zondag 27 januari 2013
Verkenning
Tijdens een taalles bespreken we het woord ‘denkbeelden’. Jorrit steekt zijn vinger op. Je kunt rechtse denkbeelden hebben en linkse, zegt hij. Ik knik. Heel goed! Kun je ook uitleggen wat bijvoorbeeld een rechts denkbeeld is? Ja, dan vind je het niet zo erg dat sommige mensen erg rijk worden, dan denk je dat rijke mensen gewoon beter hun best doen dan arme mensen. En een links denkbeeld, vraag ik. Dan vind je het erg dat er hele arme mensen zijn, antwoordt hij, dat vind je dan zielig, die wil je dan helpen. De klas luistert ademloos. Jorrit weet veel. Keer op keer overvalt hij ons met zijn bijna volwassen inzichten en uiteenzettingen. Kenneth steekt zijn vinger op. Ik denk, zegt hij, dat denkbeelden ook beelden zijn die je in je hoofd kunt zien. Je denkt er gewoon aan en dan zie je ze. Er klinkt instemmend gemompel. Ja dat zijn ook denkbeelden. Dan neemt Daan het over. Kan het ook zijn juf dat je je soms dingen verbeeldt, dat je denkt dat je iets ziet maar dat dat er helemaal niet is? Ik knik. Je bedoelt dat iets denkbeeldig kan zijn. Ja precies, antwoordt Daan. Er klinkt rumoer op. Dat heeft Maarten, dat heeft Maarten, klinkt het. Wat heeft Maarten, vraag ik verwonderd. Een denkbeeldig vriendje! Ik kijk Maarten aan. Die kijkt vrolijk terug. Ja, die heb ik, zegt hij, hij heet Willy. En hoe vaak spreek je hem dan? Elke dag, antwoordt Maarten. Hoe ziet hij eruit, vraagt Bastiaan geamuseerd. Hij heeft lang haar en hij is heeeeel druk. O, dan moet het de tweelingbroer van Ozan zijn, grinnikt Mick. De klas schatert het uit. Ook Ozan heeft de grootste lol. Daar lijkt Willy inderdaad wel wat op, bevestigt Maarten, maar hij lijkt ook op mijzelf. Gaat hij wel eens mee naar school, vraag ik. Heel soms, niet vaak. Dan zit hij daar in die hoek! Bastiaan steekt zijn vinger op. Bij mij ligt er ’s avonds vaak iets denkbeeldigs onder het bed. Het valt stil. Bij Bastiaan? Die grote, aanwezige, stoere, jongen. Is hij bang in het donker? Bastiaan kleurt een beetje rood. Ik ben er echt bang voor hoor, mompelt hij zachtjes. Dan klinken er instemmende geluiden. O ja dat heb ik ook. Ja ik ook. Juf! Mark vraagt de beurt. Mick heeft mij verteld dat hij ook vreemde dingen ziet. Hij ziet dingen die ik niet zie. Ik kijk Mick aan. Is dat waar? Mick knikt. Ik zie kleuren om mensen heen, legt hij uit. Ik zie ze niet altijd hoor maar bij sommige mensen zie ik het heel duidelijk. Juf Olga is bijvoorbeeld heel erg blauw. Ik knik. Dat is heel bijzonder Mick. Dat wat je ziet zijn aura’s. Sommige mensen kunnen dat zien. De meeste mensen niet. Mick kijkt mij opgelucht aan. Als ik het vertel moeten mensen meestal heel erg lachen. Nou ik niet, antwoord ik terwijl ik opsta van mijn kruk maar het wordt tijd dat we de taalles gaan maken die hier bij hoort. Hè nee, klinkt het. Kom op jongens, aan het werk, houd ik vol terwijl ik naar mijn bureau loop, als jullie klaar zijn kunnen jullie verder met jullie werkstuk. Na een kwartier staan de eerste leerlingen op om een laptop uit de kar te halen. Sarah en Michelle buigen echter af en lopen naar mijn bureau. Juf, mogen we voor een keer iets anders doen? We willen zo graag meer weten over denkbeeldige vriendjes en aura’s en zo. Hoe willen jullie dat aanpakken, vraag ik. Nou eerst gaan we Maarten en Mick interviewen en daarna gaan we op het internet meer zoeken over deze onderwerpen. Dat is goed, zeg ik. Ze maken allebei tegelijk een huppelsprongetje. Mogen we dan in het kamertje?
zondag 13 januari 2013
Column. Ehm...
Er zijn jongetjes die niet meer op hun plaats kunnen blijven zitten. Ze kruipen langzaam naar voren zodat ze de tekst op het digibord nog kunnen beter kunnen lezen. Daar staan de namen van 17 mensen die binnen tien jaar doodgingen nadat ze in 1922 het graf van Toetanchamon waren binnen gedrongen. Allemachtig! Gelooft u in die vloek, vraagt David ademloos. Ik hef mijn handen omhoog en schud mijn hoofd. Ik weet het niet, zeg in alle eerlijkheid, het kan toeval zijn, het kan om een vergiftigde atmosfeer in het graf gaan maar gek blijft het allemaal wel. Reinout knikt aandachtig, het was wel een hele oude beschaving, vult hij aan, misschien wisten ze meer van zwarte magie dan wij nu. Het valt stil. Alle ogen van de kinderen in deze klas kijken gebiologeerd naar de opsomming op het bord. Alle ogen? Als ik in het halfduister achter de samengeklonterde groep jongens tuur, zie ik dat zeker zes meisjes zijn achtergebleven. Ze kneden boerderijdieren van kneed gum of tekenen aandachtig. Dames, wat heb ik zojuist verteld over de vloek van de farao, vraag ik. Ze schrikken op en kijken mij met een lege blik aan. Ehmm..Ehmm…Vloek, vloek? De jongens kijken verbijsterd om. Nou ja zeg, hoe kan je dit nou niet willen weten? Het is niet de eerste keer dat ik mij verbaas over de geringe belangstelling die deze meisjes tonen voor de raadselen die ons omgeven. Ze willen het liefst tekenen, in agenda’s kleuren, plaatjes over paarden bekijken, poppetjes kneden en naar sites surfen die over fotomodellen handelen. Hun wereld is vriendelijk, kleurrijk en licht. Laat de juf maar samen met alle jongens over de kosmos, middeleeuwse martelingen en griezelige vloeken praten, wij hebben hier wel wat vrolijkers te doen. Ook tijdens rekenlessen valt het niet mee om de aandacht van deze meisjes bij de les te houden. Noortje, kom je deze som even voordoen op het bord? Ehm…ik heb per ongeluk niet geluisterd. Waar is je schrift Samira, ik zie alleen maar een complete boerderij op je tafel. Voorzichtig pakt Samira al haar knutseldiertjes op en zet ze op een kast. Dan begint ze aan haar speurtocht naar haar schrift. Maar soms verschijnen er ineens donkere wolken boven deze roze wereld van knutsels, frutsels, fotomodellen en boerderijdieren. Er rommelt iets, er flitst een bliksemstraal, er komt iets dreunend dichterbij. Ik zie het nooit aankomen. Ik sta al tientallen jaren voor de klas maar ik ben altijd te laat om de eerste barsten in het meisjesparadijs op te merken. Aan het eind van een vrijdagmiddag voegen zich Noortje en Samira bij me. Noortje huilt. Ze snikt iets iets over een computerspel en dat ze nu ‘alles kwijt’ is. Ik begrijp er niets van. Ik denk in mijn onschuld dat Samira meegekomen is ter ondersteuning. Deze meisjes zijn immers vriendinnen. Maar nee, Samira blijkt de oorzaak van alle ellende, de hoofdschuldige, zij moet gehangen worden en wel meteen. Maar waarom, vraag ik niet begrijpend. Dan barst Samira eveneens in een onbedaarlijk gesnik uit. Ik ben helemaal geen hacker, snottert ze, ik heb helemaal niets weggehaald! Dat zou ik nooit doen. Hoe kan Noortje dat nu denken? Hacker, hacker, vraag ik dommig, wat kan je dan hacken als tienjarige? Alles, snikt Noortje, ik ben alles kwijt en ik heb alleen maar aan Samira mijn wachtwoord gegeven. Dus zij moet het gedaan hebben! Ik kijk de aangeklaagde aan. Ik heb het niet gedaan, snikt deze. Maar je hebt wel het wachtwoord van Noortje doorgegeven, gok ik. Samira kijkt me stomverbaasd aan. Ja, geeft ze snikkend toe, ik heb het aan Sophie gegeven maar die heeft gezworen…Haal Sophie maar, zeg ik. Ik zucht diep en verlang acuut naar een wereld van oude vloeken en de middeleeuwse martelingen. Zoveel overzichtelijker.
zondag 16 december 2012
Tutor
Ooooo, ik vind dit toch zoooo leuk, roept Sharon uit groep 3 als ze om kwart voor negen mijn klas binnenhuppelt. Ze gaat snel naar de tafel van Bastiaan waar haar stoel al klaar staat. In een mum van tijd zijn ze samen aan het lezen. Doorgaans kost het Bastiaan een minuut of tien voordat hij zich over een boek buigt. Dit is anders. Dit vindt hij leuk. Net als de rest van de klas sprong hij een gat in de lucht toen ik had aangekondigd dat we gingen starten met het tutorlezen. Bij de meeste tweetallen gaat het dan ook van meet af aan uitstekend. Overal zie ik aandachtig gebogen hoofden. Alleen Mohamed zit erbij als een boer die kiespijn heeft. Ik besluit het even aan te zien maar als hij na een kwartier zelfs achterstevoren gaat zitten loop ik naar hem toe. Wat is er met jou, vraag ik fronsend. Hij kijkt me gefrustreerd aan. Die gast luistert voor geen meter, klinkt het boos, hij begint gewoon achteraan in het boek en leest expres woorden die er niet staan. Ik kijk de ‘gast’ aan. Het is David. Klopt dat? David haalt zijn schouders op. Het klopt dus, stel ik vast. David is zes. Hij zit een vreemde klas bij een vreemde juf, omgeven door grote vreemde kinderen en hij is nergens van onder de indruk. Hij volgt zijn eigen regels. Even ben ik uit het lood geslagen, dan herneem ik mij en houd een stevige toespraak. Nukkig buigt David zich over het boek. De rest van de tijd blijft hij gemelijke blikken naar me werpen. Dan staat Sophie ineens voor me. Mag ik naar de wc, vraagt ze opgewonden. Ik aarzel. Ach meisje, het is maar twintig minuten, je gaat zo meteen al weer terug naar je eigen klas en je eigen wc. Op het gezicht voor me verschijnt een teleurgestelde blik. Dan klaart het plotseling op. Ze zet haar ene been voor haar andere been, buigt zich ietwat voorover en kermt: maar ik moet heeeeel nodig. Ik begrijp plotseling waarom het urgent is en wapper met mijn hand. Snel dan! Sophie racet de gang in en gaat opgewekt op zoek naar die nieuwe spannende w.c. Twee tellen later staat Anne voor mijn bureau. Ik moet ook heeeel nodig. Ga maar gauw, zeg ik, maar je bent wel de laatste! In de klas klinken teleurgestelde zuchten op. He wat jammer nou. Het blijft weer even aandachtig stil. Dan klinkt er een langgerekte uitroep. Wie is dat, vraag ik streng. Shawn wijst op het jongetje dat hij begeleidt. Het is Micky, tot voor kort woonachtig in een Aziatisch land waar zijn oma hem op handen droeg en alles in het werk stelde om zijn leven zo aangenaam mogelijk te maken. Nu hij zich in Nederland bij zijn moeder en nieuwe vader heeft gevoegd verwacht hij die handen nog elk moment. Helaas neemt tot nu niemand de honneurs waar. Waarom maak je zomaar lawaai, vraag ik. Micky kijkt me verveeld aan. Duurt dit nog lang, vraagt hij. Ja, zeg ik, heel lang. Shawn grinnikt en duwt het boek weer voor de neus van zijn buurman. Ik zie aan Mickey dat het hem niet lekker zit. Even later steekt hij zijn vinger op. Juf…? Juf…? Wat is er Mickey? Ik kan niet lezen met zoveel lawaai juf! Alle kinderen in de klas kijken op van hun boek. Lawaai? Het is hier maar een keer lawaaierig geweest Mickey en toen was jij het die zo schreeuwde, antwoord ik. Ja maar…. Ik wil je niet meer horen! Mickey buigt zich over het boek. Ook hij blijft de rest van de les gemelijke blikken werpen. Rare juf hier. Intussen komen Sophie en Anne terug van de wc. Oooo, het was daar ook zoooo leuk!
zaterdag 1 december 2012
Bullebakjes
Ik maan de klas tot stilte. Denk eraan, zeg ik terwijl ik nog net niet mijn handen in de zij zet, als we zo buiten gaan spelen, wordt er niet op Tobias gezeten! Er klatert een lach op. Nee hoor, juf, grinnikt Bastiaan, we zullen dat echt niet meer doen. Als ik even later met een kopje koffie in mijn hand naar buiten loop, zie ik toch twee kinderen in de kou op de grond liggen. Tot mijn verbijstering is Tobias de onderste. Wat zullen we nu hebben, fulmineer ik. Bastiaan schiet overeind. Hij kleurt rood. O sorry, vergeten. Tobias staat op en slaat het zand van zijn kleren. Hij lacht. Ik stuur Thomas naar binnen. Waarom lach je er eigenlijk altijd om, vraag ik, zo leuk lijkt het me allemaal niet. Tobias kijkt mij ongelukkig aan. Ik weet niet zo goed wat ik anders moet doen, piept hij. Er zitten 16 jongens in deze klas. Het ene moment hebben ze ontzettend veel plezier met elkaar, het andere moment spelen ze onbewust hardvochtige scenes uit het boek Lord of the Flies van William Golding na. De laatste weken is Tobias de pineut. Maar het kan ook Rutger zijn of Shawn. Steven en Bastiaan zijn het nooit. Deze jongens hebben de onbetwiste leiding. Het zijn vriendelijke bullebakjes. De macht die ze hebben maakt zowel het beste als het slechtste in hen wakker. Ze kunnen geweldig loyaal, ruimhartig en vriendschappelijk zijn. Voor Bastiaan geldt dat zelfs letterlijk. Hij omhelst zijn vrienden om de haverklap. Kom hier, kom hier, kom naast me zitten, sist hij regelmatig. Zo gauw de uitverkorene naast hem neerstrijkt slaat hij zijn arm om hem heen en drukt zijn vriend stevig tegen zich aan. Soms zit er aan de andere kant een al even beknelde favoriet. Kun je zo echt prettig schooltelevisie kijken, vraag ik dan verbaasd. O ja knikt het in elkaar vervlochten drietal. Echt wel! Steven heeft een andere manier om zijn leidinggevende positie veilig te stellen. Hij steunt zijn ‘maten’ door dik en dun. Zelfs al hebben ze zojuist een andere leerling een rotschop gegeven en zijn ze op weg naar de schoolmeesterlijke rechtbank, dan nog sissen de steunbetuigingen over het plein: ik wacht op je jongen! Zet hem op hè? Het valt niet altijd mee om de macht van deze bullebakjes in goede banen te leiden. Er zijn dagen dat de bladeren zo hard van de bomen waaien, de getergde moeders van laag in de hiërarchie staande jongens zo snel op hun fietsen springen en de vuisten van de meer assertieve slachtoffers zo hard uithalen dat ik even denk dat ik het niet ga redden. Het zijn oeroude krachten die ik daar soms op een vrijdagmiddag met een vermoeid lijf sta te bedwingen. Maar het gaat altijd weer voorbij. Ook Steven en Bastiaan hebben mijn hulp soms hard nodig. Want macht verwerven is een ding, macht behouden een ander. Op een dag komen een aantal meisjes mij verbaasd melden dat Steven huilend achter een muurtje staat. Ik zoek hem op en wacht tot het ergste gesnik voorbij is. Zeg het maar. Ze hebben me weggestuurd, snikt hij. Ik zie aan hem dat hij het niet geloven kan. Weggestuurd, vraag ik, waarom dan? Ze zeggen dat ik te groot ben en veel te zwaar! Ik kijk om de hoek van de muur. In de verte zijn de jongetjes uit de klas aan het bokspringen. Steeds hoger springen ze, steeds meer bokken worden er achter elkaar gezet. Ze gieren het uit van plezier. Het massieve lichaam van Steven heeft hem veel succeservaringen opgeleverd bij het vergaren van een absolute machtspositie in deze klas maar nu laat het hem in de steek. Weggestuurd, afgedankt. En niemand die sist: we wachten op je jongen. Zet hem op!
zaterdag 17 november 2012
Het spoor bijster
Een paar maand geleden kwam hij ‘s morgens regelmatig met veel lawaai de trap opgerend maar zijn medicatie heeft daar nu een eind aangemaakt. Meestal merk ik het niet eens dat Rutger al binnen is. Hij lijkt een beetje op een kuikentje dat net uit het ei is en wat verdwaasd rondstapt. Wat doe ik hier toch, lijkt hij te denken, waarom moest ik hier ook al weer zijn? Hij loopt wat onzeker naar zijn tafeltje, rommelt in zijn kastje, loopt in de richting van het groepje van Tijmen, aarzelt, keert om, spreekt Stephen aan, stopt halverwege in de zin, fladdert wat met zijn handen en blijft dan besluiteloos om zich heen staan kijken. Hoewel het oppervlak van het lokaal klein is en er 27 leerlingen in zitten, lijkt Rutger op een eiland te wonen. Het is om een of andere reden altijd wat leeg om hem heen. Het leven is niet altijd even makkelijk voor hem. Hij moet zich inspannen om de sociale interacties te doorgronden en ook bij de instructie en het zelfstandig werken raakt hij het spoor snel bijster. Als ik dat niet op tijd door heb, verdwijnt hij naar de wc. Tjonge, jonge jonge wat heb jij een lastige blaas, mopper ik dan terwijl ik vergeefs op de deur van het toilet klop, hoe langer je hier zit, hoe groter je achterstand wordt, kom er nu af, we maken gewoon een nieuwe werkafspraak. Aan de andere kant van de deur wordt er dan vervolgens hartgrondig gezucht. Ik moet gewoon plassen hoor, klinkt het verongelijkt. Hij heeft een kort lontje. Dat zit hem zelf nog wel het meeste dwars. Ik weet soms niet wat er met mijn hoofd gebeurt, zegt hij als ik hem na een korte felle vechtpartij vraag hoe dit nou zo gekomen is. Er ploft iets, legt hij verontschuldigend uit, ik wil het eigenlijk niet maar het gebeurt gewoon. Als het over is heb ik altijd hele erge hoofdpijn juf. Vervolgens biedt hij zijn excuses aan. Aan het slachtoffer, aan mij, aan de hele wereld. Sorry hoor. Sorry, sorry, sorry. Hij blijft nog uren in de war na een uitbarsting. Ik ben zo misselijk juf, ik wil graag naar huis. Maar dat kan niet. Daar kan ik niet aan beginnen. Zijn moeder ook niet. Hij heeft de pest aan ons op zulke momenten. Laat me nou naar huis gaan juf. Zeg nou tegen mijn moeder dat ik ziek ben. Nee, je gaat gewoon aan je werk jongen, het is over, we gaan gewoon weer verder. Rutger heeft de pech dat alle jongetjes in de klas willen voetballen in de pauze. Dus doet hij ook mee. Zijn inspanningen zijn groot. Hij volgt de bal met grote vasthoudendheid. Alles in hem staat op scherp. Als de bal in zijn buurt komt zet hij een sprintje in. Hij doet verwoede pogingen iets te betekenen op dat moment, iets van waarde, iets waardoor ze straks zullen juichen en hem op de schouder kloppen. Maar meestal zijn deze inspanningen vruchteloos. Een onhandige uithaal, een bal die naar rechts gaat in plaats van naar links. In de beste gevallen zeggen zijn klasgenoten er niks van. In de slechtste gevallen raakt hij het been, de buik, de rug van een tegenstander en stromen de verwijten van alle kanten op hem af. Loser! Hoewel het oppervlak van hun speelveld niet groot is en alle jongens en een enkel meevoetballend meisje op een kluitje bij elkaar staan, lijkt Rutger ook hier op een eiland te spelen. Hij is alleen. Toch geeft hij niet op. Steeds opnieuw probeert hij te begrijpen welke handeling de beste resultaten oplevert. O kijk, daar komt de bal weer aan. Even een sprintje trekken. Schoppen nu! O jee. Weer het been van Tijmen geraakt. Sorry hoor, sorry, sorry, sorry.
zondag 4 november 2012
Leon
Ik sta in een parkeergarage bij een bekend winkelketen in het midden van het land. Net als ik uit wil stappen loopt er iemand vlak langs mijn auto. Een medewerker van de winkel duwt een aantal winkelwagentjes voor zich uit. Er is iets bekends in zijn houding. Als ik beter kijk zie ik dat het Leon is. Ik kijk verbaasd naar de ongeïnspireerde wijze waarop hij de karretjes voor zich uitduwt. Leon kwam in de eerste jaren van deze eeuw steeds opnieuw op mijn pad. Ik was zijn studieloopbaanbegeleider in het eerste jaar van de pabo, zijn stagebegeleider in het tweede jaar en zijn Lio- en scriptiebegeleider in het vierde jaar. Het viel destijds niet mee om Leon op de opleiding te houden. Hij had er een handje van om met vrouwelijke docenten en leerkrachten overhoop te liggen. Hij ergerde zich snel aan hun ‘pietluttigheid’, zoals hij dat noemde en begreep niet dat hij niet in de positie was om hen aan te spreken op hun gewoonten. Daar kwam bij dat uitgerekend in zijn eerste jaar het competentieleren zijn intrede deed. Ik begrijp er he-le-maal niks van, brieste hij tot mijn schrik tijdens zijn assessment tegen mijn collega, wat wilt u nu van mij? Ik wil hier leren lesgeven. Wat heeft dat te maken met al dit gezeur over competenties? Toen mijn collega boos opmerkte dat hij door zich zo te gedragen in ieder geval op een punt al incompetent was, liep hij woedend weg. Dezelfde avond stond er een excuusbrief op de mail. Hij schaamde zich diep, schreef hij, zou hij nog een kans mogen krijgen om het allemaal in orde te brengen? Ik had een zwak voor hem, al gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen dat ik daar vrij alleen in stond. Zo gauw hij les gaf bleek Leon een liefdevolle en enthousiaste kant te hebben. Ik was ervan overtuigd dat hij wel in zijn rol als leerkracht zou groeien. Dus bleef ik hem telkens voor de uitgang van de pabo wegslepen. Hij komt er wel, sprak ik de ene keer sussend tegen een collega. Geef hem de tijd, hij is nog jong, soebatte ik een andere keer tegen zijn begeleider op de stageschool. De keren dat hij tijdens de stage toevallig een mannelijke leerkracht trof ging het uitstekend. Mannelijke collega’s waren onveranderlijk optimistisch over hem. Maar ja. Hoeveel mannen staan er nog voor de klas in het basisonderwijs. Leon kwam steeds weer bij ‘een zeurpiet’ terecht, vond hij. Je kunt je nu wel ergeren aan al die precisie van die dames, mopperde ik als er weer eens wat was voorgevallen, maar zolang je je diploma niet hebt, heb je het er mee te doen. In het vierde jaar van de opleiding gedroeg hij zich voorbeeldig en schreef een gedegen scriptie. Ik sprak hem opgewekt toe bij de diploma-uitreiking en wenste hem het beste toe. We zijn inmiddels vijf jaar verder en nu loopt hij hier in een parkeergarage winkelwagentjes te verzamelen. Wat zou er gebeurd zijn, denk ik terwijl ik mij laat terugzakken in mijn stoel. Is hij gefrustreerd geraakt van al dat zware invalwerk. Heeft hij een directrice getroffen die een fervent aanhangster bleek van het micro-management. Is hij wellicht doodmoe geraakt van al dat solliciteren naar niet bestaande banen? Net als ik zijn naam wil roepen, bedenk ik mij. Wil ik het eigenlijk wel weten? Zit mijn taak er niet gewoon op? Als ik hem in de verte zie hannesen om de karretjes allemaal tegelijk door een deur te krijgen bedenk ik me hoe treurig het eigenlijk is dat hij hier onder zijn niveau door een parkeergarage sjokt en ik, en velen met mij, tot ons zevenenzestigste door moeten gaan terwijl we dat natuurlijk helemaal niet willen en misschien ook wel helemaal niet kunnen.
maandag 22 oktober 2012
Lezing. AOb congres Utrecht.
Dames en heren,
Vandaag gaan u en ik hier in Utrecht het goede Nederlandse onderwijs nog beter te maken. Althans… daar gaan we voor ons inzetten, daarvoor offert u uw vrije zaterdag op en bent u van heinde en verre naar hier naar toe gereisd. Het goede onderwijs nog beter maken…het is het thema van deze dag en het is een mooi, nobel thema. Een thema dat terug komt in veel workshops. Zo kunt u bijvoorbeeld vandaag uw oplossingsgerichtheid oefenen, uw veranderingskracht proeven, uw brein vriendelijker maken, uw handelingsvaardigenheden uitbreiden. U kunt uw kernprincipes bijstellen, u kunt uzelf in een optimale staat van leren brengen en alles in het werk stellen om een krachtige leraar te worden Een leraar die creatief denkt en geen, ik herhaal dit met nadruk, geen ideekiller wenst te zijn. Bah. Ideekillers. Wie wil een ideekiller zijn? We kennen deze suspecte lieden allemaal van dichtbij. Mijn collega Tom was een ideekiller avant la lettre. Dertig jaar geleden was het in de mode om te pas en te onpas projecten rond een thema op te organiseren. Natuurlijk liep ik daarin voorop. Ik was jong en dacht oprecht dat er nog een wereld te winnen was in het moderniseren van het onderwijs. Mijn collega Tom bestond het om op elke vergadering die over de inhoud van het project handelde op te merken: ja maar collega’s, alles goed en wel maar vertel me nu eerst eens even: wat is nu eigenlijk een project? Vervolgens keek Tom ons allemaal stuk voor stuk aandachtig aan. In het begin dacht ik dat hij het allemaal echt niet goed snapte en legde ik geduldig uit wat er zoals van hem verwacht werd. Maar na verloop van tijd ging mij een licht op. Door consequent niet te willen begrijpen waar het over ging maakte Tom ons duidelijk dat er op dit gebied ook helemaal niets van hem te verwachten viel. Dertig jaar later speelt mijn collega Yvonne een zelfde rol. Iedere keer als wij ons van hoger hand moeten buigen over de steeds weer nieuwe richtlijnen rond het invoeren van gegevens in het leerlingvolgsysteem Parnassys zet collega Yvonne haar bedenkingen tegenover dit systeem nog eens uitgebreid uiteen. Het is tijdrovende aangelegenheid, fulmineert ze, het leert haar niets nieuws over de leerlingen, de instructies veranderen zo ongeveer elke maand dus wie kan er van haar verwachten dat zij het nog snapt en uitvoert? Haar betoog vreet elke keer zoveel energie van de rest van de vergadering dat we bijna allemaal liever nog een keer de resultaten van de laatste rekentoets invoeren dan nog een keer dit verhaal aan te horen. Terwijl de meesten het waarschijnlijk in diep in hun hart met haar eens zijn. Nee, maar weinig leerkrachten willen voor ouderwets, zanikend en lui versleten worden. Zo iemand die altijd wel een reden weet waarom hij de nieuwe leesmethode niet onder de knie krijgt, het zelfstandig werken tot nader orde uitgesteld heeft en nooit die leuke, nieuwe geschiedenismethode met zoekopdrachten uit de kast haalt. Wanneer moet ik dat allemaal doen dan, verzucht de ideekiller, waar is dit allemaal goed voor, knerpt het onvriendelijke brein. Een beetje leerkracht wil niet geïdentificeerd worden met zo veranderingsslapte, probleemgerichtheid en handelingsonvaardigheid. Vlot, vrolijk en met opgeheven hoofd wenst hij alle veranderingen tegemoet te treden. Hoofdpijn, depressie, tegenzin, het bestaat niet in onderwijsland. Wij zijn hier altijd vrolijk en houden elke dag zielsveel van ons vak. U hoort het al. Hier spreekt in de kern van de zaak eigenlijk ook een ideekiller. En hoewel ik eerlijk gezegd zelf ook altijd de kriebels krijg van het soort weerstand dat mijn collega’s Tom en Tineke ten toon spreiden moet ik eerlijk toegeven dat ik zelf ook niet vrij van enige weerstand ben. Ik vraag me soms echt af hoe het komt dat men in het onderwijs zo kritiekloos en blijmoedig alle van boven opgelegde richtlijnen aanvaardt en uitwerkt. Ik kan soms niet geloven wat ik lees als ik het profiel van sommige basisscholen lees. Laatst fietste ik langs een basisschool bij mij in de buurtwaar met sierlijke letters ‘Dalton Sterrenschool met het accent op meer begaafdheid’ op de gevel geschreven stond. Wat is er aan de hand met deze arme school? Is het leerlingenaantal zo dramatisch laag en de druk van hogerhand zo dramatisch hoog dat men maar lukraak een aantal goed in de markt liggende vernieuwingen op elkaar stapelt en daar mee onhaalbare doelen nastreeft en overspannen leerkrachten creëert? Het leerlingvolgsysteem dat op de meeste scholen al is ingevoerd heeft op sommige onderdelen gedrochtelijke vormen aangenomen. Toch bestaan er scholen die het presteren om helemaal op eigen houtje, er is geen inspecteur die erom gevraagd heeft, extra toetsen in te voeren. Er is niets tegen opbrengst gericht leren. Het nastreven van opbrengst gericht leren is zelfs zo normaal dat het raar is dat het woord nu pas ingeburgerd raakt. Ik weet niet beter of ik geef al dertig jaar les volgens dit principe. Maar de opbrengstgerichtheid geldt natuurlijk ook voor het tekenonderwijs, de handenarbeidlessen, samenwerkingsvaardigheden en de gymnastieklessen. Het leven bestaat niet alleen uit lezen, taal en rekenen. Dus ook het leven op een basisschool niet. Het is volslagen rigide om dit los te koppelen. Tot welke Orwelliaanse toestanden dat kan leiden zien we op dit moment in de Verenigde Staten. Daar wordt alleen nog maar geoefend voor de toetsen van rekenen, lezen en taal. Elk jaar worden om die reden leerkrachten publiekelijk vernederd of zelfs ontslagen als er niet een bepaalde norm gehaald is. De situatie is daar op dit moment onleefbaar voor zowel leerlingen en leerkrachten. Het lijkt me dat dit echt niet de richting is die we hier ook op moeten gaan en toch is het niet ondenkbaar dat dit wel gebeurt. Er zijn al signalen zichtbaar. Onlangs mocht een collega tijdens de personeelsvergadering van haar school uitleggen waarom zij met haar groep achterbleef in de cito-scores. Haar collega’s grepen niet in. Deze collega’s schrokken trouwens zo van hun gedrag dat ik denk dat ze de volgende keer wel degelijk in zullen grijpen maar ondertussen lag de arme vrouw natuurlijk wel nachten wakker van deze bejegening. En daarom pleit ik er hier voor om het hoofd recht te houden en al die bazen, bovenbazen, pedagogen, didactici en andere specialisten op deelgebieden ferm tegen te spreken als zij ons het bos in sturen. U vraagt teveel, mevrouw. U vraagt iets raars, heren. Dit is geen beroep om jaar in jaar uit te leveren aan de laatste modes en de jongste onbewezen inzichten. Dames en heren. Als je een broodje wil eten ga je naar de bakker. De criteria voor het eten van zo’n broodje zijn simpel: het moet lekker zijn, voedzaam zijn en je moet er niet ziek van worden. De criteria voor een bedrijf dat vaargeulen uitbaggert zijn ook helder: er moet daarna goed gevaren kunnen worden. Elke bakker zou het raar vinden als Jan Piet en Tineke de bakkerij binnen zouden stappen m et de mededeling dat ze mee komen bakken vandaag. Iedere baggerbedrijf zou vreemd opkijken als er plotseling iemand ongeoefend mee komt baggeren. Toch accepteren wij in dit beroep dat er zo’n vreselijk term als Educatief Partnerschap ruimte krijgt om serieus besproken en uitgevoerd te worden. Natuurlijk gaan wij geen educatief verbond met ouders aan ten aanzien van ons vak. Het is een vak. Je moet er talent voor hebben, je moet er in opgeleid worden. En als je dan eenmaal voor die klas staat dan moet je dat werk ongestoord en goed kunnen uitvoeren zonder dat er telkens hele groepen op het raam staan te tikken of zonder kloppen binnen lopen. Mogen er dan geen eisen aangesteld aan ons worden? Natuurlijk. Het broodje moet lekker zijn. De vaargeul bevaarbaar. Het onderwijs goed en opbrengstgericht. Om dit beroep mooi, uitdagend en vooral heel zinvol te houden zullen we een vuist moeten maken. We zullen trotser moeten worden op wat we daar dag in dag uit staan te doen en ons al dat plezier wat we eraan beleven niet af moeten laten pakken. We zijn er zelf bij. Laten we er maandag onmiddellijk mee beginnen. Lol, plezier, passie, het zijn de belangrijkste elementen om het goede onderwijs in Nederland nog beter te laten worden. Dankuwel.
Abonneren op:
Posts (Atom)