zaterdag 21 maart 2015
Column. Skills
Er zijn momenten dat mijn klas en ik elkaar niet begrijpen. Zo’n moment doet zich voor als het Jeugdjournaal een item laat zien waarin zangeres Anouk het publiek tijdens een optreden vraagt niet steeds door alle nummers heen te kwaken. Ga naar de kroeg of houd je mond dicht en luister, zegt ze. Terecht vind ik. Mijn klas is het echter in het geheel niet met haar eens. Natuurlijk moet je gezellig kunnen kletsen tijdens zo’n optreden. Wat een rare vrouw, die Anouk, wat een vreemde wens. Ook mij vinden ze soms een vreemde vrouw met rare wensen. Vooral mijn opdracht om tijdens schooltelevisie uitzendingen niet overal de hele tijd commentaar op te leveren vinden ze raar.In dit interactieve tijdperk val ik uit de boot met de opdracht om kennis zonder interruptie tot je te nemen. Mijn pogingen zijn regelmatig tevergeefs. Als het niet hardop mag dan doen ze het wel zachtjes maar commentaar blijven ze leveren. Er komt een moment dat iedere leraar op moet letten niet achterwaarts les te geven. Zeker als je -zoals ik- de grootmoederlijke leeftijd hebt bereikt.Ik mag dan bijna 60 zijn, er worden 21th century skills van me verwacht. Er zijn ook andere momenten waarop ik de aansluiting kortstondig mis: Sjoerd is een plaaggeest die de grens met kleine pesterijtjes soms overschrijdt. Het lijkt allemaal niet zo gemeend, het oogt ook vaak wat onhandig, hij biedt ook regelmatig zijn verontschuldigingen aan maar ondanks al mijn interventies stopt het niet. Op een dag zijn er aan het eind van de middag een paar minuten over en vraagt Thomas of hij een leuk filmpje mag laten zien. Het is een kort stukje uit een programma van Bert en Ernie waarin Bert Ernie plaagt door steeds van alle kanten achter hem op te duiken en‘kakhoofd’te roepen. Deze uit overwegend jongens bestaande groep vindt dat een geweldig leuke grap. Ze hebben de grootste lol. Ik zie mijn kans schoon. Als het filmpje is afgelopen loop ik naar voren, duik plotseling achter Sjoerd op en zeg ‘kakhoofd’. Ik herhaal dat een paar keer hinderlijk. Vervolgens gebeurt er iets opmerkelijks. Sjoerd kan er niet echt tegen en wordt een beetje rood maar ik zie dat hij heel goed snapt wat ik doe. De klas reageert echter verdeeld. Er zijn er die het heel leuk vinden dat Sjoerd met zijn eigen gedrag geconfronteerd wordt en er zijn er die geschokt zijn dat een juf zoiets doet. Ik zie ze verbaasd kijken. Een juf hoort kennelijk pedagogisch geheel verantwoorde lesjes te geven waar je van knikkebolt en vervolgens braaf zegt dat je het nooit meer zal doen. Koekjes van eigen deeg zijn uitwassen uit de vorige eeuw. Dezelfde geschoktheid merk ik ook aan veel reacties op het programma van Jo Frost op RTL. Haar stevige aanpak in situaties waarbij het in gezinnen volstrekt uit de hand gelopen is leidt tot veel ophef, er is zelfs een actiegroep op Facebook en Twitter die haar van de buis wil hebben. Haar aanpak zou schadelijk zijn voor kinderen. Kinderen horen opgevoed te worden, niet afgericht, voert deze groep aan. Zelf denk ik dat er in deze gezinnen allang veel schade aangericht is en dat Jo Frost niet veel anders doet dan die schade te herstellen zodat er opnieuw aan een goede relatie gewerkt kan worden maar kennelijk is er -terwijl ik maar wat onbekommerd les stond te geven in al die jaren- iets veranderd waardoor nu ineens Jo Frost een bruut is in plaats van een kundige hulpverlener en opvoeder. Dat geeft te denken. Ik vrees dus eigenlijk dat het te al laat is en dat ik met mijn aversie tegen de hedendaagse rubberentegel-pedagogiek allang met mijn rug naar de 21e eeuw sta. Ook mijn eigen boontje zal om haar loontje komen.
zaterdag 7 maart 2015
Column. Belonen.
Er wordt tegenwoordig heel wat omgedacht en vandaag doe ik even mee. Ik kreeg de geest toen ik las dat er ergens een school is waar de doorgaande ruimtes in het gebouw in twee delen zijn gesplitst: een baan om rustig te lopen en een om te rennen. Het leek me een geweldig idee. Ik begrijp goed dat veel leerlingen een dwingende behoefte hebben om te rennen. Al dat enthousiasme, al die levenslust, waarom zou ik daar in vredesnaam de hele dag tegen de keer gaan? Maar ja, het leidt tot ongelukjes, tot geduw, tot ruzie. Het zijn vaak jongetjes die flink snelheid maken en meisjes die flink omvallen, kleinere leerlingen die platgewalst worden door grotere leerlingen en bovenal: leraren die op weg naar hun lokaal erbarmelijk onder de voet worden gelopen. Een beetje beschaafde school wil zulke praktijken niet. Daarom vind ik dat idee van de aparte banen ook zo leuk: je neemt zelf de verantwoordelijkheid om je er tussen te gooien en als het mis gaat dan moet je niet zeuren. Een pracht van een levensles. Dat het zo makkelijk niet zal gaan weet ik natuurlijk wel. Tijdens sneeuwbalgevechten zijn er ook altijd leerlingen die wel willen gooien maar niet willen incasseren en dan als een haas de sneeuwbalvrije zone in glippen. Maar ook dat is een reden voor een mooie levensles: o,o,o wat ben jij een watje, roep ik regelmatig pedagogisch geheel verantwoord op de grens van die twee gebieden. Diezelfde inventieve school had ook een glijbaan naast de trap gemaakt. Geweldig. Ook mijn leerlingen glijden graag stiekem langs een rand van de trap. Een rand die wel speciaal voor dat doel gemaakt lijkt. Ik snap dat. Maar ja, glijden kan tot een onverwacht spectaculaire versnelling leiden die genadeloos hard kan eindigen op het plateau onder aan de trap. Tja, knik ik dan vriendelijk terwijl ik het slachtoffer overeind help, dit kan natuurlijk gebeuren als je glijdt. Een glijbaan zou echt een oplossing zijn. Toch krijg ik louter verbaasde blikken als ik deze standpunten over het voetlicht breng. In een school wordt gewoon niet gerend en niet van de trap gegleden. Zulks is taboe en dient bestraft te worden. En als het in grote getale toch gebeurt dan dient het met man en macht bestraft te worden. Omdat het met man en macht straffen als opvoedkundig wapen wat uit de tijd is, komt er altijd iemand op het idee om niet het slechte gedrag te bestraffen maar het goede te belonen. Zo lang ik lesgeef heb ik me altijd wat ongemakkelijk gevoeld bij dit op het eerste gezicht zo nobele streven. Beloond worden omdat je je goed gedraagt, het heeft iets raars. Het is ook lastig vaststellen wie er dan beloond moet worden. Voor je het weet wint de klas waarvan de leerlingen maar drie keer gerend, twee keer gegleden en een keer rumoer gemaakt hebben bij het binnenkomen. De andere klassen hadden een hoger gemiddelde en vallen dus uit de boot. Het kan eigenlijk niet anders dan tot veel administratie en natte vingerwerk leiden. Ook in afzonderlijke klassen wordt soms intensief gewerkt met beloningssystemen. Groepjes kunnen stickers winnen of zonnetjes op het bord verzamelen. Er worden beloningen in het vooruitzicht gesteld, cadeautjes uitgedeeld. En altijd is iedereen in het begin lyrisch: de kinderen (nooit zo stil geweest), de leraren (nooit zo fijn instructie kunnen geven), de ouders ( zoveel rustiger thuis). Het werkt totdat het niet meer werkt. En dat moment komt sneller dan verwacht. Sommige leerlingen houden het niet vol, verprutsen het voor hun groepsgenootjes, vinden dat even heel erg, proberen het opnieuw, falen weer en keren dan fatalistisch hun kont tegen de krib: het lukt toch niet en het kan me niks meer schelen. En daar sta je dan met je zonnetjes, stickertjes en andere cadeautjes.
zaterdag 21 februari 2015
Column. Missie
Ik herinner me nog hoe stomverbaasd ik was toen het team waar ik destijds deel van uit maakte de opdracht kreeg om een visie en een missie aan het papier toe te vertrouwen. Tot die tijd had ik geen enkele gedachte gewijd aan het verbijzonderen van de school. Er moest zo goed mogelijk en in een aangename sfeer les gegeven worden. Het leek ons dat dit voor alle scholen gold en we konden dan ook niets bedenken wat we op papier wilde zetten als zijnde uniek, bijzonder en alleen geldend voor deze school. Dus besloten we ferm dat we een ‘gewone school’ waren en dat we dat ook graag wilden blijven. Dat hadden we gedacht. Onze bazen waren pas content toen we zuchtend en steunend iets schimmigs en oncontroleerbaars in elkaar knutselden. Iets met veiligheid en uniciteit van ieder kind en zo meer. Onze missionaire visie of visionaire missie was zo algemeen geformuleerd dat niemand wist wat dat nu concreet betekende voor onze onderwijspraktijk. Daarna bleven we gewoon een gewone school. Tot we besloten dat -als dan toch de bedoeling was dat we ons verbijzonderden- Coöperatief Leren wel erg bij ons paste. Dat hadden we gedacht. Al dat samenwerkend leren was juist bezig volledig uit de tijd te vallen. Meerbegaafdheid, hoogbegaafdheid, individuele leerwegen, plusgroepen, basisgroepen, mingroepen, het waren de jaren des onderscheids in het onderwijs. Coöperatief was uit. Jammer dan. Op dat moment realiseerde ik mij dat het er niet (meer) toe deed wat ik samen met mijn collega’s bedacht of nastreefde met ons onderwijs. De school was in de loop van de jaren zo onlosmakelijk verbonden geraakt met een omliggend krachtenveld dat alle energie die uit zichzelf uit de scholen stroomde omgebogen of vervangen werd. Een toenemende hoeveelheid eisen, wensen en bevelen kwam met duizelingwekkende snelheid op de scholen af. Hoezo uniek, hoezo eigen visie en missie? Weer Samen Naar School, Passend Onderwijs, het bestuur, alsmede het ministerie, de inspectie en een heel leger onderzoekers, ouders, maatschappelijke pressiegroepen en woest ronddwalende tijdgeesten vuurden hun plannen op de scholen af. Doe dit. Laat dat. Teams hoefden niet meer zelf te bedenken waar ze in geschoold wilden worden, dat deed het krachtenveld wel voor ze. En zo kwamen er cursusleiders de school binnen die nooit tevreden waren want dan konden ze hun vervolgcursussen niet slijten. De ene instantie sommeerde een team minder klassikale instructie te geven en een andere sommeerde een team meer volgens de regels van de Directe Instructie te werken. De logica was vaak zoek, de eisen niet zelden tegenstrijdig. En men wilde steeds meer weten: toets dit, meet dat. En zo kon het gebeuren dat de opdracht aan scholen om een eigen visie en missie te bedenken uitdraaide op een overvloed aan visies en missies die vanuit het krachtenveld op de scholen afgevuurd werden. De grootste gemene deler was steeds: het is niet goed, het moet beter en wel meteen! Voor teams zat vaak niets anders op dan alles enigszins gelaten te ondergaan. Ja hoor. ’t Is goed. Leg daar maar neer. We lezen het wel een keer. Maar net toen ik dacht dat het mijn tijd wel zou duren, iets wat ik tot nu toe nooit dacht, verschenen er ineens kleine tekenen van opleving. De onderwijsziel bleek niet dood. Hij was hooguit even buiten westen geslagen. Overal op het internet en in het land duiken bewijzen op dat leerkrachten elkaar weer in hun gezamenlijke passie voor dit vak gevonden hebben. Tijdschriften, blogs, nascholingsgroepen, facebookpagina’s. The Crowd, edubloggers, Lesje op School, Het Kind, United4Education, Leraren met Lef, De nieuwe Leraar, op al deze plekken is er weer sprake van het terugvinden van het plezier in lesgeven. Er wordt autonomie opgeëist en gebied terug veroverd op het krachtenveld. Er is een nieuwe missie. Dit keer is het een mooie!
zaterdag 7 februari 2015
Column. Klaar juf!
Tijdens de Citotoets Begrijpend Lezen staart Tim aandachtig naar het plafond. Ik volg zijn blik maar zie niets bijzonders. Als hij even later weer in mijn blikveld opdoemt, zie ik dat hij al even aandachtig naar zijn schoenen staart. Is er iets, vraag ik. Tim schrikt op. Nee hoor. Even later zie ik hem naar de deur sloffen, als hij op de gang aankomt kijkt hij aandachtig om zich heen. Hij is duidelijk op zoek naar enige afleiding. Ik loop naar de gang. Wat is er toch met je? Tim zucht. Ik heb geen zin om al die lange verhalen van die toets te lezen, antwoordt hij schuldbewust. Als ik terug naar mijn bureau loop legt Thomas zijn toets neer. Klaar juf! Ik kijk hem ongelovig aan. Zo snel? Ik vond het makkelijk, zegt hij. Thomas heeft de laatste weken alles op alles gezet om toegelaten te worden tot de groep meerbegaafden op school. Dat wil zeggen: hij heeft voornamelijk mij belaagd met vragen wanneer het zo ver was. Het duurde even voor ik hem doordrongen had van het feit dat er goede toets uitslagen aan zo’n besluit ten grondslag liggen. Het eerste deel van de Begrijpend Leestoets had hij goed gemaakt. Zijn rekenresultaten zagen er ook behoorlijk uit. Nu alleen dit tweede deel nog. Hij weet dus hoeveel er van af hangt. Wacht, ik kijk het wel even na, zeg ik tegen hem. Het wemelt van de fouten. Ik laat het hem zien. Te snel gewerkt, vraag ik. Oeps, zegt hij schalks, ik had geen zin om al die teksten te lezen, ik ben gewoon meteen met de vragen begonnen. Ik kan dit antwoord niet geloven, zucht ik. Anna komt op me af. Doortje zit al heel lang op het toilet, fluistert ze. Als ik poolshoogte neem, zie ik dat ze op de grond bij de wasbak zit. Naast haar zit Fatima die kennelijk ook haar lokaal ontvlucht is. Ik trek mijn wenkbrauwen op. Ik vind die toets moeilijk, zegt Doortje. En jij Fatima? Wij doen de Cito rekentoets, antwoordt ze, die is zooooo lang! En nu hebben jullie het maar opgegeven? Fatima en Doortje grijnzen. Aangeslagen loop ik terug naar mijn lokaal. Het is een (te groot) aantal leerlingen niet gegeven hobbels te nemen. Elke keer als ik met dit soort praktijken geconfronteerd word, balanceer ik op het snijvlak van begrip en ergernis. Ja, het zijn misselijk lange teksten bij Begrijpend Lezen. Nee, het valt niet mee als je bijna iedere dag verlengde instructie krijgt om ineens zelfstandig zo’n -op de gemiddelde leerling afgestelde- toets te moeten maken. Maar daar staat tegenover dat je je toch wel kan inspannen. Je bent tien en je geeft het al op? Ik kan daar slecht tegen. Derek zet streepjes bij de Cito rekentoets. Een hele lange rij. Je snapt niet één som, constateer ik. Hij schudt zijn hoofd. Maar waar is je uitrekenblaadje? Hij kijkt om zich heem. Oeps…op de grond gevallen. Het hoeft niet uit het hoofd, het kan vaak ook niet uit het hoofd, zeg ik, je moet in stappen rekenen en de antwoorden tussendoor opschrijven. Maar dat is zoveel werk, steunt Derek. In deze voornamelijk uit jongens bestaande groep viert de gemakzucht wel vaker hoogtij. Bij de gewone rekenlessen wil een grote groep niets liever dan bij de plusgroep horen en alleen de ‘oranje’ sommen maken. Daar zijn er maar weinig van, dus voor je het weet ben je klaar. Denken ze. Het probleem is dat deze sommen moeilijk zijn. Je moet er goed over nadenken en ook hierbij de tussenantwoorden opschrijven. Dus staan ze regelmatig teleurgesteld naast me. Ik ben klaar juf maar helaas heb ik alles fout. Pak je uitrekenblaadje er eens bij, dan zullen we samen kijken hoe dat komt. Eh…wat zegt u juf?
zaterdag 24 januari 2015
Column. Raadsels.
Het duurt nagelbijtend, tandenknarsend en hemeltergend lang voordat Eline iets in haar schrift opschrijft. Als ik tijdens de instructie echt niet langer kan wachten, zucht ze licht verwijtend of kijkt me paniekerig aan. Ik ben nog niet klaar juf. Kijk maar of het bij de volgende opdracht wel lukt, zeg ik. Ze knikt. Maar ook bij de volgende opdracht duurt het lang. Te lang. Op de momenten dat ik besluit te wachten tot het eindelijk lukt heeft de hele scene iets weg van een uitputtingsslag: Eline bijt op haar pen en denkt na, de rest van de instructiegroep kijkt gespannen toe of haar pen naar beneden zal zakken en ondertussen probeer ik manhaftig mijn ongeduld in pedagogisch begrip om te zetten. Eline maakt van elke les hooguit tien procent en er is niemand in haar omgeving -geen ouder, leerkracht, begeleider of onderzoeker - die ook maar een idee heeft waar deze traagheid vandaan komt. De tien procent die ze wel maakt getuigt namelijk van een redelijk goed ontwikkeld begrip. Ze heeft weliswaar lichamelijke beperkingen maar die verklaren deze onthutsende traagheid niet. Dus stel ik mijzelf vragen: wil ze het te goed doen, komt het haar ook wel uit om zo langzaam te zijn, is er iets met haar dat we nog niet weten? Het zijn vragen zonder antwoorden. Eline is een enigma. Ook Daniëlle is niet goed te doorgronden. Ze heeft een wat tobberige gezichtsuitdrukking. Alsof er iets is dat haar bedrukt. Maar wat? Om die reden zitten haar ouders en ik bij elkaar en proberen te begrijpen wat er speelt. Danielle is gedoubleerd maar de resultaten zijn niet zo heel veel beter dan vorig jaar. Haar ouders zijn dan ook teleurgesteld. Ik vertel hen dat ik heb geregeld dat ze pre-teaching krijgt. Maar dat betekent toch dat ze het voor de zoveelste keer uitgelegd krijgt, wanhoopt moeder, en dan gaat het nog zo moeizaam? Het is geen kwestie van onwil voer ik ter verdediging aan. Wordt ze niet gepest of zo, vraagt vader peinzend. Heeft u daar signalen van, vraag ik. Hij schudt zijn hoofd. Ik heb daar ook geen signalen van, zeg ik. Maar waarom is ze dan zo somber, sombert Daniëlle’s moeder. Ik vraag me hetzelfde af. Stelt Daniëlle haar ouders teleur en weet ze dat, wordt ze misschien buitengesloten, is er iets met haar dat ik nog niet weet? Raadsels, raadsels. Iedere dag kent er verschillende. Zo kan Thomas bijvoorbeeld behoorlijke driftaanvallen krijgen. Hij neemt zijn klasgenootjes graag te grazen maar omgekeerd kan hij er zelf niet tegen. Daarom heeft hij, net als op zijn vorige school en in de thuissituatie, ook hier een afkoelhoekje. Na verloop van tijd begon het me op te vallen dat die driftaanvallen soms wel erg goed getimed waren. Juist bij de vakken waar hij minder affiniteit mee had, ontstond er nog al eens een explosief akkefietje uit het niets. Op het moment dat ik hem op andere tijden het werk af liet maken dat vanwege zijn driftaanval was blijven liggen namen deze aanvallen af. Maar het blijft moeilijk het verschil tussen echte drift en in scene gezette drift te onderkennen zodat ik de ene keer het gevoel heb dat ik hem wel wat erg hard aangepakt heb en de andere keer vermoed dat ik hem er te gemakkelijk mee heb laten wegkomen. Wat is wijsheid? Iedere dag heeft zo zijn eigen momenten vol twijfel en getob. Zo heeft het werktempo van Sam veel weg van een sputterende motor. De ene keer schiet het hortend en stotend vooruit, de ander keer slaat het totaal af. Moet ik nu mee helpen duwen of hem als een barse politieagent laten weten dat hij als de wiedeweerga op dat gaspedaal moet drukken? Raadsels. Soms los ik er een op maar vaker -veel vaker-komt er nog een bij.
zaterdag 10 januari 2015
Column. Dwingelandij
Stel dat midden in het DWDD-college van Robbert Dijkgraaf iemand uit het publiek zijn hand op steekt en dwingend om aandacht vraagt. Dijkgraaf onderbreekt zijn goed voorbereide en goed getimede verhaal en vraagt wat er is. De persoon in kwestie merkt op dat hij ook wel eens ’s avonds naar de sterren kijkt. Zou zo’n onderbreking acceptabel zijn? Ik denk het niet. Toch is dit wat mij dagelijks overkomt als ik mijn leerlingen iets nieuws vertel. Elke associatie of opwelling wordt belangrijk genoeg gevonden om mijn verhaal dwingend voor te onderbreken. Het is een bijna onuitroeibaar verschijnsel. Het heeft volgens mij zo’n hoge vlucht genomen omdat leerlingen en leerkrachten al tijden wordt wijsgemaakt dat les krijgen en lesgeven interactief hoort te zijn. Interactiviteit deed zo’n twintig jaar geleden zijn intrede in het onderwijs en het leek aanvankelijk een grote vooruitgang. In werkelijkheid wordt er sindsdien veel tijd verspild. Lessen worden chaotisch en vooral saai van al dat meedenken. En nee, het helpt niet als ik zeg dat ik de vragen zelf wel stel. De vingers blijven onwillekeurig omhoog schieten. Alsof het een grondrecht is. Trends…ze zijn een onuitroeibaar verschijnsel in het onderwijs. Dat komt waarschijnlijk omdat men denkt dat het onderwijs van iedereen is. Het wordt immers uit de algemene middelen betaald. De een na de andere horde davert op gezette tijden door de scholen met een scala aan voorschriften, wensen en eisen. En voor elke reken- of spellingsles die leerkrachten nog tussen al deze dwingelandij door weten te geven geldt: het had eigenlijk anders gemoeten. De plusgroep is te snel klaar, de mingroep heeft te weinig uitleg gekregen en het handelingsplan van Sanne, Tim en Mica is onvoldoende tot zijn recht gekomen vandaag. Omdat het onderwijs van iedereen is mogen er de meest rigide eisen aan gesteld worden: de meest recente eis aan scholen is dat leerkrachten mee moeten spelen met de kinderen tijdens de pauze. Hoe ze dan ondertussen ook nog het pesten de wereld uit moeten helpen-een ander dwingend voorschrift- is me een raadsel. Maar leerkrachten zijn duizendpoten, wellicht lukt het ze…zolang ze tenminste niet een van die poten breken tijdens het spel. Ook kwam er onlangs een oproep langs om lessen in dementie aan de orde te stellen. Een enorme ver-van-mijn-bed show voor kinderen- het gaat hooguit om hun overgrootouders- maar de oproep geeft aan hoe makkelijk en kritiekloos allerlei zaken op het bordje van scholen geschoven worden. De lastigste trend heden ten dage is wel dat geen ouder bijna nog een gewoon kind wil hebben. Als het goed kan leren dan moet het meteen hoogbegaafd zijn, als het minder goed kan leren dan vallen de woorden dyslexie en dyscalculie snel. Gedraagt het zich wat druk of ongezeglijk dan wordt niet eerst gekeken of er misschien in de thuissituatie voorwaarden gecreëerd zijn voor dit gedrag maar moet er een onderzoek naar ADHD komen en medicatie verstrekt worden. Deze situatie zorgt in toenemende mate voor een zeer complexe situatie in de klas: daar verdwijnen leerlingen anderhalf uur naar de Pluto groep voor hoogbegaafden, daar worden leerlingen opgehaald voor extra hulp die intern geregeld is, daar worden ze opgehaald voor extra hulp die extern geregeld is en Desi en Jonas komen vandaag helemaal niet op school want die gaan naar groep 9 aan de andere kant van de stad. Voor al dit extra aanbod geldt: alles moet geboekstaafd worden. Doel. Plan. Evaluatie. Nieuw doel. Overleg met ouders, overleg met instanties, overleg met interne begeleider. Het onderwijs is van iedereen, dus moet je rekenschap afleggen. Tot in den treure. En als ik dan eindelijk tijd vind voor dat spannende verhaal over de barre tocht van het leger van Napoleon naar Rusland dan zie ik dat woud van vingers voor me: juf ik heb ook een paard!
zondag 21 december 2014
Column. Broertjes
Ze zijn niet identiek maar wel onmiskenbaar een tweeling. Fijne gezichten, mooi lang zwart haar. Wensley draagt het los met krullen, Kenneth in een staart. Het enige dat ze echt gemeen hebben is hun lenigheid en hun snelheid. Ze rennen allebei als hinden over het schoolplein. Verder verschillen ze als dag en nacht. Wensley is bedachtzaam. Kenneth is impulsief en soms explosief. Het komt regelmatig voor dat de laatste woedend met de bal onder de arm het voetbalveld verlaat. De andere jongetjes kijken in zo’n geval onmiddellijk naar zijn broer. Ah, haal hem even terug, het speelt zo onhandig zonder bal. Maar Wensley piekert er niet over. Hij is zichtbaar ongelukkig over deze actie van zijn broer maar hij zal hem nooit afvallen. Dus blijft hij roerloos staan terwijl hij naar de verdwijnende rug van Kenneth staart. In de klas werken ze allebei even hard. Wensley haalt goede resultaten, hij zit in de plusgroep. Kenneth ploetert en ploetert maar presteert net beneden het gemiddelde. Hij verbijt zijn teleurstelling dapper. Op een dag lukt het hem bij een hoofdrekenles niet meer om zich goed te houden. Ik zie het pas als ik de blik van zijn broer opvang. Die kijkt zo doodongelukkig achterom dat ik onwillekeurig zijn blik volg. Daar zit Kenneth verwoed te krassen in zijn rekenschrift terwijl de tranen langs zijn wangen biggelen. Ik loop naar hem toe. Stop maar, zeg ik, ik heb het te moeilijk gemaakt voor je vandaag. Kenneth kijkt me wanhopig aan. Maar ik moet dit kunnen, snikt hij. Als ik naar het schrift van zijn Wensley kijk, zie ik dat hij al klaar is. Hij legt snel zijn arm ervoor zodat zijn broer het niet ziet maar die weet het natuurlijk allang. In de gymzaal is het echter net andersom. Daar voelt Kenneth zich als een vis in het water. Er is niets dat hij niet durft, niets dat hij niet kan. Hij klimt in het hoogste touw, maakt ingewikkelde salto’s en toont zich een natuurlijke leider als er iemand geholpen moet worden met een oefening. Liefdevol coacht hij iedere aarzelende klasgenoot: kom maar, je kunt het wel, geef me je hand maar. Zijn broer zou qua lenigheid hetzelfde kunnen maar zijn bedachtzame aard maakt dat hij het allemaal wat rustiger aan doet. Het kan ook zijn dat hij Kenneth de eer gunt. Wensley is een enorme fan van lessen waarin ik uitweid over de wereld. Vooral als ik er ook nog landkaarten bij haal en met brede armbewegingen door de geschiedenis en het heden dwaal en en passant ons sterrenstelsel verlaat, schuift hij zijn stoel steeds verder in mijn richting. Totdat hij bijna voor me zit en ik het gevoel heb dat we nog maar met zijn tweeën zijn en er alleen nog dit moment is. Kenneth heeft hier beduidend minder geduld voor. Hij droomt liever wat weg. Bij het zelfstandig werken probeert hij altijd bij degenen te zitten die wel in zijn voor een lolletje. Wensley niet, die zoekt de verste computer op en gaat daar volstrekt zijn eigen gang. Hij speurt het internet af op zoek naar nog meer informatie en vooral naar nog meer landkaarten. Beide broers zijn geweldige toneelspelers en dansers. Hun lef, hun mimiek, ze zijn uitzonderlijk goed. Als ik een programma samenstel voor de Sterrenparade meldt Kenneth zich. Je moet het morgen eerst maar eens aan de klas en mij laten zien, zeg ik. Kenneth schudt zijn hoofd. Het is een verrassing, zegt hij schalks. Ik knik en zet zijn naam op de lijst. Het is de eerste keer in mijn loopbaan dat ik het doe maar iets zegt mij dat ik er blindelings op kan vertrouwen dat het ook zonder mijn bemoeienis een succes wordt.
Abonneren op:
Posts (Atom)