vrijdag 3 juni 2016

Column. Heerlijk, lief en lastig.

Er zijn klassen die rond oktober al doorhebben binnen welke grenzen de vrijheid van hun handelen valt, waar er initiatief en zelfstandigheid verwacht wordt  en wanneer er coöperatief kan worden samengewerkt. Er zijn ook klassen die in december op dit punt aankomen en - zo heel nu en dan- zijn er klassen waarbij het nog langer duurt. Deze klas haalde maart. Zo’n twintig jaar geleden had ik een groep met wie het tot het eind toe niet lukte. Dat schooljaar eindigde onvoldaan. Er zaten teveel oncoöperatieve leerlingen in, er was teveel gedoe met meidenruzies. Het werd maar geen geheel en ik kreeg er nooit echt greep op. Een annus horribilus. Een tijdje dacht ik dat het met deze groep dezelfde kant op zou gaan. 17 jongetjes die voornamelijk met elkaar in de weer waren en een kleine groep meisjes die hun tijd voornamelijk besteedden in het met elkaar overhoop liggen. Ik betrapte mijzelf er op dat ik voor het eerst in jaren soms weer stampvoette, brieste en met de deuren sloeg. Dat viel me tegen. Had ik deze onhebbelijkheden niet al jaren geleden achter me gelaten? Was ik nou echt niet in staat om dit geduldiger en rustiger aan te pakken? Tot mijn verbazing vonden de leerlingen al deze wat kwalijke interventies helemaal niet zo erg als ik. Ze bleven maar zeggen hoe leuk ze het hier vonden terwijl het mij totaal ontging wat er dan zo leuk was. Toespraak een, dichtgeslagen deur twee, ga-maar-terug-het-lokaal-in opdracht drie? Er kwam echter geen klacht over hun lippen. Het ergste vond ik de herrie. Die onophoudelijke herrie. Zelfs als ze niets zeiden en gewoon aan het werk waren kraakten hun stoelen, piepten hun laatjes, schuifelden hun schoenen over de vloer. Elke keer als ik door het lokaal liep werd ik aangesproken. Juhuff, gaan we… mogen we…kan ik…zou u….Als ik even de klas uit ging om iemand te helpen die achter een computer aan het werk was, stond er bij terugkomst een rij bij de deur op me te wachten, zaten er drie tegelijk op het toilet en was de ruzie tussen een aantal meisjes sissend verder gegaan. Juhuff..Maartje huilt, Tyrza is boos. Sean heeft me geslagen.  Niet zelden zaten er zelfs leerlingen op hele andere plekken, zo ver hadden ze hun tafel van de ander weggeschoven. Ook als ze geen ruzie maakten raakten ze elkaar. Schmacken noemden ze het. Vooral de jongetjes konden zich hier eindeloos mee bezig houden. Ze hadden het op You Tube geleerd: je slaat elkaar steeds opnieuw zachtjes in het gezicht. Het stopt nooit en het is kennelijk erg leuk. De onrust in de groep werd mede veroorzaakt door het feit dat deze leerlingen voor het eerst in een combinatiegroep zaten en het heel moeilijk vonden om hun vragen uit te stellen en zelfstandig aan hun weekagenda te werken. Maar ineens –toen ik even niet oplette- was de strijd gestreden. Ze begrepen het. Ze konden het aan. En zo komt het dat ik nu heel rustig een instructie kan geven aan groep 7 terwijl in groep 6 iedereen wat anders doet. Sommigen maken hun rekenwerk af, anderen werken in hun spellingsboekje, Thomas schildert aandachtig een groot piratenschip, Manon schrijft aan haar boek,  Noa en Tim bereiden een spreekbeurt voor. Geen herrie, geen vragen tussendoor, rust, regelmaat en veel werkplezier. En terwijl ik tevreden om me heen kijk moet ik aan Theo Thijssen denken. Die ziener, die top-pedagoog, die meester-meester. Hij schreef: ‘m’n heerlijke, lieve, lastige stel, ik weet eigenlijk maar een ding: de jaar of wat dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben, behoren wij enkel maar een gelukkige klas te zijn. En de rest is nonsens hoor, al zal ik dat jullie nooit zeggen’. 

vrijdag 20 mei 2016

Column. Achterbank.

Ik weet het. Ik generaliseer. Er zijn lieve gewetensvolle ouders die niet in dit verhaal passen. Ouders die opvoeden serieus nemen en zichzelf wat minder, die genuanceerd over de rol van de school denken en zich heel verantwoordelijk opstellen. Over hen gaat dit niet. Dit verhaal gaat over de kinderen die in de jaren negentig op de achterbank van hun ouders overal naar toe gesleept werden en daar nooit vanaf zijn gekomen. Het zijn de dertigers, veertigers die nu zelf kinderen hebben maar nog steeds amper hobbels kunnen nemen of verantwoordelijkheid willen dragen. Ze zijn in de vaste veronderstelling dat ze overal mee geholpen zullen worden. De achterbank als permanente zitplaats. Ze stellen hun ouders nog steeds overal verantwoordelijk voor: voor de medefinanciering van hun huishouding, voor de oppas van hun kinderen en als emotioneel klankbord op momenten dat dingen niet helemaal lopen zoals verwacht. Er lopen natuurlijk vaak dingen niet zoals verwacht. Dan wordt er onmiddellijk hulp ingeschakeld. Hulp bij schuldfinanciering, hulp van de huisarts, hulp bij de opvoeding en hulp van school. Bij de besprekingen van het gedrag of de prestaties van hun kinderen op school komen niet zelden opa en oma ook mee. Het aantal hulpverleners dat er dan om tafel zit is groot. Regelmatig zit er snel zo’n man (lees vrouw) of tien. De besprekingen gaan ook vaak wat moeizaam. Vader controleert zijn mobiel en moet regelmatig ‘echt even opnemen’. Moeder zit met de armen over elkaar en is vaak wat bozig: ik zei het al in december…jullie hadden beloofd…hoe zo Kanjertraining…ik merk dat nergens aan…hoe kan het nu dat…De ene keer stormt moeder de kamer uit, de andere keer vader, soms rent oma ook weg of slaat opa met zijn vuist op tafel. De hulpverleners en leerkrachten bespreken dan onderling waar er niet goed gecommuniceerd is. Er moeten acuut protocollen bijgesteld worden. Terwijl de werkelijke oorzaak regelmatig het onvermogen van ouders betreft.  Onvermogen om het initiatief naar zich toe te trekken. Onvermogen om in te grijpen in hun eigen situatie. Ze zouden moeten vragen: wat kan ik, als ouder voor dit kind, doen? In plaats daarvan vragen ze steeds opnieuw wat  de school, de dokter, en de instanties voor hen en hun kind kunnen doen.  Vanaf de achterbank lukt het deze ouders niet om bij het stuur te komen en voor je het weet nemen leerkrachten, coaches en gedragskundigen de boel van oma en opa over. Achterbankers zijn ook verbazend snel ergens ‘klaar mee’. Vooral met hun huwelijk. Dan wordt er gescheiden. Moeder of vader krijgt met voorrang een ander huis want er zijn kinderen in het spel. Er wordt veelvuldig met bedden gesleept en vaak is er binnen een jaar een andere partner in beeld die even daarvoor ook al met kinderen en bedden heeft lopen slepen.  Mijn gymtas ligt nog bij mijn vader juf, ik heb alweer een andere kamer juf , o ja mijn moeder heeft geen uitnodiging voor een tienminutengesprek gehad. Dit gedicht werd gemaakt door een negenjarige op mijn school: Houden van elkaar/Scheiden van elkaar/Kinderen krijgen. Oef! Ik heb soms ook wel  met deze achterbankers te doen. Ze zijn beslist niet gelukkig geworden van hun opvoeding. Ze behoren  tot de eerste generatie die het financieel slechter heeft dan de vorige. Ze moeten het doen met nul-uren contracten en snoeiharde beoordelingsgesprekken. En dat terwijl ze een rozentuin beloofd is door mijn eigen generatie. Natuurlijk word je daar boos van. Alleen helpt het niet. De slachtoffers zijn hun kinderen. Het zijn kinderen die niet goed weten waar ze aan toe zijn, die flexibeler moeten zijn dan goed voor ze is, die niet leren dat problemen opgelost kunnen worden want als hun ouders maar op die achterbank blijven zitten, is er voor hen alleen nog plaats in de kofferbak.

vrijdag 29 april 2016

Column. Professioneel handelen.

Neem de woorden uitdaging, transparantie en excellentie. Voorheen waren dat mooie woorden. Ze appelleerden aan iets positiefs. Nu mogen ze thuis en op school niet meer over de vloer komen. Als ze toch proberen via een achterdeur een gesprek of vergadering binnen te sluipen dan is de kans groot dat de conversatie stokt en niet meer goed op gang komt. Ook het woord passie komt alleen nog ongeschonden over mijn lippen als het over de Mattheuspassie gaat. Al deze woorden zijn de laatste decennia binnen het onderwijs van hun wezenlijke betekenis beroofd, uitgehold en uitgesleten. Helaas heeft zich daar onlangs ook het woord kwaliteit bij gevoegd.  Het is verstrikt geraakt in een onontwarbaar kluwen met de woorden aanvliegroute en verbetertraject en over de rand gekieperd in de bodemloze put van het onderwijsjargon. Er dreigt opnieuw gevaar. Dit keer zijn de woorden professioneel handelen en persoonsvorming  aan een opmars bezig. Vooral het professioneel handelen hangt al over de rand van de put. De eerste fase is al voorbij. Dat is de fase waarin iedereen het woord confisqueert en voor zijn karretje spant om de ander op uiterst onprofessionele wijze mee ondersteboven te rijden. In deze fase sommeert de ene partij de andere dat cursus een, scholing twee, alsmede verbetertraject  drie onmiddellijk noodzakelijk zijn om het professionele handelen op hoger niveau te tillen. Verbeter het onderwijs, begin in de observatiestoel. En dat terwijl er op dit moment geen overeenstemming is over de betekenis van dit begrip. Als het gaat om wat Jelmer Evers op zijn blog schrijft, kan ik er mee leven. Hij schrijft: ‘het draait hierbij om de individuele leraar die openstaat voor verbetering, korte termijndoelen kan realiseren, op de hoogte is van de nieuwste ontwikkelingen, collegiaal kan samenwerken en in staat is om het eigen handelen te plaatsen in relatie tot een overkoepelende bedoeling van onderwijs’. Maar als het gaat om het aanspreken van elkaar als afspraken niet nagekomen worden, dan zie ik een mini-hellepoel ontstaan waarin mensen elkaar de maat nemen met een hoog kijk-naar-je-zelluf gehalte. Het steeds opnieuw creëren van nieuwe begrippen in het onderwijs en de daarop volgende uitholling van de betekenis van die woorden is een teken dat deze begrippen vaak niet voortkomen uit  voortschrijdende inzichten en een intrinsieke wil om zo goed mogelijk les te geven. Nee, het is veel eerder een teken dat veel verdienmodellen gebaseerd zijn op het in stand houden van een gevoel van constant falen. Instanties die aan onderwijs verdienen zijn niet gebaat bij het vriendelijk onder de aandacht brengen van hun -al dan niet zelf bedachte- waar, niet gebaat bij maatwerk, niet bij een tevreden status quo. Daarom handelen deze instanties in schuld, in het gevoel dat je tekort schiet en dat je daardoor de leerlingen tekort doet. Om die reden doen we al jaren niets anders dan amechtig rond hollen. Is  eindelijk het klasse management volgens de modernste richtlijnen ingericht maalt er plotseling geen hond meer om of volgen er nieuwe richtlijnen. Lever je na een enorme krachtsinspanning  maatwerk voor de leerlingen, krijg je om je oren dat leerlingen op deze wijze weer teveel in hokjes geplaatst worden. Dit is het beroep van de eeuwig klinkende verwijten. Er is een woord dat ik graag voor de aantrekkingskracht van de put zou willen sparen. Dat woord is eigenaarschap. Zonder dwang of een teveel aan controle. Maar het is al te laat, vrees ik..

vrijdag 15 april 2016

Column. Zo'n soort dag.

Als ik aan het eind van de ochtend  met mijn leerlingen mee naar beneden loop om snel iets op te halen bij het kopieerapparaat zie ik bij terugkomst dat mijn lokaal verre van leeg is. Er staat een hele optocht voor mijn bureau. Ik wring me door de menigte en vraag wat er is. Het blijkt dat ze niet allemaal voor hetzelfde komen. Sarah, Noa en Nienke komen me melden dat Maartje weer eens gepest wordt. Ze kijken er zo nobel bij dat ik argwaan krijg. De hele wereld schijnt altijd precies te weten wie de slachtoffers, de daders en de meelopers zijn bij pesten maar ik tob altijd heel wat af om de precieze gebeurtenissen te achterhalen en te duiden. Ook nu. Als ze uitgepraat zijn lijkt het verhaal mij meer een voorbeeld van ‘laten wij het als eerste melden bij de baas dan staan zij er meteen mooi gekleurd op’. Ik noteer de gebeurtenis en zeg een vervolgonderzoek toe. Thomas en Tim schuiven een plaats naar voren. We willen niet meer bij Sean en Jordi zitten want ze fluisteren steeds met elkaar, wij kunnen zo niet werken juf. Ik kijk ze sprakeloos aan. Dan herneem ik me. Jullie kunnen zo niet werken, herhaal ik. Nou ja, we fluisteren zelf ook wel eens, grinniken ze. Zei  je nou fluisteren, onderbreek ik, terwijl ik mijn twee meest beweeglijke jongetjes aan kijk. Ze grijnzen. Praten dan, verbetert Tim. Ik zal erover nadenken, zeg ik. Ze knikken. De moeder van Jason schuift een plekje op. Ze vraagt hoe het nou zit met het onderzoek van haar zoon. Het is een terechte vraag. Het onderzoek schiet maar niet op. Het moet kennelijk eerst over twintig schijven en raakt om die reden steeds onherroepelijk zoek. Ik klaag met haar mee. Maar voor dat soort steun komt ze natuurlijk niet. Als ze weg gaat zoek ik snel mijn boterhammen. De pauze is bijna voorbij. Net als ik de eerste hap wil nemen, stormt de zus van Achmed naar binnen. Ik wil graag het telefoonnummer van de ouders van Lucca, hijgt ze, ik ben het namelijk helemaal zat. Voordat ik weet wat ze helemaal zat is zijn er weer tien minuten voorbij. De bel gaat. Het is zo’n soort dag. Zo’n dag waarop het er kennelijk niets toe doet dat je eigenlijk voor het geven van taal- en rekenlessen ingehuurd bent. Zo’n dag waarop de sterren achterstevoren staan en de maan onthutsend vol aan de hemel prijkt. Als de leerlingen allemaal binnen zijn, begin ik dan ook maar meteen met het akkefietje rond Maartje. En ja hoor. Maartje heeft ook zelf flink met benzine lopen sjouwen toen het vuurtje oplaaide. Het duurt echter lang voor iedereen zich coöperatief opstelt en ondertussen zie ik vanuit mijn ooghoek dat Thomas en Tim al vast een voorschot nemen op een eventueel besluit van mijn kant en hun tafel wegschuiven van de rest. Er is alleen niet voldoende ruimte op hun nieuwe plaats zodat Achmed en Steef -die zich nu ingesloten weten-  flink met hun tafel aan het duwen zijn. Net als ik in wil grijpen om duidelijk te maken wie hier nu eigenlijk de baas is, gaat de deur open en verschijnen er drie allerschattigste kleuters in de deuropening met een traktatie. Aaaaaah, roept de klas, wat lieffff! Ik moet enorm schakelen maar het lukt. Ik feliciteer, teken een bloemetje en neem de een stukje zeebanket in ontvangst. Als eindelijk de rust is weergekeerd, zijg ik achter mijn bureau neer en stop stiekem het zeebanket in mijn mond. Zo, dat heb ik wel verdiend. Dan gaat de deur open en komt de conciërge binnen. Sorry hoor, telefoon! Het is dringend. Ik kauw als een gek en loop naar de gang. Maar het is niet dringend. Natuurlijk niet.

vrijdag 1 april 2016

Column. Sluipmoordenaar.

De herrijzenis van de directe instructie is een zegen. Het slaat veel vliegen in een klap. Directe instructie is namelijk onze core business. Dat is het altijd geweest. Alleen leerkrachten die les geven aan getalenteerde leerlingen en ideologen die om geloofsredenen liever niet zien wat pal voor hun neus ligt gaan uit van het (veelal niet bestaande) vermogen van kinderen om alles tegelijk en het liefst door elkaar heen uitgelegd en verwerkt te krijgen. Directe instructie is niets anders dan klassikaal onderwijs in een nieuw jasje. Het is interactiever, coöperatiever en houdt meer rekening met verschillen maar de hoofdzaak is: de leraar doet voor, de leerling doet na en vervolgens wordt er een beperkt gedeelte veelvuldig ingeoefend. Vooral dat beperkte gedeelte stemt mij tot vreugde. Ik werd soms zoooo moedeloos van al die realistische rekenmethodes die de lastigste zaken lukraak aanboden, lukraak inoefenden en met de snelheid van het licht toetsten om het vervolgens pas maanden later weer opnieuw aan de orde te stellen. Niet zelden bonkte ik van frustratie met het hoofd tegen het bord als bleek dat in de allereerste rekenles ‘lenen bij de buren’ ook meteen een nul opdook. Er valt helemaal niks te lenen juf, klonk het dan gefrustreerd. Veel sommen hebben meer met begrijpend lezen te maken dan met rekenen en delen is in een realistisch rekenmethode je reinste siphysus arbeid. Veel van mijn leerlingen kunnen die grote stappen maar niet onder de knie krijgen. Dus houden ze het veilig en trekken  er steeds tien keer eraf, en dan nog eens tien keer, en dan nog eens…op deze wijze kan de staart onder aan de deelsom al snel een halve meter lang worden, kijk daar gaat-ie het uitrekenblaadje af, de tafel op, de tafel af, de hoek om. Ergens halverwege wordt een aftrekfout gemaakt.. oeps..  de som komt niet uit juf..snik..ik kan dit niet! Directe instructie maakt een eind aan deze wanhoop. Directe instructie is de sluipmoordenaar van het realistische rekenonderwijs. Het is simpelweg niet effectief om alle rekenproblemen die in een taak aan de orde komen  ook in de directe instructie van die dag terug te laten komen. Er moeten keuzes gemaakt worden. Het gevaar van die keuze is wel dat je de methodetoets als uitgangspunt neemt en van daaruit je rekenaanbod samenstelt…teaching to the test.. maar dat nadeel valt in het niet bij de voordelen die het oplevert: gestructureerd rekenonderwijs, zicht op uitval, oefenen, oefenen, oefenen. En wat mooier is: succeservaringen. Mijn leerlingen vinden rekenen leuk sinds de directe instructie opnieuw zijn intrede deed. Maar zoals zo vaak in het leven: hier win je wat, daar verlies je wat…nu het rekenonderwijs overzichtelijker wordt, wordt het taalonderwijs ingewikkelder. Zo wordt in de taalmethode in groep 4 al het bijvoeglijk naamwoord aangeleerd. Ik ben erg voor uitbreiding van de woordenschat maar het woord ‘bijvoeglijk’ in groep 4 is lariekoek. Dat kan nooit betekenisvol zijn. Het oefenen van zelfstandige naamwoorden in groep 5 is geen probleem maar laat alsjeblieft minder concrete woorden als bijvoorbeeld  ‘de liefde’ en ‘de situatie’  nog even buiten beschouwing. De gekte neemt echter in groep 7 en 8 een hoge vlucht. Het wemelt er van de werkwoordelijke gezegdes, voorzetseluitdrukkingen, bezittelijke voornaamwoorden, zelfstandige werkwoorden, persoonlijke voornaamwoorden met als dieptepunt het omzetten van de bedrijvende zin in de lijdende zin. Waarom, waartoe, waarheen? In groep 7 is het bijvoorbeeld al lastig genoeg om de persoonsvorm ( is nooit een persoon, ga er maar aanstaan met je instructie), het onderwerp, het gezegde, alsmede de voorzetsels, zelfstandige naamwoorden, lidwoorden en hooguit het lijdend voorwerp aan de orde te stellen. Daar heeft iedere leerkracht zijn handen al aan vol. Maar waarom zouden we het in het onderwijs makkelijk maken als het ook moeilijk kan? Gelukkig kan ik de directe instructie ook als sluipmoordenaar inzetten voor deze overdaad.

vrijdag 18 maart 2016

Column. Rug

Het was een wat onsmakelijk beeld dat Rene Kneyber, lid van de Onderwijsraad, auteur en columnist schetste van de beroepsgroep. Plotseling lagen er in grote getale juffen op hun rug. Het is gemakzucht, schrijft Kneyber in Trouw, zeg tegen een juf ‘het moet van de inspectie’ en ze gaat gehoorzaam op haar rug liggen. Even daarvoor waren deze juffen nog als sadistisch weggezet omdat ze leerlingen citoscores mee naar huis gaven. Een sadistische, op haar rug liggende, juf. Ik ben als juf wel vaker in de hoek gezet maar met dit beeld is toch weer een nieuwe dimensie toegevoegd. Kneyber timmert veel aan de weg in onderwijsland. We moeten nee leren zeggen, betoogt hij  en ondertussen het systeem ‘flippen’. Dan wordt het vanzelf beter in het onderwijs. Nou van mij mag het systeem  best op de schop. Al dat vergelijken van leerlingen is veel te veel doorgeschoten.  Maar waarom toch dit on-damesachtige beeld van al die omgekukelde juffen? In de reacties die onder de column in Trouw stonden kwam zelfs het woord ‘uilskuikens’ voorbij. Pfff. Het is van een ongekend simplisme de verantwoordelijkheid om de uitwassen van opbrengstgericht onderwijs  te bestrijden in handen van de uitvoerders te leggen. Laten we eens kijken tegen wie al die juffen dan nee moeten zeggen tussen alle lessen, rapportbesprekingen, tienminutengesprekken , scholingen en vergaderingen door. Neem de inspectie…nee zeggen tegen de inspectie…serieus? Neem dan Passend Onderwijs. Er komen steeds nieuwe directieven de school binnen. Iets wat eenvoudig begon en beslist noodzakelijk was, namelijk het zicht krijgen op de ontwikkelingen van leerlingen, is langzaam maar zeker ontaard in een papieren moloch waarbij wantrouwen en ambtelijke bedilzucht het leidend principe is en niet de effectiviteit. Nee, zeggen is echter vooral vervelend voor de IB-er. Neem het Cito. Een bedrijf met winstoogmerk. Een van de vele instanties die onderwijs als verdienmodel zien. Als men van hogerhand besluit om de opbrengsten te meten dan moet je niet verbaasd zijn dat er steeds meer toetsen op de markt worden gebracht. Je kunt je daar als school of als individuele leerkracht niet zomaar aan onttrekken. Die discussie moet door de hele organisatie gevoerd worden. Of kijk eens naar al die ongevraagde teamscholingen. Ze slurpen veel tijd en energie. Maar denkt Kneyber echt dat ik er mee weg kom als ik zeg: Nu Even Niet! En dan hebben we nog de ouders van onze leerlingen. Zie ons daar met gebogen hoofden over de laatste  oranje en rood gekleurde LVS-scores zitten. Als ouders mij vragen wat eraan gedaan kan worden –zucht- moet ik dan zeggen: ach mevrouw, mijnheer... ik weet dat iedereen het belangrijk vindt maar ik niet hoor. Ik zwem in mijn dooie eentje tegen de stroom in. Ik flip hier het systeem. De vraag is waar je als uilskuiken de grens trekt. En hoe doe je dat met een heel team uilskuikens? Je zult toch echt leidinggevenden mee moeten zien te krijgen. Voor je het weet ben je werkonwillig. Hoe zorg je dat andere scholen ook mee doen( nemen jullie Passend Onderwijs, dan  gaan wij met de toetsgekte van het Cito aan de slag). Zolang de Cito- eindscores van scholen in kranten verschijnen, zolang besturen, adviseurs en afnemers steeds nieuwe eisen formuleren om de opbrengsten te verbeteren, zolang zal de werkvloer zich alle kanten op laten sturen. Ik weet het: we moeten niet zeuren (zegt de staatsecretaris), niet alles gemakzuchtig uitvoeren (zegt de columnist) en de meeste maatregelen subiet uitvoeren( zeggen onze bazen). Is het gek dat we omvallen als we in zo’n spagaat liggen? Maar niet getreurd, ik sta al weer. En wel met mijn handen in de zij: hoor eens allemaal. Ik ben een prima juf. Ik ben het beste dat jullie verdorie krijgen kunnen. 

zaterdag 5 maart 2016

Column. Vrouwe Justitia

Is dit het hele verhaal, vraag ik aan de verontwaardigde leerlingen die voor me staan, ik bedoel…heb je niet iets overgeslagen over je eigen rol? Doorgaans weet ik daarna genoeg. Als er even geaarzeld wordt is het verhaal complexer, als er verbeten met het hoofd geschud wordt  is de kans groot dat de gebeurtenissen juist zijn beschreven. Al blijft het altijd oppassen. Er moet heel wat uit gerechercheerd worden in het leven van een schooljuf.  Vandaag zit ik in mijn rol als Vrouwe Justitia tegenover Jason. Ik heb hem meegenomen naar een kantoortje teneinde hem te (ver)horen over zijn rol in de zaak van de verdwenen voetbalplaatjes.  Deze plaatjes waren op wonderbaarlijke wijze vanuit de onbewaakte verzamelmap van Martijn verplaatst  naar de verzamelmap van Boris. Boris had desgevraagd verteld dat hij ze eerlijk met Jason had geruild. Vertel het maar jongen, zeg ik, terwijl ik mijn stem laat zakken.  Ze lagen zomaar onderin mijn tas, antwoordt  de verdachte. Dat is wel heel toevallig he, brom ik. Ja, knikt Jason, het is wel toevallig. En je dacht niet: laat ik eens uitzoeken van wie ze zijn, vervolg ik. Jason schudt zijn hoofd. Goed, zeg ik, dan stel ik de vraag anders: toen je die plaatjes uit de map van Martijn pakte ben je er meteen mee naar Boris gegaan, waarom eigenlijk? Jason tuint er met open ogen in. Ik wist dat hij ze nog niet had. Dus kon ik ruilen, antwoordt hij.  Ik laat een stilte vallen. Jason realiseert zich wat er zojuist gebeurd is en slaat zijn ogen neer. Sorry, piept hij, sorry hoor. Deze CSI- tactiek werkt helaas niet als ik probeer te achterhalen wat er toch aan de hand is bij de veenbrand die woedt tussen een aantal meisjes uit mijn klas en een aantal meisjes uit een andere groep.  De gebeurtenissen zijn op het schoolplein, bij de kapstokken en op de sociale media zo vaak herkauwd, aangevuld en omgedraaid dat iedereen wel ergens door beledigd is geraakt. Het probleem begint al met de vraag wie er nu eigenlijk bij betrokken zijn. Ja, Denise hoort er eigenlijk ook bij, roept de een,  en Tonia ook, roept een ander. Nee, niet Tonia. Tonia heeft niks gedaan! Susan wordt weer teruggestuurd, Serena opgehaald. Zijn we er nu allemaal, mopper ik, ik heb niet de hele dag de tijd. Ja ze zijn er allemaal. Ik laat iedereen stuk voor stuk vertellen wat er volgens hun gebeurd is. Althans, daar doe ik een poging toe. Maar er is geen  meisje dat het kan laten om te reageren. Oooo, helemaal niet waar, ooooo dat deed je zelf ook. De strijd is vooral zo onmogelijk omdat een aantal meisjes helemaal niet wil dat het stopt. Het is te leuk. Het geeft macht. Het schept een band om samen tegen andere meisjes op te trekken. Er is helaas ook veel meer aandacht voor het leed dat hunzelf is aangedaan dan voor het voor het leed dat de ander is aangedaan. Dat maakt het rechercheren  erg gecompliceerd.  Ja, ik had dat wel gezegd juf maar toen zei Sharon zelf ook dat ik er heel raar uitzag en dat is ook niet leuk! Bedoel je, interrumpeer ik, dat Serena had moeten zeggen dat jij er wel reuze leuk uit ziet terwijl jij haar even daarvoor verteld had dat ze er maar stom bij liep in die kleren? Verwacht je dat echt? Denise valt stil. Nee juf, maar het stond haar gewoon niet wat ze aan had. Dat mag ik toch wel zeggen. Nee, antwoord ik, dat mag je niet zeggen, behalve als je van de modepolitie bent.  De gemoederen bedaren wat. De angel lijkt er even uit. Tenminste dat denk ik. Diezelfde middag legt Sharon haar telefoon voor me neer. Kijk eens juf wat Serena nu weer schrijft.