vrijdag 19 februari 2016

Column. Maken.

Gezien de afnemende resultaten van de leerlingen op deze school zou ik alleen nog moeten lezen, spellen en rekenen. Tot ze een ons wegen en hun hoge D-scores in  lage C-scores veranderen of de lage C-scores met veel kunst en vliegwerk in hoge C-scores. Lezen, spellen, rekenen totdat deze in meerderheid op een vmbo-basis afstormende leerlingen misschien wel een hogere verwijzing in de wacht slepen. Een verwijzing naar een school waar ze vervolgens ongelukkig worden zodat ze alsnog terug keren naar een praktische opleiding teneinde een tevreden bestaan als monteur, schilder of medewerkester in de zorg te kunnen opbouwen. Rekenen, spellen, lezen, totdat ik zelf een ons weeg want door de veranderende leerling populatie en een verminderde instroom als gevolg van een dynamiek die je als school amper zelf in de hand hebt (het lot van veel openbare scholen in deze regio)zijn we gedwongen combinatieklassen te vormen. Zes directe instructies per dag aan leerlingen die leren moeilijk vinden en niet altijd even zelfstandig door kunnen werken als er geen aandacht aan ze besteed kan worden vergt veel van een leerkracht. Om maar niet te spreken over het leger strenge mee-kijkers dat de school binnenkomt alsof (of omdat) het aan de inspanning van leerkrachten ligt dat de populatie verandert en de resultaten kelderen. Maar goed…je doet nog wat meer, je probeert het over een andere boeg te gooien. Wellicht helpt dit of leidt dat tot betere resultaten. Je kijkt of er nog wat te winnen valt, wie weet…maar alleen maar lezen, spellen, rekenen?  Iedere mee-kijker die denkt dat dat zou moeten lukken omdat men over aannames en afvinklijsten beschikt  moet het maar eens komen doen met die leerlingen van mij. Daar komt bij dat ik geloof dat een school ten alle tijden een breed onderwijsaanbod moet bieden omdat  het leven uit meer dan een mooie carrière bestaat. Dus… het hoofd in de wind, de koers ferm tegen de stroom in: we gaan maken. Want zo heet dat tegenwoordig. Onder leiding van een leuk bedrijf dat zich in ‘maker education’ heeft gespecialiseerd  komen er hamers, beitels, boren, propellertjes, motortjes en batterijen de klas binnen. We gaan het afvalprobleem de wereld uit helpen. Zelf word ik altijd erg blij van maken. Er moeten hobbels worden genomen en er moet iets op jezelf veroverd worden. Een kind van tien dat zegt ‘ik kan dit niet’ brengt mij tot wanhoop. Bewaar die zin maar tot je tachtig bent. Maar de meeste leerlingen van mijn groep hoeven helemaal niet lang na te denken als ze de opdracht krijgen. De invallen en ideeën buitelen in de dagen voordat we gaan beginnen over elkaar heen, sommige hebben er zelfs een deel van de nacht over na liggen denken en komen met rode koontjes de klas binnen. Is het zover? Ja het is zover. En zo komt het dat ik samen met Joran, die nooit een tel stil kan zitten, heel rustig en heel voorzichtig de kleine schroefjes van een propeller bevestig, dat ik met Maartje en Sanne -die meestal een dagtaak hebben in het met elkaar overhoop liggen- eendrachtig  de mogelijkheden doorneem om hun afvalwagen niet alleen achteruit maar ook vooruit te laten rijden. Alleen Marcel,  plus-leerling met louter A-scores, is narrig. Hij weet niet wat hij moet doen. Als ik hem ten langen leste maar laat verven, ziet hij kans om uitgerekend op het stukje van de tafel waar geen onderlegger ligt de boel vol te kliederen. De rollen zijn omgedraaid voor Marcel. Eveneens een prachtige leerschool. Als ik om me heen kijk zie ik een betrokkenheid van bijna honderd procent. Dat haal ik nooit met lezen, spellen, rekenen.

vrijdag 5 februari 2016

Column. Gebroken neuzen.

Vanaf mijn plek op de bank in de gymzaal zie ik Luca  op de kast klimmen en zijn groepje tot stilte manen. Wacht, roept hij, ik ga iets heeeeel moeilijks doen. Zijn groepsgenootjes kijken ingespannen toe. Luca loopt naar de rand, kijkt zogenaamd angstig in de diepte en springt dan voorzichtig op de dikke mat. Hij draait zich om en roept…applaus! Er breekt een oorverdovend gejoel uit. De gymleerkracht kijkt verstoord in hun richting. Hou daar eens mee op, schreeuwt ze. Even later zijgt ze boos naast me neer. Deze jongens nemen ook niets serieus, moppert ze. Nee, dat is waar, antwoord ik, misschien moet je het wat uitdagender maken. Het is een vergeefse opmerking. Zo geschikt ze is voor de onderbouw, zo ongeschikt is ze voor de middenbouw. En dus is iedere gymles in deze groep een strijd met de leerlingen en een strijd met mij want al praten de leerlingen minutenlang dwars door haar heen, ze wordt pas boos als ik mij ten langen leste verhef en ‘sssttt’ roep. Het is echter geen optie om niet bij de les aanwezig te zijn. De situatie zou teveel uit de hand lopen. Dat geldt ook voor de grote vriendelijke reus die de godsdienstlessen verzorgt. Het geduld waar hij over beschikt in zijn lessen nadert het onwaarschijnlijke. Niet een keer schiet hij uit zijn slof. Terwijl daar alle reden voor is. Zelfs de meest inschikkelijke meisjes ontpoppen zich in zijn les tot drakerige heksjes die rellerig en met rode koontjes dwars door alle Bijbelverhalen heen kwekken en luidkeels gewag maken van alle Whattsapp berichtjes die op hun telefoon binnenkomen. De jongentjes deinzen er regelmatig niet voor terug om de achtervolging in te zetten terwijl de vriendelijke reus met zijn pen op het whiteboard tikt om het volgende plaatje te laten zien van Daniël in de Leeuwenkuil. Toch lijkt hij pas een probleem te hebben als ik het niet langer aan kan horen en het lokaal binnenstap. Als ze jonger zouden zijn dan zouden ze geen aanstelling meer krijgen. Hun neus zou gewoon gebroken moeten worden wil het dezelfde kant op leren staan als de andere neuzen. Want het nieuwe adagium is: doen-wat-werkt. In teamverband wel te verstaan. Leren van elkaar door op bezoek te gaan bij elkaar in de klas. Ter wille van de doorgaande lijn en een mooi rijtje neuzen. En toch…en toch…en toch…de kans is groot dat we met deze moderne zienswijze niet alleen het badwater maar ook het kind weggooien. Mijn beste herinneringen heb ik aan leraren die buiten de kaders vielen: de lerares Geschiedenis die nooit een leerboek opensloeg en zich voornamelijk op zat te winden over de inbraak in het Watergategebouw en de teloorgang van de democratie. Ik heb er een levenslange fascinatie voor president Nixon aan overgehouden. Of de leraar Nederlands die zich zichtbaar aan al het contact met zijn collega’s onttrok maar die wel met veel passie de deur voor mij opende naar de boeken van Couperus en de gedichten van de vijftigers. Of de leraar muziek…een onmogelijke man voor collega’s en studenten maar een geweldig koorleider. Ik weet zeker dat veel  ex-leerlingen van mijn collega Kees ook warme herinneringen aan hem hebben. Hij stelde zich maar zelden coöperatief op in het team maar nam wel zijn leerlingen op eigen kosten mee naar het Concertgebouw. En ook collega Koen, die helemaal opleefde als hij het lokaal kon verlaten om zijn leerlingen mee te nemen naar het bos wordt ongetwijfeld gemist. Juist eigenzinnige docenten kunnen leerlingen iets unieks meegeven. Ook zij doen-wat-werkt. 

vrijdag 22 januari 2016

Column. Lief en aardig.

Er zijn een aantal vaardigheden voorgoed in de twintigste eeuw achtergebleven. Zo heeft het leren memoriseren de race om de 21th century skills voorgoed verloren. De acute beschikbaarheid van navigatie, google en Wikipedia deed deze vaardigheid de das om. Het is een geweldig verlies. Sindsdien maak ik mij met mijn topo- repetities steeds verdachter. Is dat nu echt nodig vragen sommige ouders lacherig, we hebben toch Tom-Tom? Maar ik laat me niet vermurwen. De meeste leerlingen vinden het neuzen in atlassen en het behalen van hoge beoordelingen nog steeds heel erg leuk en het lijkt me ook in deze tijden een goede zaak dat leerlingen leren waar ze zich zo’n beetje bevinden op deze wereld.  Ook het memoriseren van gedichten lijkt voorgoed op de afvalberg van verloren vaardigheden terecht te zijn gekomen. Ik was er vroeger dol op. Achterberg, Slauerhoff, je kunt me er midden in nacht voor wakker maken. Helaas is dat in dit tijdsgewricht een wat aanstellerige ‘skill’ dus laat iedereen mij met gerust hart doorslapen. Er is nu geen kind meer die een gedicht uit het hoofd leert. Ze kijken me zelfs verbijsterd aan als ik het voorstel. Dat is jammer. Ik heb geweldige herinneringen aan mijn jaren in de onderbouw waar ik elke dag opnieuw het grote cultuurgoed van Annie MG Schmidt tot leven wekte. De cadans, de spanning, de lol in haar gedichten, het is onovertroffen: toen kwam er een meneer van het grote postkantoor, die kwam al met een hamer en een beitel en een boor. Of het verpletterende eind van juffrouw Scholten: enkel nog haar tasje lag daar in een plasje. Het is heel wat leuker om deze gedichten uit het hoofd te vertellen dan om ze voor te lezen. Mijn favoriete gedicht ging over de vogel Bisbisbis. (Waar iedereen zo bang voor is). Een griezelgedicht van de bovenste plank. Er wordt een brutaal krengetje (Rosalind) door deze vogel in afgevoerd, ontvoerd is een beter woord. Ze wordt naar een eiland gebracht ver in de oceaan (een eiland verschrikkelijk ver hier vandaan). En daar zit dat onmogelijke wichtje nu. Ze blijft bij de vogel Bisbisbis totdat ze weer ‘lief en aardig’ is. Kijk dat kan nu haast niet meer. Dat zou ik niet meer zomaar kunnen voordragen. Dat is vast te eng voor die arme zieltjes in de eenentwintigste eeuw. Die worden daar maar bang van. Dus de vogel Bisbisbis wordt waarschijnlijk binnenkort ook achtergelaten op de afvalhoop van de geschiedenis, waar  dikke tante Kee ook al ligt te zieltogen samen met de arme Julia-is-zo-schoon, die aan het eind van een lang leven vol lichamelijke tegenslagen stomdronken van de drank  lag te zwaaien met een hamer. Over. Uit. Weg ermee. Terwijl …zeg nou zelf…zo’n strenge doch rechtvaardige vogel Bisbisbis….het zou toch een zegen zijn, zo’n beest. Ook in deze eeuw: oooo, kijk toch eens even…daar komt een vogel over de scholen zweven, het is de vogel Bisbisbis (waar iedereen..). En zoeffff…daar gaan ze de lucht in: de bedenkers van het Lerarenregister, de rovers van de ADV en de vakantiedagen, de auditoren die met gestrekt been scholen binnen vallen met onaangekondigde afvinklijsten in hun hand, de reaguurders die bij elk bericht in de krant of op het internet over de te hoge werkdruk in het onderwijs beginnen te loeien over onze lange vakanties en korte werkdagen. Allemaal naar een eiland verschrikkelijk ver hier vandaan, een eiland ver in de oceaan, waar ze moeten afleren om steeds maar te zaniken en te morren en te kniezen en te knorren. En waar ze bovenal zelf mogen uitzoeken waar dat eiland zich op de kaart bevindt. Gezellig bij de vogel Bisbisbis. Totdat men weer lief en aardig is.l

zaterdag 9 januari 2016

Column. Zeventien jongetjes.

Er zitten 17 jongetjes in deze groep. 17 jongetjes! Het is nodig dat ik dit herhaal omdat niemand tot dusver verschrikt de hand voor de mond slaat als ze dit getal horen terwijl dit toch precies is wat men wel zou moeten doen. 17 jongetjes betekent namelijk: heel veel jongetjes, stapels jongetjes, onafzienbare rijen jongetjes. Een aantal van hen presteert in de regel goed, een aantal scoort onder het gemiddelde maar het gros huist in het midden. Het gros bevindt zich dus om de haverklap in elkaars vaarwater. Daar strijden ze constant om de aandacht. Aandacht van elkaar maar bovenal aandacht van mij. 17 jongetjes en een oude juf. O ja, en nog 7 meisjes, ergens. Een halve eeuw leeftijdsverschil. Al die jongetjes moeten allemaal tegelijk iets vertellen aan mij. Ook moeten ze allemaal op hetzelfde moment hun boek ruilen en allemaal op hetzelfde moment koffie voor mij halen. Ze moeten op hetzelfde moment vertellen dat de ander begon, is het niet vandaag dan is het wel gisteren of anders wel ‘eens een keertje’. Ze moeten allemaal op hetzelfde moment het antwoord door de klas roepen want ze willen heel graag dat ik ze goed vind. En aardig. En lief. Als ik ze niet goed vind of aardig of lief dan moeten ze vaak huilen. Dan leggen ze hun hoofd op hun armen en snikken het uit. Maar het was toch niet aardig wat je deed, vraag ik dan verbaasd. Neehee, maar nu bent u boohoos, klinkt het dan. Kom op, zeg ik dan, neem je verantwoordelijkheid. Maar verantwoordelijkheid is een moeilijk ding. Ze snappen vaak niet wat ik daar nu zo belangrijk aan vind. Verantwoordelijkheid is helemaal niet leuk. Je moet je werk afmaken bijvoorbeeld. Dat wil zeggen: werk dat niet op de computer kan. Daarom vragen alle jongetjes tegelijk wanneer we op de computer gaan. De hele dag door. Ook als dat betekent dat ze naar de bekende weg vragen. Het kan namelijk zijn dat ik iets aan het programma heb veranderd. Dus we gaan nu echt niet op de computer, stellen ze om de haverklap teleurgesteld vast. En als ze dan eindelijk op de computer mogen dan staan ze allemaal tegelijk op teneinde een flinke spurt in te zetten. Hetgeen mij noopt hen weer plaats te laten nemen. Eenmaal in de hal en achter de computer aangekomen roepen ze uit puur enthousiasme dingen naar elkaar: waar ben jij? Ik ben bij som 3! Weet jij hoe som 5 moet Thomas? Helaas zit Thomas aan het andere eind van de gang. Ga maar weer naar de klas, sommeer ik dan. O nee, nee, nee, roept het schreeuwlelijkje dan verschrikt. Sorry, sorry, sorry, juf. Ik zal het nooit meer doen. Maar nooit is relatief bij deze jongetjes. Nooit, betekent hooguit een minuut of vijf. En als er dan toch iemand naar de klas terug moet begint het gesoebat. Ah juf, nog een kans, ah juf nog een? Als ik mij gewonnen geef dan trekken ze onmiddellijk opnieuw een spurt maar dit keer naar mij en dan slaan ze hun armen om mij middel. Want knuffelen doen ze ook, die jongetjes. Steeds weer moet ik mijn gang onderbreken vanwege jongetjes die even willen knuffelen. En daar sta ik dan. Ontwapend en ietwat ontregeld. Dan krijgen ze opnieuw een kans en dan schreeuwen ze vervolgens nog een keer door de gang. Ben jij dat echt Michiel, vraag ik dan onthutst. O ja. Oeps juf. Dat ging per ongeluk. Er gaat veel per ongeluk. Maar 17 jongetjes, die tegelijk van de trap glijden, tegelijk naar de wc willen, tegelijk naast de wc plassen, tegelijk hun been uitsteken, tegelijk roepen dat het om een grapje handelt, of een ongelukje, dat is veel voor een oude juf. Had ik al gezegd dat het er 17 waren?

vrijdag 11 december 2015

Column. Koekoe

Even voor half negen komt Luca wat aarzelend bij mijn bureau staan. Ik heb vannacht slecht geslapen, zegt hij. Ik droomde steeds maar over Parijs. Denkt u dat wat daar gebeurd is ook hier kan gebeuren? Achter hem staan leerlingen op die aarzelend in onze richting lopen. Ze zijn duidelijk benieuwd naar mijn antwoord. Nee, dat denk ik niet, zeg ik, in deze stad zal dat niet zo gauw gebeuren. Maar een aanslag in Nederland? Ik zou willen dat ik een ander antwoord kon geven maar eerlijk gezegd denk ik het wel. Luca knikt bedachtzaam. Sarah wringt zich door het groepje naar voren. Juhuf. Haar gezicht staat zorgelijk. Juf, mijn vader zegt dat het heel goed mogelijk is dat ik tijdens mijn leven nog een oorlog mee maak. Er gaat een rilling door het nog steeds aanzwellende groepje leerlingen heen. Ik weet niet of ik het met je vader eens ben, zeg ik aarzelend. Het woord ‘oorlog’ wordt wel heel snel in de mond genomen tegenwoordig. Als we denken aan oorlog dan denken we aan de tweede wereldoorlog of aan Syrië. Dat is echt wel iets anders dan we nu hier meemaken. IS is in staat om verschrikkelijke aanslagen te plegen maar het blijft maar een klein groepje mannen. We moeten onszelf niet al te bang laten maken, zeg ik, je weet nooit wat er in de toekomst gebeurt. Nee, zegt Sarah gelaten, ik wist een jaar geleden ook nog niet dat mijn ouders gingen scheiden en toch is dat nu zo. Precies, antwoord ik. Inmiddels is de groep voor mijn bureau heel groot geworden. Zullen we er maar bij gaan zitten jongens, vraag ik. Praten we er dan nog wel over door? Natuurlijk. Als ze allemaal achter hun tafeltjes zitten, steekt Jamshed zijn vinger op. Ik ben bang voor mijn familie zegt hij. Je familie in Iran, vraag ik. Hij knikt. Ze wonen zo dichtbij IS, zegt hij. Waar zit dat IS eigenlijk, roept Sarah dwars door de klas. Ik haal de wereldkaart erbij. Kijk, dit gebied hebben ze ongeveer in handen. Het wordt heel stil. Dat is dichtbij Iran juf. Ja dat is waar, maar toch denk ik dat de familie van Jamshed wel veilig zit. In Syrië woedt een burgeroorlog en in Irak is al een tijdje niemand echt de baas dus daar heeft IS gebruik van gemaakt, daardoor konden ze daar flink veel gebied veroveren want niemand hield ze echt tegen. In Iran kunnen ze IS wel echt tegenhouden. Daar hebben ze nog een sterke regering en geen burgeroorlog. Jamshed kijkt opgelucht. Ik ben toch zo bang voor dat IS, rilt Kim. Om haar heen klinkt instemmend gemompel. Kijk en dat moeten we proberen niet te laten gebeuren, zeg ik. Dat is precies wat ze willen. We moeten hier gewoon ons leven leiden en vrolijk zijn. Wisten jullie dat de kans dat je thuis van de trap valt veel groter is dan dat je bij een terroristische aanslag betrokken raakt. Er klinkt gelach. Echt waar? Ja echt waar en daar ben je toch ook niet altijd bang voor. Je roept toch ook niet steeds: ooo wat ben ik bang om de trap af te lopen. Ik doe het vandaag maar niet. Ze grinniken. Nee, daar is niemand bang voor. Thomas heeft nog een vraag. Wat hebben die terroristen er nou aan als ze zelf ook dood gaan bij zo’n aanslag? Ze denken dat ze in het paradijs komen, dat er allemaal lekker eten en heel veel mooie vrouwen op hen wachten, leg ik uit. Er valt een perplexte stilte. Dan steekt Bahran zijn vinger op. Ik heb daar maar een woord voor juf. Hij laat een stilte vallen. Nou Bahran? Dat is Koekoe juf. Echt koekoe! Er klinkt een luid geschater op. De angst lijkt voor even bezworen.

vrijdag 27 november 2015

Column. Luisteren.

John Hattie, een Nieuw-Zeelandse onderwijsonderzoeker kijkt vrolijk de camera in. Wat echt werkt in het onderwijs, zegt hij, is: luisteren naar kinderen. Dat heeft hij namelijk uitgebreid onderzocht. Ik zucht als ik de krant weg leg. Hij zou best gelijk kunnen hebben -ik ben nooit te beroerd om uitspraken en bevindingen over onderwijs in overweging te nemen- maar op dit moment is het belangrijker om de leerlingen van mijn groep naar MIJ te laten luisteren. Dat valt namelijk niet mee met dit impulsieve stel. Daarnaast is er een Sterrenparade op komst, alsmede een najaarsstorm en ook de Goedheiligman is van plan een duit in het zakje te doen. Tijdens de Sterrenparade bijten Maartje en Derek de spits af. Ze dragen een gedicht voor en dat doen ze goed. Iets in die grote massa voor hen schijnt hen toch te ontregelen want na elke strofe zetten ze aarzelend een stap achteruit. Gelukkig is het gedicht net op tijd klaar, nog een stap en ze waren de diepte ingetuimeld. Vervolgens is het tijd voor de onvermijdelijke dansjes die, al even onvermijdelijk, met het nodige gedoe zijn ingestudeerd. Ik heb Sophie al drie keer snikkend uit het toilet moeten halen en Kim en Anne hebben zelfs even een optreedverbod aan hun broek gehad wegens hun eindeloze gesnib tegen elkaar. Het groepje van Sophie danst voorbeeldig maar Kim en Anne zetten hun geruzie ( nee, je moet naar links! Hier draaien, hier draaien!) onverminderd voort zodat ik de muziek na ruim een minuut weg laat draaien. Maar het is nog niet klaar juf! O jawel! Tim, Thomas en Jonathan doen een dans uit Minecraft. Ze zien er prachtig uit met hun grote vierkante hoofden maar helaas ze durven niet uit te voeren wat ze afgesproken hadden: dansen met een kleutertje uit het publiek. De rest van het programma wordt uitstekend uitgevoerd. Het wordt tijd om weer gewoon aan het werk te gaan, zeg ik na afloop, het is hier per slot wel een school. Omdat ik nooit te beroerd ben om uitspraken en bevindingen over onderwijs in overweging te nemen geef ik de les Begrijpend Lezen tegenwoordig volgens de modernste principes: ik ga modellen. Hardop denken in de ik-vorm. Ik geef keurig de denkstappen aan. Waar in de tekst…Hoe weet je.. Waarom… Ook geef ik willekeurig beurten. Voor mij zit echter een groep kinderen die het allemaal wel best vindt. Hoe? Weet ik veel. Waar kun je? Huh? Oh, er worden beslist ook goede antwoorden gegeven maar ik vermoed dat de leerlingen die deze vragen goed beantwoorden dit ook wel hadden geweten als ik niet zo overdreven op die kruk had zitten modellen. Luisteren valt leerlingen het zwaarst als ze het maar saai vinden. Net als ik denk: nog even en dan is het weekeind, komt Thomas woedend binnen. Maartje heeft hem in een hoek gedreven en zijn hele hoofd overladen met kussen. Met kussen, vraag ik verbijsterd. Ja! Waarom dat dan Maartje? Ik vind hem leuk, grinnikt Maartje. Maar je kunt iemand niet zomaar tegen zijn zin zoenen, zeg ik kwaad. O sorry, mompelt ze. Daar komt bij dat je ook nog onder de krentenbaard zit Maartje, vervolg ik. O jee. Thomas grijpt naar zijn hoofd. Mag ik mijn hoofd wassen juf? Even later komt Thomas met zijn blote buik en natte haren de klas in. Ik wil je zo echt niet in de klas hebben Thomas, zeg ik. Ja maar mijn t-shirt is nu nat, antwoordt hij. Het wordt mij droef te moede. Ik moet vandaag nog twee directe instructies geven, bedenk ik me. Geheel volgens de laatste inzichten. Ik moet lesdoelen delen, voorkennis activeren, alles begeleid inoefenen en zelfstandig laten verwerken en vervolgens ook nog verlengd instrueren. En o ja, ik moet niet vergeten te luisteren naar mijn leerlingen volgens de regels van mijnheer Hattie.

zaterdag 14 november 2015

Column. Excellent.

De baliemedewerker van de garage waar ik mijn auto na een onderhoudsbeurt ophaal houdt de sleutels nog even in zijn hand. Nog een ding mevrouw, zegt hij vriendelijk, u krijgt morgen een mail waarin gevraagd wordt hoe uw ervaringen met dit bedrijf zijn. Ik hoop dat u tevreden bent, zo niet dan hoor ik dat graag. Ik kijk verbaasd op. Het is goed hoor, zeg ik terwijl ik naar de sleutels reik. Als u tevreden bent, vervolgt de medewerker dan hoop ik dat u dat ook opschrijft en niet zoals we in Nederland gewend zijn met zesjes of zeventjes maar met een acht of hoger. Mijn baas hecht daar veel belang aan en zijn baas ook. Ik knik aangeslagen. Aan het eind van een rondreis aan de andere kant van de wereld overkomt mijn iets soortgelijks. De reisleider pakt op de laatste dag van de reis de microfoon en kondigt aan dat er bij terugkomst in Nederland een mail op ons wacht met daarin een tevredenheidsonderzoek. Ze benadrukt het belang. Ook zij geeft aan niet te hopen op Nederlandse zesjes en zeventjes. Dan heb ik een probleem, vertelt ze. Als we willen dat zij in de toekomst haar baan houdt dan weten we wat ons te doen staat. Dus vul ik braaf beide enquêtes in. Tijdens het schrijven valt me op hoe algemeen alle vragen zijn. Zelfs al zou ik mijn ervaringen eerlijk willen invullen dan nog nodigen de vragen daar niet toe uit. Daar komt bij dat ik mij altijd erg bewust ben van het arbitraire en impulsieve karakter van mijn bevindingen. Zijn ze wel algemeen geldig, is het sop de kool wel waard? Het is me een raadsel waarom tevredenheidsonderzoeken zo’n groot deel van de tijd van organisaties in beslag nemen. Al die functionerings- en beoordelingsgesprekken die gebaseerd zijn op informatie van klanten die achteloos wat invullen of emotioneel onder druk zijn gezet . Het heeft iets treurigs voor al medewerkers. Vooral als die zich op hun beurt gedwongen voelen van lieverlee maar om goede beoordelingen te bedelen. Toch kan ik me bij bedrijven wel voorstellen dat ze op een of andere wijze willen weten hoe de klant hun product ervaart. Ze moeten immers winst maken. In het onderwijs geldt dit winstoormerk niet. Toch wemelt het hier ook van de allerlei onderzoeken en komen oordelen net zo arbitrair en willekeurig tot stand. Hypes, tijdgeesten, nieuwe wijn in oude zakken, het komt met de snelheid van het licht de scholen in en steeds staan er nieuwe beoordeelaars op de stoep met hun puntenlijstje. Audit zus, onderzoek zo. Zorgelijke rapport hier, zwakke beoordeling daar. En steeds opnieuw geldt: meer scholing, meer inspanning, meer neuzen dezelfde kant op, minder plezier, minder tijd voor het eigenlijke werk in de klas. Er zijn inmiddels zoveel personen en instituties financieel afhankelijk van (slechte) beoordelingen van scholen: interimmanagers, scholingsinstituten, zzp-ers met een eigen toko, inspectie, Passend Onderwijs dat de vraag zich voordoet of er ooit een moment komt waarop men zal zeggen: het is wel in orde zo met het onderwijs. En dat terwijl we het internationaal helemaal niet slecht doen en de kinderen in Nederland tot de gelukkigste kinderen ter wereld behoren. Ook de volwassenen zijn helemaal niet ongelukkig bleek onlangs uit een rapport. 64 procent van de vrouwen en 68 procent van de mannen noemt zichzelf gelukkig. Waar komt de ontevredenheid waarmee het werkdruk in het onderwijs wordt opgejaagd dan toch vandaan? Is het hier ook al zover dat we geen zesjes en zeventjes meer willen. Zijn leraren de enigen die perse ongelukkig moeten blijven. Gaan we alleen nog voor excellentie en moeten we allemaal Leerkracht van het Jaar worden? Misschien is het beter om ook maar zelf de boer op te gaan om al die willekeur te stoppen: een acht of hoger graag, beste ouders, want anders…