zaterdag 25 oktober 2014

Aanpassen.

De meisjes in de groep 6/7 zijn veruit in de minderheid. Het is een echte mannenwereld in deze klas. Een wereld vol voetbal, geintjes zonder gein en driftig geuite gelegenheidsstandpunten. Vooral in groep 7 is er amper ruimte voor meisjes en meisjesdingen. Ze zijn er maar met zijn vieren. Toch zoeken ze maar zelden steun bij elkaar en hebben ze elk een andere manier gevonden om zichzelf overeind te houden. Michelle gaat daar het verst in. Haar identificatie met de jongens is groot. Ze voetbalt met ze mee, heeft zich gespecialiseerd in geintjes zonder gein en kan enorme woedeaanvallen krijgen als haar overkomt wat ze het liefst een ander laat overkomen. De meeste jongens nemen dan ook in de omgang met haar enige omzichtigheid in acht. Ze vrezen haar. Stephanie daarentegen doet net alsof ze niets opmerkt in de omgang met haar mannelijke klasgenoten. Schreeuwde daar iemand tegen haar? Mwah. Gaf iemand haar daar net de schuld? Schiet toch op man. Stephanie heeft drie oudere zusters en valt nergens meer van om. Laat toch zitten allemaal. Doe niet zo vermoeiend. Ze haalt doorlopend haar schouders op over de wereld. Helaas val ik daar ook onder maar dat is een ander verhaal. Marianne heeft de beste positie ingenomen: zij gaat haar eigen gang. Ze lacht lief, werkt aandachtig, loopt omzichtig om elke kluwen drukke knaapjes heen en tekent, leest en droomt zich door de dag. Het meest beklagenswaardig is Aisha. Ze heeft een behaagzuchtige aard. Maar voetballen kan ze niet, de geintjes zonder gein kwetsen haar tot tranen toe en ze wordt nooit kwaad, al dansen ze allemaal op haar ziel. Laatst zag ik haar met haar handtas om op veel te hoge hakken over het voetbalveld strompelen in een uiterste poging toch deel uit te maken van deze groep. Nee, dan de meisjes van groep 6. Ze zijn weliswaar niet zo in de minderheid als de meisjes van groep 7 maar ook hier kunnen ze niet tegen de aanwezige knaapjes op. Deze meisjes hebben een heel ander antwoord gevonden: zij koesteren zich in hun onopvallendheid. Ze fluisteren, schuiven briefjes door, wisselen betekenisvolle blikken uit en kijken steeds wat schielijk in mijn richting om controleren of ik niet kijk. Maar ik kijk natuurlijk wel want ik word tureluurs van dat stiekeme gedrag. Alle meisjes vinden het reuze vervelend als ze door mij betrapt worden. Ze kijken schuldig, mompelen excuses, haasten zich om snel hun werkzaamheden te hervatten. Behalve Gina. Gina weerstaat mijn blik of erger: ze gaat gewoon door met fluisteren. Ze ziet me kennelijk als een lastige vlieg die haar komt storen bij haar noodzakelijke werkzaamheden om de macht in deze meidengroep te consolideren. In het begin drongen deze brutaliteiten nog niet zo tot me door. Per slot zaten er allemaal driftige mannetjes in de weg en moet er zo nu en dan toch ook echt nog wel lesgegeven worden maar op een dag is de weg vrij en begeef ik mij in haar richting. Langzaam en dreigend. Gina praat gewoon door terwijl ik zie dat ze me vanuit een ooghoek toch echt aan ziet komen. De meisjes in haar omgeving kijken snel in mijn richting. Gina niet. Nu ze echter geen publiek meer heeft draait ze zich met een vermoeid gebaar naar me toe. Is er wat of zo? De klas houdt de adem in. Juf nadert Queenbee. Queenbee weerstaat juf. Spannend! De queenbee knippert niet eens met haar ogen. Zo, jij durft, zeg ik terwijl ik mijn armen over elkaar sla. Er valt een stilte. Een lange stilte. Dan knippert ze en draait haar blik weg. Dit, zeg ik terwijl ik zorg dat ze me weer aankijkt, was helemaal nergens voor nodig. Nina schudt haar hoofd. Sorry, mompelt ze. De rest van de dag is ze druk bezig de schade te herstellen.

maandag 22 september 2014

Opnieuw

Dit is een genadig beroep. Elk jaar word je opnieuw in de gelegenheid gesteld alles anders te doen dan het jaar ervoor. Het maakt niet uit of je de zomervakantie volkomen uitgeteld ingegaan bent. In september is alles nieuw. De stapels illegaal bekladderde schriften van het vorige schooljaar zijn vrolijk de papiercontainer ingekieperd, de ouders die nog net op de valreep hun kroost naar een betere school gestuurd hebben zijn in de vergetelheid geraakt, de vloeren geschrobd, de tafels gepoetst, de ramen gelapt, de schriften hagelnieuw en de potloden geslepen. Er zijn volop nieuwe kansen om opnieuw onhaalbare doelen te stellen. Om het leven overzichtelijk te houden vergeten we kennelijk steeds dat we het jaar ervoor ook zo fris en vrolijk van start gegaan zijn. En het jaar daarvoor ook. Wie dat niet vergeten kan wordt cynisch en cynisme hoort niet thuis in een schoolomgeving. Daar komt bij dat ik zo’n nieuwe klas met allemaal onbekende gezichten altijd weer leuk vind. Dat gaat niet over. Ook niet na 36 jaar. Het enige dat echt jammer is, is dat ik amper tijd heb om eens echt goed naar die nieuwe klas te kijken. Ook in schoolverband is september namelijk de maand waarin alles anders moet worden. Beter natuurlijk, moderner ook en vooral meer afgestemd op de laatste eisen, voorschriften, idealen en oprispingen. Dus gaan we met duizelingwekkende snelheid van start: kennismakingsgesprekken met de ouders, informatieavonden voor de ouders, groots opgezette anti-pestprojecten, vergaderingen over zus en zo, gesprekken met allerlei diensten over die en die, groepsplannen voor twee klassen, handelingsplannen voor zes leerlingen, rooster besprekingen voor remedial teaching, technieklessen, dramalessen. En alles moet meteen. In de eerste weken na de zomervakantie slaag ik er maar zelden in de weg naar mijn lokaal te vinden zonder dat er ouders, collega’s of anders wel de directeur met de telefoon in zijn hand aan mijn mouw trekt. Maar goed, die leerlingen dus. Ik heb er intussen een glimp van opgevangen. Het zijn er 29. Het is een combinatieklas. Ik ben nooit op mijn best met een combinatieklas. Ik vertel teveel denk ik. Dat werkt goed met één klas maar is een uitputtingsslag met twee klassen. Daar komt bij dat de klas aan wie ik niets vertel en die gewoon aan het werk zou moeten zijn, regelmatig gezellig mee zit te kletsen. Per slot zijn kruisvaarders en Napoleontische oorlogen vele malen interessanter dan voltooide deelwoorden en het meewerkende voorwerpen. Het kan een tijd duren voor ik door heb dat op deze wijze de lessen aan de andere kant van de klas nooit afkomen. Ik heb in het verleden wel eens geprobeerd om alles door middel van veel zelfstandig werken en een strikte dagindeling naadloos in elkaar over te laten gaan. Gottegottegot wat was dat saai. Niet alleen voor de leerlingen, ook voor mij. De wijzers van de klok kropen gewoon vooruit. De leerstof wilde door deze aanpak ook maar geen spat interessanter worden. Lees nou eens goed, mopperde ik voortdurend, kijk, wat staat daar nou? Heb je de les nagekeken voordat je je schrift op de stapel legde? Heb je de fouten verbeterd? Waar is je weekagenda? Hoezo, ben je die kwijt, hoe moet je dan iets aftekenen? Mijn mooie lesgevende taak was teruggebracht tot een controlerende functie met veel onzinnig nakijkwerk. Geen lol, geen verwondering, geen spanning. Het kan goed zijn dat andere leerkrachten deze wijze van lesgeven het summum van goed onderwijs vinden maar ik heb er geen talent voor. Ik word er cynisch van en cynisme hoort niet thuis in de onderwijspraktijk. Dus wacht mij een jaar met veel onderbroken lessen en lessen die niet af zijn. Maar leuk zal het wel zijn en spannend ook. Tenminste…als ik eindelijk eens tot stilstand kom en kans zie om aan het werk te gaan met mijn leerlingen. In oktober dus.

zondag 7 september 2014

Grieven

Het kan wel eens een tijd goed gaan, soms ook wel een hele tijd, maar vroeg of laat krijgt iedere school er weer mee te maken: een groepje chronisch ontevreden ouders. Ze staan bij het hek, in de hal, op het fietspad. Ze schijnen altijd tijd te hebben, tijd en grieven. Die grieven kunnen het gedrag van een leerkracht betreffen of een geconstateerde omissie in het beleid: aan zus of zo wordt nooit wat gedaan, dit of dat wordt nooit gezien. Het is vaak willekeurig. Iemand uit deze groep benoemt iets en voor je als school goed en wel weet wat er gebeurt, groeit het vermeende onrecht tot grote proporties uit. Soms loopt er een lid van deze groep in een boze opwelling het kantoor van de directie binnen. Dan ligt daar ineens een levensgroot verwijt. Een klacht die op deze wijze een directeur bereikt is al in de explosieve fase. De betrokkenen hebben hun stellingen betrokken. Je kunt je als school alleen nog maar verdedigen. Vaak zonder een bevredigend resultaat. Hebben ze dan nooit een punt? Natuurlijk wel. Geen school is volmaakt. Er is overal wel iets dat beter kan. Er zijn ook kinderen die echt ongelukkig zijn in een bepaalde klas en die gebaat kunnen zijn bij constructieve overwegingen om de school te verlaten. Maar de gesprekken hierover kunnen nooit aan het hek plaatsvinden. Dat is domweg fout. Het is vooral de wijze waarop deze ouders hun grieven onder de aandacht brengen die frustreert. Er is vaak geen dialoog. Er is echter een ding die ouders die op deze wijze terecht dan wel onterecht ten strijde trekken nooit goed van te voren overwegen: wat hun gedrag betekent voor hun kinderen. Want voor die kinderen is al deze strijd toch bedoeld. Die zouden daar beter van moeten worden. Het tegendeel is vaak het geval. Kinderen wiens moeder of -in een enkel geval- vader bij het hek of in de hal staat te oreren raken vaak in een emotionele spagaat. Ieder kind gaat daar weer anders mee om. De een wordt er doodongelukkig van, de ander vindt het doodvermoeiend om na schooltijd lang te wachten omdat moeder maar niet uitgepraat raakt over de juf, de kwestie, het onderhavige. De volgende maakt misbruik van de situatie door moeder van nieuwe informatie te voorzien waarvan hij of zij haarfijn weet dat het de onmiddellijke aandacht van haar oplevert. Hoe je het ook wendt of keert, dit is schadelijk voor kinderen. Het maakt dat er een breuklijn door gezagsverhoudingen loopt die kinderen in de war brengt, ongelukkig maakt, tot slinkse praktijken kan dwingen en hen bovenal leert dat men iedere brand met benzine hoort te blussen. Er is scholen veel aan gelegen om deze ellende te stoppen. Ze worden steeds laagdrempeliger en veel leerkrachten en directeuren praten zich de blaren van de tong. Er worden cursussen gevolgd om een beter antwoord te hebben op klachten. Steeds weer wordt er gepoogd om de dialoog aan te gaan, de klachten weg te nemen, iedereen tegemoet te komen. In het belang van de kinderen, de sfeer en het leerlingenaantal. Maar onderhand wordt het tijd om te overwegen of er geen gedragsprotocol voor ouders opgesteld zou moeten worden. Niet elk gedrag is te tolereren in het kader van bovenstaande principes en uitgangspunten. Elk conflict met ouders dat vanuit zwakte – er komt misschien een echte klacht, het gaat misschien leerlingen kosten- beslecht wordt heeft de ingrediënten van een volgend conflict al in zich. Een gedragsprotocol moet in ieder geval de regels bevatten dat een verschil van inzicht tussen ouders en school nooit in het bijzijn van kinderen besproken wordt en dat een ieder zich in dient te spannen om het op te lossen. Ouders die zich niet aan deze regels houden worden verzocht een andere school te zoeken.

maandag 7 april 2014

Verantwoordelijk

Het is tamelijk ongewoon dat een kind de nacht doorbrengt in een park. Toch ging het in al de hectiek rond de tijdelijk verdwenen leerling in Amsterdam niet direct om de leerling zelf. De schokgolf concentreerde zich voornamelijk rond de school van deze jongen en de leerkracht die geen actie ondernam toen de jongen die ochtend niet op school verscheen. Ik heb veel aan deze arme collega gedacht. Ik had haar kunnen zijn. Niet vanwege een onverantwoordelijke inslag maar gewoon omdat het kan gebeuren. Net zoals ook haar het ongetwijfeld zomaar is gebeurd. Het kan immers op alle scholen gebeuren. Er zijn leerlingen die vaak ziek zijn en niet altijd opnieuw ziek gemeld worden, er zijn ouders en collega’s die per ongeluk vergeten een ziekmelding door te geven, er zijn akkefietjes die maken dat je de dag niet rustig en weloverwogen kunt starten. Het is eigenlijk een wonder dat er altijd zo veel goed gaat. Maar soms dus niet. En dan kan het zo maar gebeuren dat het hele land pardoes over je heen valt. Dat is een vreesaanjagende gedachte. Ik begrijp eigenlijk niet waarom men zo naïef is om te denken dat dit niet kan of mag gebeuren. Het is te simpel om de schuld bij de leerkracht neer te leggen en vervolgens over te gaan tot de orde van de dag. Er is soms geen orde van de dag. Het leven is niet zo eenvoudig. Iedereen heeft de plicht om het risico zo klein mogelijk te houden maar uitsluiten kun je niks. Toeval bestaat. Er zijn, zo heb ik ervaren, echter wel grote verschillen in hoe je de druk als verantwoordelijke leerkracht ervaart. Zelf heb ik in de loop van de tijd een aversie ontwikkeld tegen alle uitstapjes die zich buiten het schoolgebouw afspelen. Ik vind de verantwoordelijkheid in de school al zwaar genoeg. Ik weet nog goed hoe ik als dertigjarige leerkracht bij een kampeerboerderij aankwam met 30 leerlingen en een viertal ouders en dacht: waarom denkt men in hemelsnaam dat ik dit kan? Hoe weet men zo zeker dat deze kinderen allemaal gezond en wel weer terugkeren in de moederschoot? Ook uitstapjes op de fiets breng ik vaak in een staat van bewustzijnsvernauwing door. En natuurlijk ging er zo nu en dan iets mis of bijna mis. De plattegrond van de stad, de directe omgeving van kampeerboerderijen en pretparken staan vol met zwarte markeringen: hier dreigde Ewald bijna onder een scooter te komen, hier reed Aydin met een enorme vaart het talud af, hier viel Marleen uit het stapelbed, daar roeiden Tim en Thomas expres een andere kant op. Allemaal gebeurtenissen die onvoorzien waren. Al houd ik tien toespraken, regel ik alles dicht, dreig ik met deportatie of zware afwasdiensten, er gebeurt altijd wel wat. Twee jaar geleden: met twee klassen vertrekken we naar Summercamp Heino. Bij aankomst blijkt dat de slaapvertrekken nog niet klaar zijn en moet ik plotseling improviseren. Ik pak twee stapels met speurtochten uit mijn tas: de ene speurtocht speelt zich op het terrein af, de ander buiten het terrein en kan dus alleen onder begeleiding plaatsvinden. Terwijl de leerlingen om mij heen drommen, constateer ik dat er iemand op mijn leesbril is gaan zitten. Ik lees niet goed wat er op de boekjes staat en geef de leerlingen de verkeerde boekjes mee. Vervolgens heb ik een uur lang niks meer aan mijn leven. Terwijl ik door de weilanden van Heino fiets en naarstig speur naar de laatste twee verdwaalde leerlingen denk ik opnieuw: ik wil deze verantwoordelijkheid helemaal niet. Stel dat ik ze niet terug vind dan valt, afgezien van een enorm zelfverwijt, ook nog eens het hele land over mij heen. Toch zijn er collega’s die zingend in de bus, op de fiets of in de boot stappen dus het ligt ook beslist aan mij.

zondag 30 maart 2014

Chaos

Ik heb de tafels allemaal van elkaar laten schuiven met de rekeninstructie. De leerlingen kunnen niet anders dan naar mij kijken. Vandaag leer ik ze voor het eerst om breuken gelijknamig te maken. Het is een klus. Ik zie lichte wanhoop in sommige ogen. Ik doe voor, stel gerust. Het maakt niet uit dat je het nog niet begrijpt. Ik help wel, herhaal wel, oefen wel. Dan kijkt Sarah in haar rekenboek. Oef, we moeten ook nog aftrekken straks! Doe het boek maar dicht, zeg ik. Vandaag tellen we alleen maar op. Voor de meesten is dit moeilijk. Ook voor hen die het niet moeilijk vinden is het moeilijk. Dat krijg je als het overgrote deel van de klas uit meisjes bestaat. Jee, ik snapte het net nog! Ik weet het geloof ik niet meer, juf. De reken methode helpt niet. Deze methode is zelfs de vijand. De eerste rij gaat over optellen, de tweede rij over aftrekken en de derde rij werkt met noemers die allebei omgezet moeten worden in een andere noemer. Methoden helpen tegenwoordig zelden meer mee om de zaak overzichtelijk te houden. Ook niet voor de leerkracht. O gut willen ze nu al de volgende moeilijkheid aan de orde stellen, mopper ik soms hardop terwijl ik ongelovig in het boek staar. Vooral bij rekenen staan de lastigste sommen vaak aan het eind van de rij. Als we allemaal al doodop zijn. Mijn leerlingen haasten zich op zulke momenten om mij van welgemeende adviezen te voorzien. Zullen we het maar overslaan juf? Ja, doe dat maar. Ook de moderne taalmethoden zijn tegenwoordig een ratjetoe. Was het voorheen in groep 7 voldoende om de persoonsvorm, het bijvoeglijk naamwoord, het voltooid deelwoord en een enkele verdwaalde oefening in voorzetsels in te oefenen. Nu komen ook nog het lijdend voorwerp, het meewerkend voorwerp, het gezegde, het werkwoordelijk gezegde, het bezittelijk voornaamwoord, het persoonlijk voornaamwoord en het aanwijzend voornaamwoord voorbij. Ook hier is het chaos troef: de les wordt aangeboden, er wordt een paar keer geoefend, de kwestie wordt vergeten en duikt pas in de toets weer op. Als je een week ziek geweest bent kan het maar zo zijn dat het hele begrip niet kent als de toets voor je ligt. Een methode is een moeilijk neembare hobbel geworden. Alles komt er in aan de orde, met een snelheid die je de adem beneemt maar er is geen tijd om het goed in te slijpen. Dat geldt ook voor de gemiddelde schoolorganisatie. Een school moet in dit tijdsgewricht concurreren. De spoeling is dun en wordt steeds dunner. Het leerlingenaantal slinkt bij alle zuilen. Opvallen doe je helaas niet met gedegen lessen en een rustige en aandachtige leeromgeving. Opvallen doe je met feesten, projecten, acties, spectaculaire maandsluitingen of weekopeningen. Opvallen doe je door in de plaatselijke krant te komen, in de Wijkwijzer de loftrompet te steken over je school of door speelvelden in halve kermisterreinen te veranderen. Artikelen over indrukwekkende taal en rekenlessen zie je zelden of nooit. En dat betekent dat onze ‘corebusiness’ regelmatig hevig onder druk staat. Een feest, een project, een spectaculaire weekopening ontregelt–hoe leuk ook- de normale lespraktijk behoorlijk. Een groot deel van de lessen vervalt of staat onder druk vanwege een zware bas die het inoefenen van de optredens van andere klassen begeleidt. Het is een jachtig vak, dit vak. Er moet veel en alles is zogenaamd belangrijk. En juist omdat er veel moet en alles belangrijk is ligt er chaos op de loer. Het valt niet mee om dag in dag uit de juiste maat te vinden te midden van al dit gedoe. De kern van goed onderwijs is orde. De praktijk is het geven van lessen uit chaotisch samengestelde methoden in een bij tijd en chaotisch leeromgeving.

Onderbrekingen

In het begin van het schooljaar bracht ik mijn opvatting over hoe het klassengesprek aan het begin van de dag diende te verlopen vriendelijk onder hun aandacht, daarna werd de toon wat beslister en de aankondigingen van eventueel toekomstig onheil veelvuldiger. Toen dat ook niet hielp volgden er sancties: pak je bibliotheekboek en ga maar in het tussenhok zitten. Verdwijn maar naar de gang, je kunt je kennelijk niet aan een paar simpele regels houden! Het is voor een aantal leerling niet mogelijk om een ander te laten uitspreken. Met een hardnekkigheid die tamelijk uniek is in mijn loopbaan kwaken ze regelmatig door een verhaal van een klasgenootje of van mij heen. Ja, maar mijn pil werkt nog niet, grinniken ze dan. Niks mee te maken, grom ik boos. Of denk je soms dat je baas je daar later ook mee weg laat komen? Ja, eigenlijk denken ze dat wel. Die pil maakt, zolang hij niet werkt, kennelijk elk gedrag aanvaardbaar. Als ik alle onwelkome interventies vakkundig heb gepareerd volgt het tweede deel van het hardnekkige gedrag waar ik dit schooljaar mee te kampen heb: iedereen wil zijn of haar boek ruilen. Dat kan niet, knetter ik, het bestaat niet dat jullie gisteren aan het eind van de leesles allemaal tegelijk jullie boek uit hadden. Toch is het zo, beweren ze doodleuk. Het lijkt inderdaad wel toevallig maar het is echt zo. Ik heb overwogen om het maken van boekverslagen weer in te stellen maar ik haat het maken van boekverslagen en ook daar weten deze kinderen vast wel raad mee: wie is de hoofdpersoon? Piet. Wat vond je leuk aan het boek? Niks! Was het spannend? Een beetje. En ik maar lezen en lezen en zij maar ruilen en ruilen. Bah. En zo komt het dus dat ik om 9.00 ’s morgens al flink de pest kan hebben aan mijn leven als schooljuf. Als ik eindelijk rustig achter mijn bureau zit en het rekenboek pak om vast wat sommen door te kijken voor de komende instructie begeeft niet zelden de halve klas zich in mijn richting. Plotseling is het zicht op de andere helft weg. Juf, ik wou nog vragen…, ik wou nog zeggen.., juf, gaan we nog…, u had toch beloofd dat…. Ga eens zitten allemaal, zucht, steun, kreun ik dan. Maar het helpt niet. Ik moet het echt allemaal weten. Zij moeten het echt allemaal vragen. Er is geen ontkomen aan. Het is namelijk belangrijk dat ik overal van op de hoogte ben, dat ik weet hoe het thuis gaat en hoe het onderling gaat. Ook bij het eten en drinken, na de ochtendpauze, na de middagpauze staat er onveranderlijk een groep leerlingen om mijn bureau heen. Het lijkt wel alsof al mijn gemopper geen enkele zode aan de dijk zet. Ze zijn er van overtuigd dat ik het niet meen. Niet zelden staan ze zelfs voor me met een tekening in de hand waarop ik afgebeeld staat als een hoogblond, piepjong, vriendelijk lachend wezen dat alleen goeds in de zin heeft. Voor de liefe juf…staat er dan boven. Maar ik ben helemaal geen lieve juf, denk ik dan wat aangeslagen, ik loop de hele dag ontzettend de baas te zijn, ik regel, ik wijs, ik oordeel, ik straf. Er moet toch iemand orde brengen in het gedrag van dit wat chaotische stel. Ook op repetities tref ik in de kantlijn om de haverklap hartjes aan van leerlingen die ik soms de hele dag op de huid zit. Voor de juf! En ja, dat ontwapent mij. En nee, dat maakt niet dat ik me anders opstel.

zaterdag 22 februari 2014

Ontfutselen

A man’s got to do what a man’s got to do. Het zou mijn lijfspreuk kunnen zijn als ik geen vrouw was geweest. Alles hoeft niet per definitie leuk en aangenaam te zijn in het leven. Het lijkt me zelfs tamelijk vervelend om in de veronderstelling te leven dat hobbels er zijn om te vermijden. Ook mijn leerlingen breng ik met enig enthousiasme deze les bij. Ja maar dat is niet leuk juf. Jammer dan jongen. Moet het per se? Ja dat moet per se! Mag ik misschien in plaats van Geobas ook…? Nee, dat je mag niet! Hele vormende momenten zijn het. Ze zorgen ervoor dat ik me tevreden voel over mijn plaats in dit ondermaanse. Al denken mijn leerlingen daar waarschijnlijk anders over. Toch valt het niet altijd mee om dit hoogstaande principe vol te houden. Zeker niet nu ik mij voor het eerst in mijn loopbaan genoodzaakt zie digitale rapporten aan het leerlingvolgsysteem Parnassys te ontfutselen. Parnassys is namelijk een entiteit. Een entiteit met een narrig karakter. Hij wordt chagrijnig als er teveel mensen tegelijk een beroep op hem doen. Dan houdt hij gewoon met alles op en staart hij de andere kant op. Je kunt klikken wat je wil maar je komt nergens meer in. Ook geeft hij niet snel iets terug wat je er zelf eerst ingestopt hebt. Zo weet deze entiteit allang wat de Citoscores zijn van mijn leerlingen maar weigert hij ten ene male om die bij het digitale rapport weer tevoorschijn te laten komen. Dan moet ik er dus een andere laptop naast zetten of een kopie maken van de gegevens en die er vervolgens handmatig opnieuw weer inzetten. Van zoiets kan ik witheet worden dus de relatie tussen mij en Parnassys is een tamelijk gewelddadige. Het is gewoon onwil van die vervelende vent want de resultaten van de methodetoetsen geeft hij zonder morren. Alleen heeft hij daar weer een ander rottigheidje verzonnen: er staat een hokje achter de resultaten van de methodetoetsen. In dat hokje kun je gewoon iets invullen. Dus vulde ik daar iets in. Fout! Als bij toverslag verdwenen daarna alle ingevoerde gegevens. Ook die van taal, wereldoriëntatie, bewegingsonderwijs. Alles! Het duurde een eeuwigheid voor ik door had dat het dit hokje was dat alles ontregelde want met andere hokjes, die er precies zo uitzagen, was niets aan de hand. Mijn laptop heeft deze speurtocht naar de dader dan ook bijna niet overleefd. Het grillige karakter van de heer Parnassys komt wel het meest tot uitdrukking in het uiteindelijke resultaat. Zelfs de NSA zou er geen raad mee weten denk ik: Cito Rekenen: B, methodetoetsen Rekenen: 7.1. wereldoriëntatie: RV. Voor leerkrachten is de code snel te kraken. Maar de gemiddelde vader, oma, tante? Die moeten eerst een studie maken van de bijgeleverde handleiding alvorens ze hun portemonnee kunnen trekken. Ook voor de leerlingen – zeker de hele goede- is het nieuwe rapport geen pretje. Die legden er voorheen veel eer in om als eerste de ‘zeer-goedjes’ te tellen. Hoeveel heb jij er? Ik heb er zes! Wat moeten ze nu tellen? De A-tjes, de G-tjes, alles hoger dan een 8.1 of 9.1. ? Lastig. Dus nee, deze nieuwe hobbel in mijn beroepsmatige leven is er vooralsnog niet een die ik manmoedig neem. Het is niet leuk, het is vervelend dat het perse moet en ik zou graag, heel graag, iets anders willen doen dan dit! De heer Parnassys en ik zullen eerst in relatietherapie moeten voor we samen verder kunnen. En reken maar dat ik duidelijk zal maken dat vooral hij moet veranderen en dat er niets van mijn kant alleen zal komen. Ik heb al genoeg geïnvesteerd in dit stuk chagrijn. Ik moet zelfs oppassen dat ik er niet net zo chagrijnig naast ga zitten