zaterdag 23 februari 2013

Project.

Jacco heeft zijn jas al in de hand. Juf, de onderdelen voor mijn piramide zijn weg, ik ga weer even naar de Decamarkt dozen halen! Dat meen je niet, zucht ik wanhopig, dat is nu al de tweede keer dat alles weg is. Jacco kijkt mij verontwaardigd aan. Ja, daar kan ik toch niets aan doen! O, jawel, zeg ik beslist, je had al die uitgezaagde driehoeken best in je kastje kunnen bewaren. Zo groot waren ze niet. Hij trekt een pruilmondje. Ja maar ik heb nu niets. Dit is de laatste keer Jacco! Goed juf. Jacco racet er vandoor. De trap af, de voordeur door, het veld over. Ik ben ervan overtuigd dat hij het erom doet. Dozen halen is het enige deel van het project over het oude Egypte dat hij kan overzien. Ook Tim, Okan en Danielle hebben moeite om op gang te komen. Ze hebben hun laptoppen naast elkaar opgesteld. Ik zie er alleen de achterkanten van. Zo’n opstelling maakt me altijd achterdochtig. Vooral om dat er steeds hetzelfde gebeurt als ik hun kant op loop: met hun rechter wijsvinger klikken ze razendsnel op de muis terwijl ze hun hoofden simultaan op hun linker elleboog laten zakken ten teken van het feit dat het allemaal niet mee valt. Het is moeilijk juf, erg moeilijk! Zo, zeg ik als het me te gortig wordt, jullie hebben nu tijd genoeg gehad, laat maar zien welke goden jullie gaan naschilderen. Tim wijst op een portret van Anubis. En jij, vraag ik aan Okan. Eh…ik doe Hathor wel. En Danielle? Ik doe niet meer mee, klinkt het boos, ik moet steeds maar Isis van ze doen maar ik wil Anubis ook! Als ik over vijf minuten terug kom hebben jullie de taken verdeeld, zeg ik beslist. In de kleine gymzaal spelen een vijftal meisjes en een jongen een toneelstuk over Caesar en Cleopatra. Ze zien er prachtig uit. Witte kleding, zwarte pruiken, sandalen. De gemoederen zijn echter verhit. Sanne zit met haar armen over elkaar als ik binnen kom. Het verhaal verandert steeds, zegt ze narrig tegen mij, ik kan het zo niet spelen! Anna kijkt haar kwaad aan. Je hebt gewoon niet goed geluisterd toen het verhaal uitgelegd werd! Dat komt omdat je steeds de baas speelt, ik hoef toch niet altijd maar naar jou te luisteren, antwoordt Sanne verontwaardigd. Wel als je wilt weten waar het verhaal over gaat, snibt Quincy. Ik probeer de ruzie te sussen. Laat maar eens zien wat jullie al hebben. Halverwege de voorstelling trekt Thomas aan mijn mouw. Ik moet zo iets doen wat ik heel raar vind juf, fluistert hij. Ik ben benieuwd jongen, antwoord ik. Aarzelend loopt hij het toneelspel in. Ah, daar hebben we Ceasar, roept Cleopatra verrukt. Thomas draait zich om. Hij heft zijn handen omhoog. Ik vind het dus heel raar maar…Speel maar door, gebaar ik. Caesar neemt Cleopatra houterig in zijn armen en drukt een halfbakken zoen op haar hoofd. Daarna kijkt hij mij ongelukkig aan. Ik denk dat het heel goed word, grinnik ik terwijl ik op weg ga naar het handenarbeidlokaal. Daar wordt de Nijldelta nagebouwd. De piramides zijn van suikerklontjes die zorgvuldig met zandkorreltjes worden beplakt, de Nijl wordt geconstrueerd van een halve Pvc-buis en de woestijn er omheen is enorm. De halve kleuterzandbak is het lokaal binnen gesleept. Misschien moeten jullie je daar in beperken, zeg ik terwijl ik een bezem pak. Dat weten we juf, moppert Jorrit, maar het enige dat Richard wil doen is zand halen. Inmiddels is Jacco terug gekeerd met wel vier bananendozen. Ja juf, ik dacht ik neem maar voldoende dozen mee dit keer, straks is mijn werk weer weg. Achter mij stormt Danielle het lokaal in. Ik wil die stomme Isis niet doen hoor. Kan ik niet ergens anders aan meedoen?

zondag 10 februari 2013

Pesten.

Ik doe mijn best om niet te knipperen en mijn ogen strak op het digibordscherm te houden maar het valt niet mee om zo koelbloedig te blijven. De presentator van het Jeugdjournaal heeft zojuist verkondigd dat de staatsecretaris van Onderwijs van mening is dat juffen en meesters niet goed met pesten om kunnen gaan en dat er daarom nieuw beleid ontwikkeld wordt. De klas heeft zich in een beweging omgekeerd om mijn reactie te peilen. Ze voelen heel goed aan dat het hier niet om een neutrale berichtgeving handelt maar om een heuse beschuldiging. Mijn reactie is in werkelijkheid heel wat minder cool dan het lijkt. Ook als er krantenberichten over de vermeende tekortkomingen van leerkrachten verschijnen of ouders de school binnenstormen met een duidelijk verwijt op dit gebied dan voel ik dezelfde mix van wanhoop, woede en –naarmate ik ouder word- doffe gelatenheid. Hoe halen de beschuldigende partijen het toch altijd opnieuw in hun hoofd dat de oeroude driften en neigingen die tot pestgedrag leiden als sneeuw voor de zon zullen verdwijnen op het moment dat leerkrachten zich competenter zouden tonen. School ze bij, breng ze aan de galg! Terwijl ik daar voor de ogen van mijn leerlingen in de hoek word gezet zie ik Richard zitten. Hij is de eerste aan wie ik denk als het over pesten gaat in deze klas en al mijn inspanningen hebben tot nu toe niet het door mij gewenste resultaat gebracht. Ik heb sancties ingesteld, klassengesprekken gevoerd, tijdens de pleinwacht ingespannen de ontwikkelingen op het veld gevolgd, ik ben zelfs een keer in razernij ontstoken. En o ja, niemand durfde op het laatst zomaar op hem te gaan zitten op het plein – een geintje juf, gewoon een geintje- of hem te weigeren bij het groepswerk (we waren met voldoende kinderen juf, er kon niemand meer bij). Ze passen nu wel op om massaal met sneeuwballen in de hand op hem af te lopen als ik daar oppermachtig sta te turen. En toch, en toch…ik ben er niet echt blij mee. Ze doen het voor mij. Sommigen vinden het oprecht vervelend als ik me er over opwind. Is dat pesten wat ik doe? O gut wat erg, ik wil helemaal niet pesten juf, zo ben ik niet. Anderen vrezen de sancties. Maar wat mij steeds opnieuw frappeert is dat dit gedrag sterker is dan henzelf. Ze worden aangestuurd door iets dat ze niet begrijpen maar hen wel drijft: angst om zelf uit de groep te vallen, angst voor te soft aangezien te worden. De jongens in deze groep worden aangevoerd door twee bully’s. De een wat zachtaardiger dan de ander. De anderen volgen, strijden, klimmen op in de hiërarchie, dalen soms weer plotseling. Het is allemaal goed en wel wat de juf wat over pesten beweert maar wat als zij zelf straks onderaan de hiërarchie bungelen in plaats van Richard? Je kunt - je moet zelfs- als leerkracht de leerlingen inzicht verschaffen in dit soort processen, je moet ze trainen in sociale vaardigheden, straffen uitdelen, verzoeningen tot stand brengen maar het is een illusie om te denken dat het mogelijk is om pesten de wereld uit te helpen. Wie dat denkt simplificeert.En dan heb ik het nog niet eens over Richard zelf gehad. Zijn gecompliceerde positie wordt nog eens ernstig bemoeilijkt door zijn eigen gecompliceerde reactie op het groepsgedrag van zijn klasgenootjes. Dat kan ook natuurlijk niet anders. Maar het maakt het ingrijpen van mijn kant nog ingewikkelder. Nee hoor, moppert hij als ik een plek voor hem in een groepje regel, nu hoeft het niet meer. En als hij eindelijk niet meer de pineut is bij het inpeperen op het veld zie ik dat hij het hardst op anderen inloopt.

zondag 27 januari 2013

Verkenning

Tijdens een taalles bespreken we het woord ‘denkbeelden’. Jorrit steekt zijn vinger op. Je kunt rechtse denkbeelden hebben en linkse, zegt hij. Ik knik. Heel goed! Kun je ook uitleggen wat bijvoorbeeld een rechts denkbeeld is? Ja, dan vind je het niet zo erg dat sommige mensen erg rijk worden, dan denk je dat rijke mensen gewoon beter hun best doen dan arme mensen. En een links denkbeeld, vraag ik. Dan vind je het erg dat er hele arme mensen zijn, antwoordt hij, dat vind je dan zielig, die wil je dan helpen. De klas luistert ademloos. Jorrit weet veel. Keer op keer overvalt hij ons met zijn bijna volwassen inzichten en uiteenzettingen. Kenneth steekt zijn vinger op. Ik denk, zegt hij, dat denkbeelden ook beelden zijn die je in je hoofd kunt zien. Je denkt er gewoon aan en dan zie je ze. Er klinkt instemmend gemompel. Ja dat zijn ook denkbeelden. Dan neemt Daan het over. Kan het ook zijn juf dat je je soms dingen verbeeldt, dat je denkt dat je iets ziet maar dat dat er helemaal niet is? Ik knik. Je bedoelt dat iets denkbeeldig kan zijn. Ja precies, antwoordt Daan. Er klinkt rumoer op. Dat heeft Maarten, dat heeft Maarten, klinkt het. Wat heeft Maarten, vraag ik verwonderd. Een denkbeeldig vriendje! Ik kijk Maarten aan. Die kijkt vrolijk terug. Ja, die heb ik, zegt hij, hij heet Willy. En hoe vaak spreek je hem dan? Elke dag, antwoordt Maarten. Hoe ziet hij eruit, vraagt Bastiaan geamuseerd. Hij heeft lang haar en hij is heeeeel druk. O, dan moet het de tweelingbroer van Ozan zijn, grinnikt Mick. De klas schatert het uit. Ook Ozan heeft de grootste lol. Daar lijkt Willy inderdaad wel wat op, bevestigt Maarten, maar hij lijkt ook op mijzelf. Gaat hij wel eens mee naar school, vraag ik. Heel soms, niet vaak. Dan zit hij daar in die hoek! Bastiaan steekt zijn vinger op. Bij mij ligt er ’s avonds vaak iets denkbeeldigs onder het bed. Het valt stil. Bij Bastiaan? Die grote, aanwezige, stoere, jongen. Is hij bang in het donker? Bastiaan kleurt een beetje rood. Ik ben er echt bang voor hoor, mompelt hij zachtjes. Dan klinken er instemmende geluiden. O ja dat heb ik ook. Ja ik ook. Juf! Mark vraagt de beurt. Mick heeft mij verteld dat hij ook vreemde dingen ziet. Hij ziet dingen die ik niet zie. Ik kijk Mick aan. Is dat waar? Mick knikt. Ik zie kleuren om mensen heen, legt hij uit. Ik zie ze niet altijd hoor maar bij sommige mensen zie ik het heel duidelijk. Juf Olga is bijvoorbeeld heel erg blauw. Ik knik. Dat is heel bijzonder Mick. Dat wat je ziet zijn aura’s. Sommige mensen kunnen dat zien. De meeste mensen niet. Mick kijkt mij opgelucht aan. Als ik het vertel moeten mensen meestal heel erg lachen. Nou ik niet, antwoord ik terwijl ik opsta van mijn kruk maar het wordt tijd dat we de taalles gaan maken die hier bij hoort. Hè nee, klinkt het. Kom op jongens, aan het werk, houd ik vol terwijl ik naar mijn bureau loop, als jullie klaar zijn kunnen jullie verder met jullie werkstuk. Na een kwartier staan de eerste leerlingen op om een laptop uit de kar te halen. Sarah en Michelle buigen echter af en lopen naar mijn bureau. Juf, mogen we voor een keer iets anders doen? We willen zo graag meer weten over denkbeeldige vriendjes en aura’s en zo. Hoe willen jullie dat aanpakken, vraag ik. Nou eerst gaan we Maarten en Mick interviewen en daarna gaan we op het internet meer zoeken over deze onderwerpen. Dat is goed, zeg ik. Ze maken allebei tegelijk een huppelsprongetje. Mogen we dan in het kamertje?

zondag 13 januari 2013

Column. Ehm...

Er zijn jongetjes die niet meer op hun plaats kunnen blijven zitten. Ze kruipen langzaam naar voren zodat ze de tekst op het digibord nog kunnen beter kunnen lezen. Daar staan de namen van 17 mensen die binnen tien jaar doodgingen nadat ze in 1922 het graf van Toetanchamon waren binnen gedrongen. Allemachtig! Gelooft u in die vloek, vraagt David ademloos. Ik hef mijn handen omhoog en schud mijn hoofd. Ik weet het niet, zeg in alle eerlijkheid, het kan toeval zijn, het kan om een vergiftigde atmosfeer in het graf gaan maar gek blijft het allemaal wel. Reinout knikt aandachtig, het was wel een hele oude beschaving, vult hij aan, misschien wisten ze meer van zwarte magie dan wij nu. Het valt stil. Alle ogen van de kinderen in deze klas kijken gebiologeerd naar de opsomming op het bord. Alle ogen? Als ik in het halfduister achter de samengeklonterde groep jongens tuur, zie ik dat zeker zes meisjes zijn achtergebleven. Ze kneden boerderijdieren van kneed gum of tekenen aandachtig. Dames, wat heb ik zojuist verteld over de vloek van de farao, vraag ik. Ze schrikken op en kijken mij met een lege blik aan. Ehmm..Ehmm…Vloek, vloek? De jongens kijken verbijsterd om. Nou ja zeg, hoe kan je dit nou niet willen weten? Het is niet de eerste keer dat ik mij verbaas over de geringe belangstelling die deze meisjes tonen voor de raadselen die ons omgeven. Ze willen het liefst tekenen, in agenda’s kleuren, plaatjes over paarden bekijken, poppetjes kneden en naar sites surfen die over fotomodellen handelen. Hun wereld is vriendelijk, kleurrijk en licht. Laat de juf maar samen met alle jongens over de kosmos, middeleeuwse martelingen en griezelige vloeken praten, wij hebben hier wel wat vrolijkers te doen. Ook tijdens rekenlessen valt het niet mee om de aandacht van deze meisjes bij de les te houden. Noortje, kom je deze som even voordoen op het bord? Ehm…ik heb per ongeluk niet geluisterd. Waar is je schrift Samira, ik zie alleen maar een complete boerderij op je tafel. Voorzichtig pakt Samira al haar knutseldiertjes op en zet ze op een kast. Dan begint ze aan haar speurtocht naar haar schrift. Maar soms verschijnen er ineens donkere wolken boven deze roze wereld van knutsels, frutsels, fotomodellen en boerderijdieren. Er rommelt iets, er flitst een bliksemstraal, er komt iets dreunend dichterbij. Ik zie het nooit aankomen. Ik sta al tientallen jaren voor de klas maar ik ben altijd te laat om de eerste barsten in het meisjesparadijs op te merken. Aan het eind van een vrijdagmiddag voegen zich Noortje en Samira bij me. Noortje huilt. Ze snikt iets iets over een computerspel en dat ze nu ‘alles kwijt’ is. Ik begrijp er niets van. Ik denk in mijn onschuld dat Samira meegekomen is ter ondersteuning. Deze meisjes zijn immers vriendinnen. Maar nee, Samira blijkt de oorzaak van alle ellende, de hoofdschuldige, zij moet gehangen worden en wel meteen. Maar waarom, vraag ik niet begrijpend. Dan barst Samira eveneens in een onbedaarlijk gesnik uit. Ik ben helemaal geen hacker, snottert ze, ik heb helemaal niets weggehaald! Dat zou ik nooit doen. Hoe kan Noortje dat nu denken? Hacker, hacker, vraag ik dommig, wat kan je dan hacken als tienjarige? Alles, snikt Noortje, ik ben alles kwijt en ik heb alleen maar aan Samira mijn wachtwoord gegeven. Dus zij moet het gedaan hebben! Ik kijk de aangeklaagde aan. Ik heb het niet gedaan, snikt deze. Maar je hebt wel het wachtwoord van Noortje doorgegeven, gok ik. Samira kijkt me stomverbaasd aan. Ja, geeft ze snikkend toe, ik heb het aan Sophie gegeven maar die heeft gezworen…Haal Sophie maar, zeg ik. Ik zucht diep en verlang acuut naar een wereld van oude vloeken en de middeleeuwse martelingen. Zoveel overzichtelijker.

zondag 16 december 2012

Tutor

Ooooo, ik vind dit toch zoooo leuk, roept Sharon uit groep 3 als ze om kwart voor negen mijn klas binnenhuppelt. Ze gaat snel naar de tafel van Bastiaan waar haar stoel al klaar staat. In een mum van tijd zijn ze samen aan het lezen. Doorgaans kost het Bastiaan een minuut of tien voordat hij zich over een boek buigt. Dit is anders. Dit vindt hij leuk. Net als de rest van de klas sprong hij een gat in de lucht toen ik had aangekondigd dat we gingen starten met het tutorlezen. Bij de meeste tweetallen gaat het dan ook van meet af aan uitstekend. Overal zie ik aandachtig gebogen hoofden. Alleen Mohamed zit erbij als een boer die kiespijn heeft. Ik besluit het even aan te zien maar als hij na een kwartier zelfs achterstevoren gaat zitten loop ik naar hem toe. Wat is er met jou, vraag ik fronsend. Hij kijkt me gefrustreerd aan. Die gast luistert voor geen meter, klinkt het boos, hij begint gewoon achteraan in het boek en leest expres woorden die er niet staan. Ik kijk de ‘gast’ aan. Het is David. Klopt dat? David haalt zijn schouders op. Het klopt dus, stel ik vast. David is zes. Hij zit een vreemde klas bij een vreemde juf, omgeven door grote vreemde kinderen en hij is nergens van onder de indruk. Hij volgt zijn eigen regels. Even ben ik uit het lood geslagen, dan herneem ik mij en houd een stevige toespraak. Nukkig buigt David zich over het boek. De rest van de tijd blijft hij gemelijke blikken naar me werpen. Dan staat Sophie ineens voor me. Mag ik naar de wc, vraagt ze opgewonden. Ik aarzel. Ach meisje, het is maar twintig minuten, je gaat zo meteen al weer terug naar je eigen klas en je eigen wc. Op het gezicht voor me verschijnt een teleurgestelde blik. Dan klaart het plotseling op. Ze zet haar ene been voor haar andere been, buigt zich ietwat voorover en kermt: maar ik moet heeeeel nodig. Ik begrijp plotseling waarom het urgent is en wapper met mijn hand. Snel dan! Sophie racet de gang in en gaat opgewekt op zoek naar die nieuwe spannende w.c. Twee tellen later staat Anne voor mijn bureau. Ik moet ook heeeel nodig. Ga maar gauw, zeg ik, maar je bent wel de laatste! In de klas klinken teleurgestelde zuchten op. He wat jammer nou. Het blijft weer even aandachtig stil. Dan klinkt er een langgerekte uitroep. Wie is dat, vraag ik streng. Shawn wijst op het jongetje dat hij begeleidt. Het is Micky, tot voor kort woonachtig in een Aziatisch land waar zijn oma hem op handen droeg en alles in het werk stelde om zijn leven zo aangenaam mogelijk te maken. Nu hij zich in Nederland bij zijn moeder en nieuwe vader heeft gevoegd verwacht hij die handen nog elk moment. Helaas neemt tot nu niemand de honneurs waar. Waarom maak je zomaar lawaai, vraag ik. Micky kijkt me verveeld aan. Duurt dit nog lang, vraagt hij. Ja, zeg ik, heel lang. Shawn grinnikt en duwt het boek weer voor de neus van zijn buurman. Ik zie aan Mickey dat het hem niet lekker zit. Even later steekt hij zijn vinger op. Juf…? Juf…? Wat is er Mickey? Ik kan niet lezen met zoveel lawaai juf! Alle kinderen in de klas kijken op van hun boek. Lawaai? Het is hier maar een keer lawaaierig geweest Mickey en toen was jij het die zo schreeuwde, antwoord ik. Ja maar…. Ik wil je niet meer horen! Mickey buigt zich over het boek. Ook hij blijft de rest van de les gemelijke blikken werpen. Rare juf hier. Intussen komen Sophie en Anne terug van de wc. Oooo, het was daar ook zoooo leuk!

zaterdag 1 december 2012

Bullebakjes

Ik maan de klas tot stilte. Denk eraan, zeg ik terwijl ik nog net niet mijn handen in de zij zet, als we zo buiten gaan spelen, wordt er niet op Tobias gezeten! Er klatert een lach op. Nee hoor, juf, grinnikt Bastiaan, we zullen dat echt niet meer doen. Als ik even later met een kopje koffie in mijn hand naar buiten loop, zie ik toch twee kinderen in de kou op de grond liggen. Tot mijn verbijstering is Tobias de onderste. Wat zullen we nu hebben, fulmineer ik. Bastiaan schiet overeind. Hij kleurt rood. O sorry, vergeten. Tobias staat op en slaat het zand van zijn kleren. Hij lacht. Ik stuur Thomas naar binnen. Waarom lach je er eigenlijk altijd om, vraag ik, zo leuk lijkt het me allemaal niet. Tobias kijkt mij ongelukkig aan. Ik weet niet zo goed wat ik anders moet doen, piept hij. Er zitten 16 jongens in deze klas. Het ene moment hebben ze ontzettend veel plezier met elkaar, het andere moment spelen ze onbewust hardvochtige scenes uit het boek Lord of the Flies van William Golding na. De laatste weken is Tobias de pineut. Maar het kan ook Rutger zijn of Shawn. Steven en Bastiaan zijn het nooit. Deze jongens hebben de onbetwiste leiding. Het zijn vriendelijke bullebakjes. De macht die ze hebben maakt zowel het beste als het slechtste in hen wakker. Ze kunnen geweldig loyaal, ruimhartig en vriendschappelijk zijn. Voor Bastiaan geldt dat zelfs letterlijk. Hij omhelst zijn vrienden om de haverklap. Kom hier, kom hier, kom naast me zitten, sist hij regelmatig. Zo gauw de uitverkorene naast hem neerstrijkt slaat hij zijn arm om hem heen en drukt zijn vriend stevig tegen zich aan. Soms zit er aan de andere kant een al even beknelde favoriet. Kun je zo echt prettig schooltelevisie kijken, vraag ik dan verbaasd. O ja knikt het in elkaar vervlochten drietal. Echt wel! Steven heeft een andere manier om zijn leidinggevende positie veilig te stellen. Hij steunt zijn ‘maten’ door dik en dun. Zelfs al hebben ze zojuist een andere leerling een rotschop gegeven en zijn ze op weg naar de schoolmeesterlijke rechtbank, dan nog sissen de steunbetuigingen over het plein: ik wacht op je jongen! Zet hem op hè? Het valt niet altijd mee om de macht van deze bullebakjes in goede banen te leiden. Er zijn dagen dat de bladeren zo hard van de bomen waaien, de getergde moeders van laag in de hiërarchie staande jongens zo snel op hun fietsen springen en de vuisten van de meer assertieve slachtoffers zo hard uithalen dat ik even denk dat ik het niet ga redden. Het zijn oeroude krachten die ik daar soms op een vrijdagmiddag met een vermoeid lijf sta te bedwingen. Maar het gaat altijd weer voorbij. Ook Steven en Bastiaan hebben mijn hulp soms hard nodig. Want macht verwerven is een ding, macht behouden een ander. Op een dag komen een aantal meisjes mij verbaasd melden dat Steven huilend achter een muurtje staat. Ik zoek hem op en wacht tot het ergste gesnik voorbij is. Zeg het maar. Ze hebben me weggestuurd, snikt hij. Ik zie aan hem dat hij het niet geloven kan. Weggestuurd, vraag ik, waarom dan? Ze zeggen dat ik te groot ben en veel te zwaar! Ik kijk om de hoek van de muur. In de verte zijn de jongetjes uit de klas aan het bokspringen. Steeds hoger springen ze, steeds meer bokken worden er achter elkaar gezet. Ze gieren het uit van plezier. Het massieve lichaam van Steven heeft hem veel succeservaringen opgeleverd bij het vergaren van een absolute machtspositie in deze klas maar nu laat het hem in de steek. Weggestuurd, afgedankt. En niemand die sist: we wachten op je jongen. Zet hem op!

zaterdag 17 november 2012

Het spoor bijster

Een paar maand geleden kwam hij ‘s morgens regelmatig met veel lawaai de trap opgerend maar zijn medicatie heeft daar nu een eind aangemaakt. Meestal merk ik het niet eens dat Rutger al binnen is. Hij lijkt een beetje op een kuikentje dat net uit het ei is en wat verdwaasd rondstapt. Wat doe ik hier toch, lijkt hij te denken, waarom moest ik hier ook al weer zijn? Hij loopt wat onzeker naar zijn tafeltje, rommelt in zijn kastje, loopt in de richting van het groepje van Tijmen, aarzelt, keert om, spreekt Stephen aan, stopt halverwege in de zin, fladdert wat met zijn handen en blijft dan besluiteloos om zich heen staan kijken. Hoewel het oppervlak van het lokaal klein is en er 27 leerlingen in zitten, lijkt Rutger op een eiland te wonen. Het is om een of andere reden altijd wat leeg om hem heen. Het leven is niet altijd even makkelijk voor hem. Hij moet zich inspannen om de sociale interacties te doorgronden en ook bij de instructie en het zelfstandig werken raakt hij het spoor snel bijster. Als ik dat niet op tijd door heb, verdwijnt hij naar de wc. Tjonge, jonge jonge wat heb jij een lastige blaas, mopper ik dan terwijl ik vergeefs op de deur van het toilet klop, hoe langer je hier zit, hoe groter je achterstand wordt, kom er nu af, we maken gewoon een nieuwe werkafspraak. Aan de andere kant van de deur wordt er dan vervolgens hartgrondig gezucht. Ik moet gewoon plassen hoor, klinkt het verongelijkt. Hij heeft een kort lontje. Dat zit hem zelf nog wel het meeste dwars. Ik weet soms niet wat er met mijn hoofd gebeurt, zegt hij als ik hem na een korte felle vechtpartij vraag hoe dit nou zo gekomen is. Er ploft iets, legt hij verontschuldigend uit, ik wil het eigenlijk niet maar het gebeurt gewoon. Als het over is heb ik altijd hele erge hoofdpijn juf. Vervolgens biedt hij zijn excuses aan. Aan het slachtoffer, aan mij, aan de hele wereld. Sorry hoor. Sorry, sorry, sorry. Hij blijft nog uren in de war na een uitbarsting. Ik ben zo misselijk juf, ik wil graag naar huis. Maar dat kan niet. Daar kan ik niet aan beginnen. Zijn moeder ook niet. Hij heeft de pest aan ons op zulke momenten. Laat me nou naar huis gaan juf. Zeg nou tegen mijn moeder dat ik ziek ben. Nee, je gaat gewoon aan je werk jongen, het is over, we gaan gewoon weer verder. Rutger heeft de pech dat alle jongetjes in de klas willen voetballen in de pauze. Dus doet hij ook mee. Zijn inspanningen zijn groot. Hij volgt de bal met grote vasthoudendheid. Alles in hem staat op scherp. Als de bal in zijn buurt komt zet hij een sprintje in. Hij doet verwoede pogingen iets te betekenen op dat moment, iets van waarde, iets waardoor ze straks zullen juichen en hem op de schouder kloppen. Maar meestal zijn deze inspanningen vruchteloos. Een onhandige uithaal, een bal die naar rechts gaat in plaats van naar links. In de beste gevallen zeggen zijn klasgenoten er niks van. In de slechtste gevallen raakt hij het been, de buik, de rug van een tegenstander en stromen de verwijten van alle kanten op hem af. Loser! Hoewel het oppervlak van hun speelveld niet groot is en alle jongens en een enkel meevoetballend meisje op een kluitje bij elkaar staan, lijkt Rutger ook hier op een eiland te spelen. Hij is alleen. Toch geeft hij niet op. Steeds opnieuw probeert hij te begrijpen welke handeling de beste resultaten oplevert. O kijk, daar komt de bal weer aan. Even een sprintje trekken. Schoppen nu! O jee. Weer het been van Tijmen geraakt. Sorry hoor, sorry, sorry, sorry.