prestatie. Je moest er uithoudings- en incasseringsvermogen voor hebben. Al die lange tochten door verlaten straten, de winderige stadions, de drassige grasvelden, het was bikkelen. Nu is het een ontspannen uitje. Een warme bus, een prachtig stadion, een aangenaam programma. Leve de vooruitgang. Op deze wijze wil ik elke week wel in een bus stappen. Ik ben een gehoorzaam vakbondslid. Ik vind dat mijn mening er altijd in hoge mate toe doet behalve als er opgeroepen wordt om te staken. Dan schakel ik onmiddellijk al mijn meningen gelijk aan die van de vakbond en laat mij in de hoedanigheid van ‘telvee’ verslepen. Mijn karakter is niet nobel genoeg om dit middel te schuwen en ik ook ben ik -in tegenstelling tot sommige anderen- nooit ‘te druk’ om niet te gaan. Druk zijn is een keuze. Dus roep mij op tot actie en ik meld mij per ommegaande met petje, sjaal en spandoek. Nu het staken in het huidige tijdsgewricht geen prestatie meer is -zelfs de besturen knepen in sommige gevallen een oogje toe- is het deel uit maken van een schoolteam dat wel degelijk. De monniken hebben tegenwoordig geen gelijke kappen meer. Er is ongelijkheid ontstaan in status en salaris tussen leerkrachten die exact hetzelfde opleidingsniveau hebben en dezelfde dagelijkse praktijk delen. Die ongelijkheid wordt veroorzaakt door het belonen van bepaalde coördinerende taken zoals ICT, IB e.a. Eerst werden de uitvoerders van deze taken vrij geroosterd, daarna werden zij beloond met een behoorlijk aantal taakuren, vervolgens werd er immuniteit bij afvloeiing verleend en sinds kort wordt men ook nog voor deze taak extra betaald: de lb-schaal deed zijn intrede. Vier keer beloond worden voor precies dezelfde taak, kom daar eens om bij een ander beroep. Ik vind het een hele prestatie van alle collega’s die niet tot dit keurkorps behoren dat ze hun lb-collega’s niet en masse over de reling kieperen. Vooral omdat het soms tot merkwaardige zaken leidt. Zo kun je als 60-jarige onderwijzeres met bijna veertig jaar ervaring nog rustig onvrijwillig afvloeien omdat al die jonkies met hun jeugdige elan tot dit speciale korps zijn toegetreden. En het keurkorps blijft natuurlijk zitten waar het zit want het zit daar goed. Nou gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen dat ik zelf ook gelijker dan mijn gelijken ben geworden. Ik wilde nadat de coördinerende taak die ik al een tijdje met plezier uitvoer, een lb-functie was geworden, deze klus niet kwijt. Ik wilde niet weer gedwongen worden om op oude wijze mijn taakuren bij elkaar te sprokkelen met kerstcommissies (vermoeiend), lopathons(vermoeiender) en avondvierdaagsen(dodelijk vermoeiend). Ik wilde op mijn oude dag ook niet opnieuw onderaan de afvloeiingslijst komen te staan en als men mij per se financieel wil belonen…nou vooruit ...dan moet dat maar. Maar in de kern van de zaak is het een vreemde situatie. Alleen al om die reden zat ik dinsdag 6 maart vooraan in de bus om een verdere voortschrijding van deze tweedeling,in de vorm van een prestatiebeloning, tegen te gaan. Ik dank al mijn la-collega’s voor hun geduld met mij en mijn fellow lb-ers, ik beloof dat ik echt niet boos zal worden als ik op een goede dag pardoes gejonast word. Ik heb het er per slot van rekening zelf naar gemaakt.
Abonneren op:
Posts (Atom)