vrijdag 2 september 2016

Column. Not Good.

Ik breng het deze zomervakantie niet op om nog ergens een minimale opbrengst  van te verhogen. Het is genoeg geweest. Ik wil niet meer beter, hoger, verder. Ik wil zitten, mijmeren, niks. Ik ben moe van al het gedoe om steeds beter te moeten worden en harder te moeten werken terwijl ik in werkelijkheid alleen maar ouder en vermoeider word. Om mij heen worden er echter nog steeds driftige pogingen gedaan om vaardigheidsscores te verbeteren.  Hoeveel kilometer hebben we gefietst vandaag, vraagt buurman één aan buurman twee op de camping waar ik ben neergestreken. Eens effe kijken, antwoordt deze, eh…45,1 kilometer! Vooral dat komma één , frappeert me. Zo Cito-esk. Aan de overkant komen vier wandelaars het terrein op. Zo, dat zijn toch even 30 kilometertjes in da pocket, stelt de voorste wandelaar trots vast, nu maar even een lekker biertje jongens! Ik zit allang aan dat lekkere biertje en laat Jack Reacher het vuile werk opknappen. Jack kan alles. Er is niets dat hij niet vermag. Overal waar de slechteriken  in de wereld de zaak naar hun lelijke hand willen zetten komt Jack Reacher zijn neus in hun zaken steken. Het is een geweldige bemoeial. Zo nu en dan controleer ik tijdens het lezen over Jack’s vaardigheden mijn twitterberichten. Ook daar worden  onophoudelijk opbrengsten verhoogd. A. meldt vrolijk dat ze al heel ver is met de voorbereidingen van het volgend schooljaar, B. schept op over flinke vorderingen in de tuin en C. verft er al dagen driftig op los. Hoofdschuddend leg ik mijn I-pad weg en laat Jack zeven voormalige rugbyspelers uitschakelen. Binnen de kortste keren liggen ze allemaal gekneveld in de gang. De buurmannen hebben inmiddels de kaart weer ter hand genomen om een route voor morgen uit te stippelen en de overburen lopen naar de accommodatie om hun bezwete kleren uit te wassen. Ik werp even een blik op Facebook  maar ook daar schieten vaardigheidsscores tot ver achter de komma omhoog. Facebookvriend  één wandelt door Wales en meldt  keurig alle afstanden. Facebookvriend twee laat de app Strava steeds heel precies aangeven waar hij nu weer allemaal naar toe gefietst is en Facebookvriend vier loopt in een snikheet Venetië. Pfff…wat een vermoeienissen.  Gauw terug naar Jack. Och jee…. hij  heeft een gebroken neus. Not good, mompelt hij, not good at all. Nee, ik maak me ook zorgen. Met een gebroken neus is het slecht boeven vangen en er is natuurlijk geen tijd om naar een dokter te gaan. Er is veel te veel om recht te zetten in de wereld.  Oh, gelukkig. Jack heeft er wat op gevonden. Hij zet zelf zijn neus recht. Natuurlijk. Dat kan Jack. Hij weet dat hij bij deze ingreep het bewustzijn zal verliezen maar wat moet dat moet. En krak…daar gaat zijn neus en Jack er achteraan. O jee, de hond, denk ik met schrik. De hond moet uit. Hè get. Wat een inspanning nou. Waarom moest ik zo nodig een jachthond en niet zo’n sloom buikschuivertje. Nou vooruit dan maar. En dan weer gauw terug om te kijken hoe het met Jack is. O gelukkig. Jack is weer bij zijn positieven en wandelt nu doodleuk een trappenhuis binnen waar zich 11 gewapende onverlaten hebben gepositioneerd. Elke verdieping schakelt hij er een uit. Persoonlijk vind ik 11 wat veel dus ik sla snel wat bladzijden om want ik wil wel weten hoe het zich op de elfde etage allemaal ontwikkelt. Daar duikelt plotseling een 12e schurk op –zelfs Jack schrikt hier van- maar gelukkig weet hij raad. En dan gebeurt het onmogelijke: Jack blijft met een los eindje zitten. Hij begrijpt niet alles en-dat-maakt –hem –niet-uit. Hij stapt vrolijk het verhaal uit. Kom terug Jack, mopper ik boos. Zo is de opbrengst van mijn inspanning niet optimaal. Not good Jack.. not good at all.

vrijdag 17 juni 2016

Column. Oud.

Demotie. Het is een woord met een vervelende gevoelswaarde. Het wordt geassocieerd met afbraak, met een stap terug doen, met het naderen van een eindstation. Het is bepaald niet iets om trots te melden aan de mensen  om je heen. Het maakt natuurlijk behoorlijk uit of je zelf beslist dat het een tandje minder mag of dat je bazen dat voor je doen. De grens tussen vrijwillig en onvrijwillig een treetje lager stappen  is dun en wordt  vrij ondoorzichtig als bezuinigingen, beoordelingsgesprekken en verandertrajecten hun invloed doen gelden. Wanneer komt het punt dat je het niet meer bij kunt benen, niet meer bij wil benen, niet meer bij mag benen? Dat ligt in elke organisatie anders. De ene doet het fluitend een stap terug, blij dat er een last van hem of haar is afgevallen, een ander ziet het als een bewijs van falen of voelt zich erg onheus behandelt. Voorheen bestond het probleem nauwelijks. Zeker in het onderwijs niet. Veel leraren haalden de 40 dienstjaren amper. Als het wel zo was stond dat in de krant. Zo rond het twee- en zestigste levensjaar hielden de meesten het voor gezien, niet zelden zelfs al eerder. Dat is nu verleden tijd. Ondanks mijn 39 dienstjaren is van hoger hand bepaald dat ik daar zeker nog ruim acht dienstjaren aan toe moet voegen voor ik met pensioen kan. 67,5 jaar is de leeftijd dat ik er officieel uit kan, voor iets jongere collega’s loopt de leeftijd nog verder op. Dat is een slechte zaak. Voor jonge leerkrachten maar ook voor deze zestigers zelf. Ik ken  veel leeftijdgenoten die de eindstreep niet gehaald hebben of dreigen deze niet te halen. Bij verzekeringsbedrijven, de belastingdienst, accountantsbedrijven, allemaal doen ze gedwongen een stap terug of erger: vliegen ze eruit. Gebutst, gekwetst, in hun zelfvertrouwen aangetast. Op weg naar vernederende cursussen van de UWV om opnieuw te leren solliciteren. Ik ben in mijn directe omgeving –als bijna zestiger-nog een van de laatste der Mohikanen die volledig werkt. Ook in het onderwijs wil men, nu het leerlingenaantal in het hele land krimpt, bij voorkeur van oudere werknemers af. Ze zijn duur, niet meer zo flexibel dat ze bij elke vernieuwing zich het vuur uit de sloffen lopen en hier en daar ook wel wat lastig met al hun ‘hoezo, waarom en hadden-we-dat-twintig-jaar-geleden-ook-al-niet’ opmerkingen.  Het punt is dat veel zestigers , al zouden ze het willen, financieel niet zomaar kunnen vertrekken. Er zijn nu generaties die tussen wal en schip vallen. De pensioenleeftijd is zo hoog is opgetrokken dat men aan de onderkant het arbeidsproces niet meer in komt en aan de bovenkant het arbeidsproces niet op een menswaardige manier uitkomt. Toen ik ooit eens door Jordanië reisde sprak ik een leraar die vertelde dat het in zijn land anders gaat: na 25 jaar lesgeven word je door de staat hartelijk bedankt  voor de dienstverlening aan het vaderland en krijg je als je dat wil een uitkering voor de rest van je arbeidzame leven. Je kunt daar dan rustig ander werk naast gaan doen. Je kunt ook blijven lesgeven. Het is al weer tien jaar geleden dat ik daar rondreisde, misschien is het ondertussen veranderd, maar het principe is navolgenswaardig en heel wat aantrekkelijker dan in dit land, waar veel  zestigers  soms tegen heug en meug hun lessen geven in een omgeving waar ze zich niet meer thuis voelen en die eigenlijk ook teveel van ze vraagt. Demotie is dus zo gek nog niet: klassenassistentie, begeleiding van hoog en meer begaafden, administratie. Maar daarvoor moeten we eerst van die nare bijklank in het woord ‘demotie ’af, of de pensioenleeftijd weer verlagen. Gewoon…zoals-we-het-twintig-jaar-geleden-ook-hadden. Hoezo, moesten we daar eigenlijk vanaf? Waarom is het zo’n treurige boel geworden nu?

vrijdag 3 juni 2016

Column. Heerlijk, lief en lastig.

Er zijn klassen die rond oktober al doorhebben binnen welke grenzen de vrijheid van hun handelen valt, waar er initiatief en zelfstandigheid verwacht wordt  en wanneer er coöperatief kan worden samengewerkt. Er zijn ook klassen die in december op dit punt aankomen en - zo heel nu en dan- zijn er klassen waarbij het nog langer duurt. Deze klas haalde maart. Zo’n twintig jaar geleden had ik een groep met wie het tot het eind toe niet lukte. Dat schooljaar eindigde onvoldaan. Er zaten teveel oncoöperatieve leerlingen in, er was teveel gedoe met meidenruzies. Het werd maar geen geheel en ik kreeg er nooit echt greep op. Een annus horribilus. Een tijdje dacht ik dat het met deze groep dezelfde kant op zou gaan. 17 jongetjes die voornamelijk met elkaar in de weer waren en een kleine groep meisjes die hun tijd voornamelijk besteedden in het met elkaar overhoop liggen. Ik betrapte mijzelf er op dat ik voor het eerst in jaren soms weer stampvoette, brieste en met de deuren sloeg. Dat viel me tegen. Had ik deze onhebbelijkheden niet al jaren geleden achter me gelaten? Was ik nou echt niet in staat om dit geduldiger en rustiger aan te pakken? Tot mijn verbazing vonden de leerlingen al deze wat kwalijke interventies helemaal niet zo erg als ik. Ze bleven maar zeggen hoe leuk ze het hier vonden terwijl het mij totaal ontging wat er dan zo leuk was. Toespraak een, dichtgeslagen deur twee, ga-maar-terug-het-lokaal-in opdracht drie? Er kwam echter geen klacht over hun lippen. Het ergste vond ik de herrie. Die onophoudelijke herrie. Zelfs als ze niets zeiden en gewoon aan het werk waren kraakten hun stoelen, piepten hun laatjes, schuifelden hun schoenen over de vloer. Elke keer als ik door het lokaal liep werd ik aangesproken. Juhuff, gaan we… mogen we…kan ik…zou u….Als ik even de klas uit ging om iemand te helpen die achter een computer aan het werk was, stond er bij terugkomst een rij bij de deur op me te wachten, zaten er drie tegelijk op het toilet en was de ruzie tussen een aantal meisjes sissend verder gegaan. Juhuff..Maartje huilt, Tyrza is boos. Sean heeft me geslagen.  Niet zelden zaten er zelfs leerlingen op hele andere plekken, zo ver hadden ze hun tafel van de ander weggeschoven. Ook als ze geen ruzie maakten raakten ze elkaar. Schmacken noemden ze het. Vooral de jongetjes konden zich hier eindeloos mee bezig houden. Ze hadden het op You Tube geleerd: je slaat elkaar steeds opnieuw zachtjes in het gezicht. Het stopt nooit en het is kennelijk erg leuk. De onrust in de groep werd mede veroorzaakt door het feit dat deze leerlingen voor het eerst in een combinatiegroep zaten en het heel moeilijk vonden om hun vragen uit te stellen en zelfstandig aan hun weekagenda te werken. Maar ineens –toen ik even niet oplette- was de strijd gestreden. Ze begrepen het. Ze konden het aan. En zo komt het dat ik nu heel rustig een instructie kan geven aan groep 7 terwijl in groep 6 iedereen wat anders doet. Sommigen maken hun rekenwerk af, anderen werken in hun spellingsboekje, Thomas schildert aandachtig een groot piratenschip, Manon schrijft aan haar boek,  Noa en Tim bereiden een spreekbeurt voor. Geen herrie, geen vragen tussendoor, rust, regelmaat en veel werkplezier. En terwijl ik tevreden om me heen kijk moet ik aan Theo Thijssen denken. Die ziener, die top-pedagoog, die meester-meester. Hij schreef: ‘m’n heerlijke, lieve, lastige stel, ik weet eigenlijk maar een ding: de jaar of wat dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben, behoren wij enkel maar een gelukkige klas te zijn. En de rest is nonsens hoor, al zal ik dat jullie nooit zeggen’. 

vrijdag 20 mei 2016

Column. Achterbank.

Ik weet het. Ik generaliseer. Er zijn lieve gewetensvolle ouders die niet in dit verhaal passen. Ouders die opvoeden serieus nemen en zichzelf wat minder, die genuanceerd over de rol van de school denken en zich heel verantwoordelijk opstellen. Over hen gaat dit niet. Dit verhaal gaat over de kinderen die in de jaren negentig op de achterbank van hun ouders overal naar toe gesleept werden en daar nooit vanaf zijn gekomen. Het zijn de dertigers, veertigers die nu zelf kinderen hebben maar nog steeds amper hobbels kunnen nemen of verantwoordelijkheid willen dragen. Ze zijn in de vaste veronderstelling dat ze overal mee geholpen zullen worden. De achterbank als permanente zitplaats. Ze stellen hun ouders nog steeds overal verantwoordelijk voor: voor de medefinanciering van hun huishouding, voor de oppas van hun kinderen en als emotioneel klankbord op momenten dat dingen niet helemaal lopen zoals verwacht. Er lopen natuurlijk vaak dingen niet zoals verwacht. Dan wordt er onmiddellijk hulp ingeschakeld. Hulp bij schuldfinanciering, hulp van de huisarts, hulp bij de opvoeding en hulp van school. Bij de besprekingen van het gedrag of de prestaties van hun kinderen op school komen niet zelden opa en oma ook mee. Het aantal hulpverleners dat er dan om tafel zit is groot. Regelmatig zit er snel zo’n man (lees vrouw) of tien. De besprekingen gaan ook vaak wat moeizaam. Vader controleert zijn mobiel en moet regelmatig ‘echt even opnemen’. Moeder zit met de armen over elkaar en is vaak wat bozig: ik zei het al in december…jullie hadden beloofd…hoe zo Kanjertraining…ik merk dat nergens aan…hoe kan het nu dat…De ene keer stormt moeder de kamer uit, de andere keer vader, soms rent oma ook weg of slaat opa met zijn vuist op tafel. De hulpverleners en leerkrachten bespreken dan onderling waar er niet goed gecommuniceerd is. Er moeten acuut protocollen bijgesteld worden. Terwijl de werkelijke oorzaak regelmatig het onvermogen van ouders betreft.  Onvermogen om het initiatief naar zich toe te trekken. Onvermogen om in te grijpen in hun eigen situatie. Ze zouden moeten vragen: wat kan ik, als ouder voor dit kind, doen? In plaats daarvan vragen ze steeds opnieuw wat  de school, de dokter, en de instanties voor hen en hun kind kunnen doen.  Vanaf de achterbank lukt het deze ouders niet om bij het stuur te komen en voor je het weet nemen leerkrachten, coaches en gedragskundigen de boel van oma en opa over. Achterbankers zijn ook verbazend snel ergens ‘klaar mee’. Vooral met hun huwelijk. Dan wordt er gescheiden. Moeder of vader krijgt met voorrang een ander huis want er zijn kinderen in het spel. Er wordt veelvuldig met bedden gesleept en vaak is er binnen een jaar een andere partner in beeld die even daarvoor ook al met kinderen en bedden heeft lopen slepen.  Mijn gymtas ligt nog bij mijn vader juf, ik heb alweer een andere kamer juf , o ja mijn moeder heeft geen uitnodiging voor een tienminutengesprek gehad. Dit gedicht werd gemaakt door een negenjarige op mijn school: Houden van elkaar/Scheiden van elkaar/Kinderen krijgen. Oef! Ik heb soms ook wel  met deze achterbankers te doen. Ze zijn beslist niet gelukkig geworden van hun opvoeding. Ze behoren  tot de eerste generatie die het financieel slechter heeft dan de vorige. Ze moeten het doen met nul-uren contracten en snoeiharde beoordelingsgesprekken. En dat terwijl ze een rozentuin beloofd is door mijn eigen generatie. Natuurlijk word je daar boos van. Alleen helpt het niet. De slachtoffers zijn hun kinderen. Het zijn kinderen die niet goed weten waar ze aan toe zijn, die flexibeler moeten zijn dan goed voor ze is, die niet leren dat problemen opgelost kunnen worden want als hun ouders maar op die achterbank blijven zitten, is er voor hen alleen nog plaats in de kofferbak.

vrijdag 29 april 2016

Column. Professioneel handelen.

Neem de woorden uitdaging, transparantie en excellentie. Voorheen waren dat mooie woorden. Ze appelleerden aan iets positiefs. Nu mogen ze thuis en op school niet meer over de vloer komen. Als ze toch proberen via een achterdeur een gesprek of vergadering binnen te sluipen dan is de kans groot dat de conversatie stokt en niet meer goed op gang komt. Ook het woord passie komt alleen nog ongeschonden over mijn lippen als het over de Mattheuspassie gaat. Al deze woorden zijn de laatste decennia binnen het onderwijs van hun wezenlijke betekenis beroofd, uitgehold en uitgesleten. Helaas heeft zich daar onlangs ook het woord kwaliteit bij gevoegd.  Het is verstrikt geraakt in een onontwarbaar kluwen met de woorden aanvliegroute en verbetertraject en over de rand gekieperd in de bodemloze put van het onderwijsjargon. Er dreigt opnieuw gevaar. Dit keer zijn de woorden professioneel handelen en persoonsvorming  aan een opmars bezig. Vooral het professioneel handelen hangt al over de rand van de put. De eerste fase is al voorbij. Dat is de fase waarin iedereen het woord confisqueert en voor zijn karretje spant om de ander op uiterst onprofessionele wijze mee ondersteboven te rijden. In deze fase sommeert de ene partij de andere dat cursus een, scholing twee, alsmede verbetertraject  drie onmiddellijk noodzakelijk zijn om het professionele handelen op hoger niveau te tillen. Verbeter het onderwijs, begin in de observatiestoel. En dat terwijl er op dit moment geen overeenstemming is over de betekenis van dit begrip. Als het gaat om wat Jelmer Evers op zijn blog schrijft, kan ik er mee leven. Hij schrijft: ‘het draait hierbij om de individuele leraar die openstaat voor verbetering, korte termijndoelen kan realiseren, op de hoogte is van de nieuwste ontwikkelingen, collegiaal kan samenwerken en in staat is om het eigen handelen te plaatsen in relatie tot een overkoepelende bedoeling van onderwijs’. Maar als het gaat om het aanspreken van elkaar als afspraken niet nagekomen worden, dan zie ik een mini-hellepoel ontstaan waarin mensen elkaar de maat nemen met een hoog kijk-naar-je-zelluf gehalte. Het steeds opnieuw creëren van nieuwe begrippen in het onderwijs en de daarop volgende uitholling van de betekenis van die woorden is een teken dat deze begrippen vaak niet voortkomen uit  voortschrijdende inzichten en een intrinsieke wil om zo goed mogelijk les te geven. Nee, het is veel eerder een teken dat veel verdienmodellen gebaseerd zijn op het in stand houden van een gevoel van constant falen. Instanties die aan onderwijs verdienen zijn niet gebaat bij het vriendelijk onder de aandacht brengen van hun -al dan niet zelf bedachte- waar, niet gebaat bij maatwerk, niet bij een tevreden status quo. Daarom handelen deze instanties in schuld, in het gevoel dat je tekort schiet en dat je daardoor de leerlingen tekort doet. Om die reden doen we al jaren niets anders dan amechtig rond hollen. Is  eindelijk het klasse management volgens de modernste richtlijnen ingericht maalt er plotseling geen hond meer om of volgen er nieuwe richtlijnen. Lever je na een enorme krachtsinspanning  maatwerk voor de leerlingen, krijg je om je oren dat leerlingen op deze wijze weer teveel in hokjes geplaatst worden. Dit is het beroep van de eeuwig klinkende verwijten. Er is een woord dat ik graag voor de aantrekkingskracht van de put zou willen sparen. Dat woord is eigenaarschap. Zonder dwang of een teveel aan controle. Maar het is al te laat, vrees ik..

vrijdag 15 april 2016

Column. Zo'n soort dag.

Als ik aan het eind van de ochtend  met mijn leerlingen mee naar beneden loop om snel iets op te halen bij het kopieerapparaat zie ik bij terugkomst dat mijn lokaal verre van leeg is. Er staat een hele optocht voor mijn bureau. Ik wring me door de menigte en vraag wat er is. Het blijkt dat ze niet allemaal voor hetzelfde komen. Sarah, Noa en Nienke komen me melden dat Maartje weer eens gepest wordt. Ze kijken er zo nobel bij dat ik argwaan krijg. De hele wereld schijnt altijd precies te weten wie de slachtoffers, de daders en de meelopers zijn bij pesten maar ik tob altijd heel wat af om de precieze gebeurtenissen te achterhalen en te duiden. Ook nu. Als ze uitgepraat zijn lijkt het verhaal mij meer een voorbeeld van ‘laten wij het als eerste melden bij de baas dan staan zij er meteen mooi gekleurd op’. Ik noteer de gebeurtenis en zeg een vervolgonderzoek toe. Thomas en Tim schuiven een plaats naar voren. We willen niet meer bij Sean en Jordi zitten want ze fluisteren steeds met elkaar, wij kunnen zo niet werken juf. Ik kijk ze sprakeloos aan. Dan herneem ik me. Jullie kunnen zo niet werken, herhaal ik. Nou ja, we fluisteren zelf ook wel eens, grinniken ze. Zei  je nou fluisteren, onderbreek ik, terwijl ik mijn twee meest beweeglijke jongetjes aan kijk. Ze grijnzen. Praten dan, verbetert Tim. Ik zal erover nadenken, zeg ik. Ze knikken. De moeder van Jason schuift een plekje op. Ze vraagt hoe het nou zit met het onderzoek van haar zoon. Het is een terechte vraag. Het onderzoek schiet maar niet op. Het moet kennelijk eerst over twintig schijven en raakt om die reden steeds onherroepelijk zoek. Ik klaag met haar mee. Maar voor dat soort steun komt ze natuurlijk niet. Als ze weg gaat zoek ik snel mijn boterhammen. De pauze is bijna voorbij. Net als ik de eerste hap wil nemen, stormt de zus van Achmed naar binnen. Ik wil graag het telefoonnummer van de ouders van Lucca, hijgt ze, ik ben het namelijk helemaal zat. Voordat ik weet wat ze helemaal zat is zijn er weer tien minuten voorbij. De bel gaat. Het is zo’n soort dag. Zo’n dag waarop het er kennelijk niets toe doet dat je eigenlijk voor het geven van taal- en rekenlessen ingehuurd bent. Zo’n dag waarop de sterren achterstevoren staan en de maan onthutsend vol aan de hemel prijkt. Als de leerlingen allemaal binnen zijn, begin ik dan ook maar meteen met het akkefietje rond Maartje. En ja hoor. Maartje heeft ook zelf flink met benzine lopen sjouwen toen het vuurtje oplaaide. Het duurt echter lang voor iedereen zich coöperatief opstelt en ondertussen zie ik vanuit mijn ooghoek dat Thomas en Tim al vast een voorschot nemen op een eventueel besluit van mijn kant en hun tafel wegschuiven van de rest. Er is alleen niet voldoende ruimte op hun nieuwe plaats zodat Achmed en Steef -die zich nu ingesloten weten-  flink met hun tafel aan het duwen zijn. Net als ik in wil grijpen om duidelijk te maken wie hier nu eigenlijk de baas is, gaat de deur open en verschijnen er drie allerschattigste kleuters in de deuropening met een traktatie. Aaaaaah, roept de klas, wat lieffff! Ik moet enorm schakelen maar het lukt. Ik feliciteer, teken een bloemetje en neem de een stukje zeebanket in ontvangst. Als eindelijk de rust is weergekeerd, zijg ik achter mijn bureau neer en stop stiekem het zeebanket in mijn mond. Zo, dat heb ik wel verdiend. Dan gaat de deur open en komt de conciërge binnen. Sorry hoor, telefoon! Het is dringend. Ik kauw als een gek en loop naar de gang. Maar het is niet dringend. Natuurlijk niet.

vrijdag 1 april 2016

Column. Sluipmoordenaar.

De herrijzenis van de directe instructie is een zegen. Het slaat veel vliegen in een klap. Directe instructie is namelijk onze core business. Dat is het altijd geweest. Alleen leerkrachten die les geven aan getalenteerde leerlingen en ideologen die om geloofsredenen liever niet zien wat pal voor hun neus ligt gaan uit van het (veelal niet bestaande) vermogen van kinderen om alles tegelijk en het liefst door elkaar heen uitgelegd en verwerkt te krijgen. Directe instructie is niets anders dan klassikaal onderwijs in een nieuw jasje. Het is interactiever, coöperatiever en houdt meer rekening met verschillen maar de hoofdzaak is: de leraar doet voor, de leerling doet na en vervolgens wordt er een beperkt gedeelte veelvuldig ingeoefend. Vooral dat beperkte gedeelte stemt mij tot vreugde. Ik werd soms zoooo moedeloos van al die realistische rekenmethodes die de lastigste zaken lukraak aanboden, lukraak inoefenden en met de snelheid van het licht toetsten om het vervolgens pas maanden later weer opnieuw aan de orde te stellen. Niet zelden bonkte ik van frustratie met het hoofd tegen het bord als bleek dat in de allereerste rekenles ‘lenen bij de buren’ ook meteen een nul opdook. Er valt helemaal niks te lenen juf, klonk het dan gefrustreerd. Veel sommen hebben meer met begrijpend lezen te maken dan met rekenen en delen is in een realistisch rekenmethode je reinste siphysus arbeid. Veel van mijn leerlingen kunnen die grote stappen maar niet onder de knie krijgen. Dus houden ze het veilig en trekken  er steeds tien keer eraf, en dan nog eens tien keer, en dan nog eens…op deze wijze kan de staart onder aan de deelsom al snel een halve meter lang worden, kijk daar gaat-ie het uitrekenblaadje af, de tafel op, de tafel af, de hoek om. Ergens halverwege wordt een aftrekfout gemaakt.. oeps..  de som komt niet uit juf..snik..ik kan dit niet! Directe instructie maakt een eind aan deze wanhoop. Directe instructie is de sluipmoordenaar van het realistische rekenonderwijs. Het is simpelweg niet effectief om alle rekenproblemen die in een taak aan de orde komen  ook in de directe instructie van die dag terug te laten komen. Er moeten keuzes gemaakt worden. Het gevaar van die keuze is wel dat je de methodetoets als uitgangspunt neemt en van daaruit je rekenaanbod samenstelt…teaching to the test.. maar dat nadeel valt in het niet bij de voordelen die het oplevert: gestructureerd rekenonderwijs, zicht op uitval, oefenen, oefenen, oefenen. En wat mooier is: succeservaringen. Mijn leerlingen vinden rekenen leuk sinds de directe instructie opnieuw zijn intrede deed. Maar zoals zo vaak in het leven: hier win je wat, daar verlies je wat…nu het rekenonderwijs overzichtelijker wordt, wordt het taalonderwijs ingewikkelder. Zo wordt in de taalmethode in groep 4 al het bijvoeglijk naamwoord aangeleerd. Ik ben erg voor uitbreiding van de woordenschat maar het woord ‘bijvoeglijk’ in groep 4 is lariekoek. Dat kan nooit betekenisvol zijn. Het oefenen van zelfstandige naamwoorden in groep 5 is geen probleem maar laat alsjeblieft minder concrete woorden als bijvoorbeeld  ‘de liefde’ en ‘de situatie’  nog even buiten beschouwing. De gekte neemt echter in groep 7 en 8 een hoge vlucht. Het wemelt er van de werkwoordelijke gezegdes, voorzetseluitdrukkingen, bezittelijke voornaamwoorden, zelfstandige werkwoorden, persoonlijke voornaamwoorden met als dieptepunt het omzetten van de bedrijvende zin in de lijdende zin. Waarom, waartoe, waarheen? In groep 7 is het bijvoorbeeld al lastig genoeg om de persoonsvorm ( is nooit een persoon, ga er maar aanstaan met je instructie), het onderwerp, het gezegde, alsmede de voorzetsels, zelfstandige naamwoorden, lidwoorden en hooguit het lijdend voorwerp aan de orde te stellen. Daar heeft iedere leerkracht zijn handen al aan vol. Maar waarom zouden we het in het onderwijs makkelijk maken als het ook moeilijk kan? Gelukkig kan ik de directe instructie ook als sluipmoordenaar inzetten voor deze overdaad.