vrijdag 1 april 2016

Column. Sluipmoordenaar.

De herrijzenis van de directe instructie is een zegen. Het slaat veel vliegen in een klap. Directe instructie is namelijk onze core business. Dat is het altijd geweest. Alleen leerkrachten die les geven aan getalenteerde leerlingen en ideologen die om geloofsredenen liever niet zien wat pal voor hun neus ligt gaan uit van het (veelal niet bestaande) vermogen van kinderen om alles tegelijk en het liefst door elkaar heen uitgelegd en verwerkt te krijgen. Directe instructie is niets anders dan klassikaal onderwijs in een nieuw jasje. Het is interactiever, coöperatiever en houdt meer rekening met verschillen maar de hoofdzaak is: de leraar doet voor, de leerling doet na en vervolgens wordt er een beperkt gedeelte veelvuldig ingeoefend. Vooral dat beperkte gedeelte stemt mij tot vreugde. Ik werd soms zoooo moedeloos van al die realistische rekenmethodes die de lastigste zaken lukraak aanboden, lukraak inoefenden en met de snelheid van het licht toetsten om het vervolgens pas maanden later weer opnieuw aan de orde te stellen. Niet zelden bonkte ik van frustratie met het hoofd tegen het bord als bleek dat in de allereerste rekenles ‘lenen bij de buren’ ook meteen een nul opdook. Er valt helemaal niks te lenen juf, klonk het dan gefrustreerd. Veel sommen hebben meer met begrijpend lezen te maken dan met rekenen en delen is in een realistisch rekenmethode je reinste siphysus arbeid. Veel van mijn leerlingen kunnen die grote stappen maar niet onder de knie krijgen. Dus houden ze het veilig en trekken  er steeds tien keer eraf, en dan nog eens tien keer, en dan nog eens…op deze wijze kan de staart onder aan de deelsom al snel een halve meter lang worden, kijk daar gaat-ie het uitrekenblaadje af, de tafel op, de tafel af, de hoek om. Ergens halverwege wordt een aftrekfout gemaakt.. oeps..  de som komt niet uit juf..snik..ik kan dit niet! Directe instructie maakt een eind aan deze wanhoop. Directe instructie is de sluipmoordenaar van het realistische rekenonderwijs. Het is simpelweg niet effectief om alle rekenproblemen die in een taak aan de orde komen  ook in de directe instructie van die dag terug te laten komen. Er moeten keuzes gemaakt worden. Het gevaar van die keuze is wel dat je de methodetoets als uitgangspunt neemt en van daaruit je rekenaanbod samenstelt…teaching to the test.. maar dat nadeel valt in het niet bij de voordelen die het oplevert: gestructureerd rekenonderwijs, zicht op uitval, oefenen, oefenen, oefenen. En wat mooier is: succeservaringen. Mijn leerlingen vinden rekenen leuk sinds de directe instructie opnieuw zijn intrede deed. Maar zoals zo vaak in het leven: hier win je wat, daar verlies je wat…nu het rekenonderwijs overzichtelijker wordt, wordt het taalonderwijs ingewikkelder. Zo wordt in de taalmethode in groep 4 al het bijvoeglijk naamwoord aangeleerd. Ik ben erg voor uitbreiding van de woordenschat maar het woord ‘bijvoeglijk’ in groep 4 is lariekoek. Dat kan nooit betekenisvol zijn. Het oefenen van zelfstandige naamwoorden in groep 5 is geen probleem maar laat alsjeblieft minder concrete woorden als bijvoorbeeld  ‘de liefde’ en ‘de situatie’  nog even buiten beschouwing. De gekte neemt echter in groep 7 en 8 een hoge vlucht. Het wemelt er van de werkwoordelijke gezegdes, voorzetseluitdrukkingen, bezittelijke voornaamwoorden, zelfstandige werkwoorden, persoonlijke voornaamwoorden met als dieptepunt het omzetten van de bedrijvende zin in de lijdende zin. Waarom, waartoe, waarheen? In groep 7 is het bijvoorbeeld al lastig genoeg om de persoonsvorm ( is nooit een persoon, ga er maar aanstaan met je instructie), het onderwerp, het gezegde, alsmede de voorzetsels, zelfstandige naamwoorden, lidwoorden en hooguit het lijdend voorwerp aan de orde te stellen. Daar heeft iedere leerkracht zijn handen al aan vol. Maar waarom zouden we het in het onderwijs makkelijk maken als het ook moeilijk kan? Gelukkig kan ik de directe instructie ook als sluipmoordenaar inzetten voor deze overdaad.

vrijdag 18 maart 2016

Column. Rug

Het was een wat onsmakelijk beeld dat Rene Kneyber, lid van de Onderwijsraad, auteur en columnist schetste van de beroepsgroep. Plotseling lagen er in grote getale juffen op hun rug. Het is gemakzucht, schrijft Kneyber in Trouw, zeg tegen een juf ‘het moet van de inspectie’ en ze gaat gehoorzaam op haar rug liggen. Even daarvoor waren deze juffen nog als sadistisch weggezet omdat ze leerlingen citoscores mee naar huis gaven. Een sadistische, op haar rug liggende, juf. Ik ben als juf wel vaker in de hoek gezet maar met dit beeld is toch weer een nieuwe dimensie toegevoegd. Kneyber timmert veel aan de weg in onderwijsland. We moeten nee leren zeggen, betoogt hij  en ondertussen het systeem ‘flippen’. Dan wordt het vanzelf beter in het onderwijs. Nou van mij mag het systeem  best op de schop. Al dat vergelijken van leerlingen is veel te veel doorgeschoten.  Maar waarom toch dit on-damesachtige beeld van al die omgekukelde juffen? In de reacties die onder de column in Trouw stonden kwam zelfs het woord ‘uilskuikens’ voorbij. Pfff. Het is van een ongekend simplisme de verantwoordelijkheid om de uitwassen van opbrengstgericht onderwijs  te bestrijden in handen van de uitvoerders te leggen. Laten we eens kijken tegen wie al die juffen dan nee moeten zeggen tussen alle lessen, rapportbesprekingen, tienminutengesprekken , scholingen en vergaderingen door. Neem de inspectie…nee zeggen tegen de inspectie…serieus? Neem dan Passend Onderwijs. Er komen steeds nieuwe directieven de school binnen. Iets wat eenvoudig begon en beslist noodzakelijk was, namelijk het zicht krijgen op de ontwikkelingen van leerlingen, is langzaam maar zeker ontaard in een papieren moloch waarbij wantrouwen en ambtelijke bedilzucht het leidend principe is en niet de effectiviteit. Nee, zeggen is echter vooral vervelend voor de IB-er. Neem het Cito. Een bedrijf met winstoogmerk. Een van de vele instanties die onderwijs als verdienmodel zien. Als men van hogerhand besluit om de opbrengsten te meten dan moet je niet verbaasd zijn dat er steeds meer toetsen op de markt worden gebracht. Je kunt je daar als school of als individuele leerkracht niet zomaar aan onttrekken. Die discussie moet door de hele organisatie gevoerd worden. Of kijk eens naar al die ongevraagde teamscholingen. Ze slurpen veel tijd en energie. Maar denkt Kneyber echt dat ik er mee weg kom als ik zeg: Nu Even Niet! En dan hebben we nog de ouders van onze leerlingen. Zie ons daar met gebogen hoofden over de laatste  oranje en rood gekleurde LVS-scores zitten. Als ouders mij vragen wat eraan gedaan kan worden –zucht- moet ik dan zeggen: ach mevrouw, mijnheer... ik weet dat iedereen het belangrijk vindt maar ik niet hoor. Ik zwem in mijn dooie eentje tegen de stroom in. Ik flip hier het systeem. De vraag is waar je als uilskuiken de grens trekt. En hoe doe je dat met een heel team uilskuikens? Je zult toch echt leidinggevenden mee moeten zien te krijgen. Voor je het weet ben je werkonwillig. Hoe zorg je dat andere scholen ook mee doen( nemen jullie Passend Onderwijs, dan  gaan wij met de toetsgekte van het Cito aan de slag). Zolang de Cito- eindscores van scholen in kranten verschijnen, zolang besturen, adviseurs en afnemers steeds nieuwe eisen formuleren om de opbrengsten te verbeteren, zolang zal de werkvloer zich alle kanten op laten sturen. Ik weet het: we moeten niet zeuren (zegt de staatsecretaris), niet alles gemakzuchtig uitvoeren (zegt de columnist) en de meeste maatregelen subiet uitvoeren( zeggen onze bazen). Is het gek dat we omvallen als we in zo’n spagaat liggen? Maar niet getreurd, ik sta al weer. En wel met mijn handen in de zij: hoor eens allemaal. Ik ben een prima juf. Ik ben het beste dat jullie verdorie krijgen kunnen. 

zaterdag 5 maart 2016

Column. Vrouwe Justitia

Is dit het hele verhaal, vraag ik aan de verontwaardigde leerlingen die voor me staan, ik bedoel…heb je niet iets overgeslagen over je eigen rol? Doorgaans weet ik daarna genoeg. Als er even geaarzeld wordt is het verhaal complexer, als er verbeten met het hoofd geschud wordt  is de kans groot dat de gebeurtenissen juist zijn beschreven. Al blijft het altijd oppassen. Er moet heel wat uit gerechercheerd worden in het leven van een schooljuf.  Vandaag zit ik in mijn rol als Vrouwe Justitia tegenover Jason. Ik heb hem meegenomen naar een kantoortje teneinde hem te (ver)horen over zijn rol in de zaak van de verdwenen voetbalplaatjes.  Deze plaatjes waren op wonderbaarlijke wijze vanuit de onbewaakte verzamelmap van Martijn verplaatst  naar de verzamelmap van Boris. Boris had desgevraagd verteld dat hij ze eerlijk met Jason had geruild. Vertel het maar jongen, zeg ik, terwijl ik mijn stem laat zakken.  Ze lagen zomaar onderin mijn tas, antwoordt  de verdachte. Dat is wel heel toevallig he, brom ik. Ja, knikt Jason, het is wel toevallig. En je dacht niet: laat ik eens uitzoeken van wie ze zijn, vervolg ik. Jason schudt zijn hoofd. Goed, zeg ik, dan stel ik de vraag anders: toen je die plaatjes uit de map van Martijn pakte ben je er meteen mee naar Boris gegaan, waarom eigenlijk? Jason tuint er met open ogen in. Ik wist dat hij ze nog niet had. Dus kon ik ruilen, antwoordt hij.  Ik laat een stilte vallen. Jason realiseert zich wat er zojuist gebeurd is en slaat zijn ogen neer. Sorry, piept hij, sorry hoor. Deze CSI- tactiek werkt helaas niet als ik probeer te achterhalen wat er toch aan de hand is bij de veenbrand die woedt tussen een aantal meisjes uit mijn klas en een aantal meisjes uit een andere groep.  De gebeurtenissen zijn op het schoolplein, bij de kapstokken en op de sociale media zo vaak herkauwd, aangevuld en omgedraaid dat iedereen wel ergens door beledigd is geraakt. Het probleem begint al met de vraag wie er nu eigenlijk bij betrokken zijn. Ja, Denise hoort er eigenlijk ook bij, roept de een,  en Tonia ook, roept een ander. Nee, niet Tonia. Tonia heeft niks gedaan! Susan wordt weer teruggestuurd, Serena opgehaald. Zijn we er nu allemaal, mopper ik, ik heb niet de hele dag de tijd. Ja ze zijn er allemaal. Ik laat iedereen stuk voor stuk vertellen wat er volgens hun gebeurd is. Althans, daar doe ik een poging toe. Maar er is geen  meisje dat het kan laten om te reageren. Oooo, helemaal niet waar, ooooo dat deed je zelf ook. De strijd is vooral zo onmogelijk omdat een aantal meisjes helemaal niet wil dat het stopt. Het is te leuk. Het geeft macht. Het schept een band om samen tegen andere meisjes op te trekken. Er is helaas ook veel meer aandacht voor het leed dat hunzelf is aangedaan dan voor het voor het leed dat de ander is aangedaan. Dat maakt het rechercheren  erg gecompliceerd.  Ja, ik had dat wel gezegd juf maar toen zei Sharon zelf ook dat ik er heel raar uitzag en dat is ook niet leuk! Bedoel je, interrumpeer ik, dat Serena had moeten zeggen dat jij er wel reuze leuk uit ziet terwijl jij haar even daarvoor verteld had dat ze er maar stom bij liep in die kleren? Verwacht je dat echt? Denise valt stil. Nee juf, maar het stond haar gewoon niet wat ze aan had. Dat mag ik toch wel zeggen. Nee, antwoord ik, dat mag je niet zeggen, behalve als je van de modepolitie bent.  De gemoederen bedaren wat. De angel lijkt er even uit. Tenminste dat denk ik. Diezelfde middag legt Sharon haar telefoon voor me neer. Kijk eens juf wat Serena nu weer schrijft.

vrijdag 19 februari 2016

Column. Maken.

Gezien de afnemende resultaten van de leerlingen op deze school zou ik alleen nog moeten lezen, spellen en rekenen. Tot ze een ons wegen en hun hoge D-scores in  lage C-scores veranderen of de lage C-scores met veel kunst en vliegwerk in hoge C-scores. Lezen, spellen, rekenen totdat deze in meerderheid op een vmbo-basis afstormende leerlingen misschien wel een hogere verwijzing in de wacht slepen. Een verwijzing naar een school waar ze vervolgens ongelukkig worden zodat ze alsnog terug keren naar een praktische opleiding teneinde een tevreden bestaan als monteur, schilder of medewerkester in de zorg te kunnen opbouwen. Rekenen, spellen, lezen, totdat ik zelf een ons weeg want door de veranderende leerling populatie en een verminderde instroom als gevolg van een dynamiek die je als school amper zelf in de hand hebt (het lot van veel openbare scholen in deze regio)zijn we gedwongen combinatieklassen te vormen. Zes directe instructies per dag aan leerlingen die leren moeilijk vinden en niet altijd even zelfstandig door kunnen werken als er geen aandacht aan ze besteed kan worden vergt veel van een leerkracht. Om maar niet te spreken over het leger strenge mee-kijkers dat de school binnenkomt alsof (of omdat) het aan de inspanning van leerkrachten ligt dat de populatie verandert en de resultaten kelderen. Maar goed…je doet nog wat meer, je probeert het over een andere boeg te gooien. Wellicht helpt dit of leidt dat tot betere resultaten. Je kijkt of er nog wat te winnen valt, wie weet…maar alleen maar lezen, spellen, rekenen?  Iedere mee-kijker die denkt dat dat zou moeten lukken omdat men over aannames en afvinklijsten beschikt  moet het maar eens komen doen met die leerlingen van mij. Daar komt bij dat ik geloof dat een school ten alle tijden een breed onderwijsaanbod moet bieden omdat  het leven uit meer dan een mooie carrière bestaat. Dus… het hoofd in de wind, de koers ferm tegen de stroom in: we gaan maken. Want zo heet dat tegenwoordig. Onder leiding van een leuk bedrijf dat zich in ‘maker education’ heeft gespecialiseerd  komen er hamers, beitels, boren, propellertjes, motortjes en batterijen de klas binnen. We gaan het afvalprobleem de wereld uit helpen. Zelf word ik altijd erg blij van maken. Er moeten hobbels worden genomen en er moet iets op jezelf veroverd worden. Een kind van tien dat zegt ‘ik kan dit niet’ brengt mij tot wanhoop. Bewaar die zin maar tot je tachtig bent. Maar de meeste leerlingen van mijn groep hoeven helemaal niet lang na te denken als ze de opdracht krijgen. De invallen en ideeën buitelen in de dagen voordat we gaan beginnen over elkaar heen, sommige hebben er zelfs een deel van de nacht over na liggen denken en komen met rode koontjes de klas binnen. Is het zover? Ja het is zover. En zo komt het dat ik samen met Joran, die nooit een tel stil kan zitten, heel rustig en heel voorzichtig de kleine schroefjes van een propeller bevestig, dat ik met Maartje en Sanne -die meestal een dagtaak hebben in het met elkaar overhoop liggen- eendrachtig  de mogelijkheden doorneem om hun afvalwagen niet alleen achteruit maar ook vooruit te laten rijden. Alleen Marcel,  plus-leerling met louter A-scores, is narrig. Hij weet niet wat hij moet doen. Als ik hem ten langen leste maar laat verven, ziet hij kans om uitgerekend op het stukje van de tafel waar geen onderlegger ligt de boel vol te kliederen. De rollen zijn omgedraaid voor Marcel. Eveneens een prachtige leerschool. Als ik om me heen kijk zie ik een betrokkenheid van bijna honderd procent. Dat haal ik nooit met lezen, spellen, rekenen.

vrijdag 5 februari 2016

Column. Gebroken neuzen.

Vanaf mijn plek op de bank in de gymzaal zie ik Luca  op de kast klimmen en zijn groepje tot stilte manen. Wacht, roept hij, ik ga iets heeeeel moeilijks doen. Zijn groepsgenootjes kijken ingespannen toe. Luca loopt naar de rand, kijkt zogenaamd angstig in de diepte en springt dan voorzichtig op de dikke mat. Hij draait zich om en roept…applaus! Er breekt een oorverdovend gejoel uit. De gymleerkracht kijkt verstoord in hun richting. Hou daar eens mee op, schreeuwt ze. Even later zijgt ze boos naast me neer. Deze jongens nemen ook niets serieus, moppert ze. Nee, dat is waar, antwoord ik, misschien moet je het wat uitdagender maken. Het is een vergeefse opmerking. Zo geschikt ze is voor de onderbouw, zo ongeschikt is ze voor de middenbouw. En dus is iedere gymles in deze groep een strijd met de leerlingen en een strijd met mij want al praten de leerlingen minutenlang dwars door haar heen, ze wordt pas boos als ik mij ten langen leste verhef en ‘sssttt’ roep. Het is echter geen optie om niet bij de les aanwezig te zijn. De situatie zou teveel uit de hand lopen. Dat geldt ook voor de grote vriendelijke reus die de godsdienstlessen verzorgt. Het geduld waar hij over beschikt in zijn lessen nadert het onwaarschijnlijke. Niet een keer schiet hij uit zijn slof. Terwijl daar alle reden voor is. Zelfs de meest inschikkelijke meisjes ontpoppen zich in zijn les tot drakerige heksjes die rellerig en met rode koontjes dwars door alle Bijbelverhalen heen kwekken en luidkeels gewag maken van alle Whattsapp berichtjes die op hun telefoon binnenkomen. De jongentjes deinzen er regelmatig niet voor terug om de achtervolging in te zetten terwijl de vriendelijke reus met zijn pen op het whiteboard tikt om het volgende plaatje te laten zien van Daniël in de Leeuwenkuil. Toch lijkt hij pas een probleem te hebben als ik het niet langer aan kan horen en het lokaal binnenstap. Als ze jonger zouden zijn dan zouden ze geen aanstelling meer krijgen. Hun neus zou gewoon gebroken moeten worden wil het dezelfde kant op leren staan als de andere neuzen. Want het nieuwe adagium is: doen-wat-werkt. In teamverband wel te verstaan. Leren van elkaar door op bezoek te gaan bij elkaar in de klas. Ter wille van de doorgaande lijn en een mooi rijtje neuzen. En toch…en toch…en toch…de kans is groot dat we met deze moderne zienswijze niet alleen het badwater maar ook het kind weggooien. Mijn beste herinneringen heb ik aan leraren die buiten de kaders vielen: de lerares Geschiedenis die nooit een leerboek opensloeg en zich voornamelijk op zat te winden over de inbraak in het Watergategebouw en de teloorgang van de democratie. Ik heb er een levenslange fascinatie voor president Nixon aan overgehouden. Of de leraar Nederlands die zich zichtbaar aan al het contact met zijn collega’s onttrok maar die wel met veel passie de deur voor mij opende naar de boeken van Couperus en de gedichten van de vijftigers. Of de leraar muziek…een onmogelijke man voor collega’s en studenten maar een geweldig koorleider. Ik weet zeker dat veel  ex-leerlingen van mijn collega Kees ook warme herinneringen aan hem hebben. Hij stelde zich maar zelden coöperatief op in het team maar nam wel zijn leerlingen op eigen kosten mee naar het Concertgebouw. En ook collega Koen, die helemaal opleefde als hij het lokaal kon verlaten om zijn leerlingen mee te nemen naar het bos wordt ongetwijfeld gemist. Juist eigenzinnige docenten kunnen leerlingen iets unieks meegeven. Ook zij doen-wat-werkt. 

vrijdag 22 januari 2016

Column. Lief en aardig.

Er zijn een aantal vaardigheden voorgoed in de twintigste eeuw achtergebleven. Zo heeft het leren memoriseren de race om de 21th century skills voorgoed verloren. De acute beschikbaarheid van navigatie, google en Wikipedia deed deze vaardigheid de das om. Het is een geweldig verlies. Sindsdien maak ik mij met mijn topo- repetities steeds verdachter. Is dat nu echt nodig vragen sommige ouders lacherig, we hebben toch Tom-Tom? Maar ik laat me niet vermurwen. De meeste leerlingen vinden het neuzen in atlassen en het behalen van hoge beoordelingen nog steeds heel erg leuk en het lijkt me ook in deze tijden een goede zaak dat leerlingen leren waar ze zich zo’n beetje bevinden op deze wereld.  Ook het memoriseren van gedichten lijkt voorgoed op de afvalberg van verloren vaardigheden terecht te zijn gekomen. Ik was er vroeger dol op. Achterberg, Slauerhoff, je kunt me er midden in nacht voor wakker maken. Helaas is dat in dit tijdsgewricht een wat aanstellerige ‘skill’ dus laat iedereen mij met gerust hart doorslapen. Er is nu geen kind meer die een gedicht uit het hoofd leert. Ze kijken me zelfs verbijsterd aan als ik het voorstel. Dat is jammer. Ik heb geweldige herinneringen aan mijn jaren in de onderbouw waar ik elke dag opnieuw het grote cultuurgoed van Annie MG Schmidt tot leven wekte. De cadans, de spanning, de lol in haar gedichten, het is onovertroffen: toen kwam er een meneer van het grote postkantoor, die kwam al met een hamer en een beitel en een boor. Of het verpletterende eind van juffrouw Scholten: enkel nog haar tasje lag daar in een plasje. Het is heel wat leuker om deze gedichten uit het hoofd te vertellen dan om ze voor te lezen. Mijn favoriete gedicht ging over de vogel Bisbisbis. (Waar iedereen zo bang voor is). Een griezelgedicht van de bovenste plank. Er wordt een brutaal krengetje (Rosalind) door deze vogel in afgevoerd, ontvoerd is een beter woord. Ze wordt naar een eiland gebracht ver in de oceaan (een eiland verschrikkelijk ver hier vandaan). En daar zit dat onmogelijke wichtje nu. Ze blijft bij de vogel Bisbisbis totdat ze weer ‘lief en aardig’ is. Kijk dat kan nu haast niet meer. Dat zou ik niet meer zomaar kunnen voordragen. Dat is vast te eng voor die arme zieltjes in de eenentwintigste eeuw. Die worden daar maar bang van. Dus de vogel Bisbisbis wordt waarschijnlijk binnenkort ook achtergelaten op de afvalhoop van de geschiedenis, waar  dikke tante Kee ook al ligt te zieltogen samen met de arme Julia-is-zo-schoon, die aan het eind van een lang leven vol lichamelijke tegenslagen stomdronken van de drank  lag te zwaaien met een hamer. Over. Uit. Weg ermee. Terwijl …zeg nou zelf…zo’n strenge doch rechtvaardige vogel Bisbisbis….het zou toch een zegen zijn, zo’n beest. Ook in deze eeuw: oooo, kijk toch eens even…daar komt een vogel over de scholen zweven, het is de vogel Bisbisbis (waar iedereen..). En zoeffff…daar gaan ze de lucht in: de bedenkers van het Lerarenregister, de rovers van de ADV en de vakantiedagen, de auditoren die met gestrekt been scholen binnen vallen met onaangekondigde afvinklijsten in hun hand, de reaguurders die bij elk bericht in de krant of op het internet over de te hoge werkdruk in het onderwijs beginnen te loeien over onze lange vakanties en korte werkdagen. Allemaal naar een eiland verschrikkelijk ver hier vandaan, een eiland ver in de oceaan, waar ze moeten afleren om steeds maar te zaniken en te morren en te kniezen en te knorren. En waar ze bovenal zelf mogen uitzoeken waar dat eiland zich op de kaart bevindt. Gezellig bij de vogel Bisbisbis. Totdat men weer lief en aardig is.l

zaterdag 9 januari 2016

Column. Zeventien jongetjes.

Er zitten 17 jongetjes in deze groep. 17 jongetjes! Het is nodig dat ik dit herhaal omdat niemand tot dusver verschrikt de hand voor de mond slaat als ze dit getal horen terwijl dit toch precies is wat men wel zou moeten doen. 17 jongetjes betekent namelijk: heel veel jongetjes, stapels jongetjes, onafzienbare rijen jongetjes. Een aantal van hen presteert in de regel goed, een aantal scoort onder het gemiddelde maar het gros huist in het midden. Het gros bevindt zich dus om de haverklap in elkaars vaarwater. Daar strijden ze constant om de aandacht. Aandacht van elkaar maar bovenal aandacht van mij. 17 jongetjes en een oude juf. O ja, en nog 7 meisjes, ergens. Een halve eeuw leeftijdsverschil. Al die jongetjes moeten allemaal tegelijk iets vertellen aan mij. Ook moeten ze allemaal op hetzelfde moment hun boek ruilen en allemaal op hetzelfde moment koffie voor mij halen. Ze moeten op hetzelfde moment vertellen dat de ander begon, is het niet vandaag dan is het wel gisteren of anders wel ‘eens een keertje’. Ze moeten allemaal op hetzelfde moment het antwoord door de klas roepen want ze willen heel graag dat ik ze goed vind. En aardig. En lief. Als ik ze niet goed vind of aardig of lief dan moeten ze vaak huilen. Dan leggen ze hun hoofd op hun armen en snikken het uit. Maar het was toch niet aardig wat je deed, vraag ik dan verbaasd. Neehee, maar nu bent u boohoos, klinkt het dan. Kom op, zeg ik dan, neem je verantwoordelijkheid. Maar verantwoordelijkheid is een moeilijk ding. Ze snappen vaak niet wat ik daar nu zo belangrijk aan vind. Verantwoordelijkheid is helemaal niet leuk. Je moet je werk afmaken bijvoorbeeld. Dat wil zeggen: werk dat niet op de computer kan. Daarom vragen alle jongetjes tegelijk wanneer we op de computer gaan. De hele dag door. Ook als dat betekent dat ze naar de bekende weg vragen. Het kan namelijk zijn dat ik iets aan het programma heb veranderd. Dus we gaan nu echt niet op de computer, stellen ze om de haverklap teleurgesteld vast. En als ze dan eindelijk op de computer mogen dan staan ze allemaal tegelijk op teneinde een flinke spurt in te zetten. Hetgeen mij noopt hen weer plaats te laten nemen. Eenmaal in de hal en achter de computer aangekomen roepen ze uit puur enthousiasme dingen naar elkaar: waar ben jij? Ik ben bij som 3! Weet jij hoe som 5 moet Thomas? Helaas zit Thomas aan het andere eind van de gang. Ga maar weer naar de klas, sommeer ik dan. O nee, nee, nee, roept het schreeuwlelijkje dan verschrikt. Sorry, sorry, sorry, juf. Ik zal het nooit meer doen. Maar nooit is relatief bij deze jongetjes. Nooit, betekent hooguit een minuut of vijf. En als er dan toch iemand naar de klas terug moet begint het gesoebat. Ah juf, nog een kans, ah juf nog een? Als ik mij gewonnen geef dan trekken ze onmiddellijk opnieuw een spurt maar dit keer naar mij en dan slaan ze hun armen om mij middel. Want knuffelen doen ze ook, die jongetjes. Steeds weer moet ik mijn gang onderbreken vanwege jongetjes die even willen knuffelen. En daar sta ik dan. Ontwapend en ietwat ontregeld. Dan krijgen ze opnieuw een kans en dan schreeuwen ze vervolgens nog een keer door de gang. Ben jij dat echt Michiel, vraag ik dan onthutst. O ja. Oeps juf. Dat ging per ongeluk. Er gaat veel per ongeluk. Maar 17 jongetjes, die tegelijk van de trap glijden, tegelijk naar de wc willen, tegelijk naast de wc plassen, tegelijk hun been uitsteken, tegelijk roepen dat het om een grapje handelt, of een ongelukje, dat is veel voor een oude juf. Had ik al gezegd dat het er 17 waren?