zaterdag 9 januari 2016

Column. Zeventien jongetjes.

Er zitten 17 jongetjes in deze groep. 17 jongetjes! Het is nodig dat ik dit herhaal omdat niemand tot dusver verschrikt de hand voor de mond slaat als ze dit getal horen terwijl dit toch precies is wat men wel zou moeten doen. 17 jongetjes betekent namelijk: heel veel jongetjes, stapels jongetjes, onafzienbare rijen jongetjes. Een aantal van hen presteert in de regel goed, een aantal scoort onder het gemiddelde maar het gros huist in het midden. Het gros bevindt zich dus om de haverklap in elkaars vaarwater. Daar strijden ze constant om de aandacht. Aandacht van elkaar maar bovenal aandacht van mij. 17 jongetjes en een oude juf. O ja, en nog 7 meisjes, ergens. Een halve eeuw leeftijdsverschil. Al die jongetjes moeten allemaal tegelijk iets vertellen aan mij. Ook moeten ze allemaal op hetzelfde moment hun boek ruilen en allemaal op hetzelfde moment koffie voor mij halen. Ze moeten op hetzelfde moment vertellen dat de ander begon, is het niet vandaag dan is het wel gisteren of anders wel ‘eens een keertje’. Ze moeten allemaal op hetzelfde moment het antwoord door de klas roepen want ze willen heel graag dat ik ze goed vind. En aardig. En lief. Als ik ze niet goed vind of aardig of lief dan moeten ze vaak huilen. Dan leggen ze hun hoofd op hun armen en snikken het uit. Maar het was toch niet aardig wat je deed, vraag ik dan verbaasd. Neehee, maar nu bent u boohoos, klinkt het dan. Kom op, zeg ik dan, neem je verantwoordelijkheid. Maar verantwoordelijkheid is een moeilijk ding. Ze snappen vaak niet wat ik daar nu zo belangrijk aan vind. Verantwoordelijkheid is helemaal niet leuk. Je moet je werk afmaken bijvoorbeeld. Dat wil zeggen: werk dat niet op de computer kan. Daarom vragen alle jongetjes tegelijk wanneer we op de computer gaan. De hele dag door. Ook als dat betekent dat ze naar de bekende weg vragen. Het kan namelijk zijn dat ik iets aan het programma heb veranderd. Dus we gaan nu echt niet op de computer, stellen ze om de haverklap teleurgesteld vast. En als ze dan eindelijk op de computer mogen dan staan ze allemaal tegelijk op teneinde een flinke spurt in te zetten. Hetgeen mij noopt hen weer plaats te laten nemen. Eenmaal in de hal en achter de computer aangekomen roepen ze uit puur enthousiasme dingen naar elkaar: waar ben jij? Ik ben bij som 3! Weet jij hoe som 5 moet Thomas? Helaas zit Thomas aan het andere eind van de gang. Ga maar weer naar de klas, sommeer ik dan. O nee, nee, nee, roept het schreeuwlelijkje dan verschrikt. Sorry, sorry, sorry, juf. Ik zal het nooit meer doen. Maar nooit is relatief bij deze jongetjes. Nooit, betekent hooguit een minuut of vijf. En als er dan toch iemand naar de klas terug moet begint het gesoebat. Ah juf, nog een kans, ah juf nog een? Als ik mij gewonnen geef dan trekken ze onmiddellijk opnieuw een spurt maar dit keer naar mij en dan slaan ze hun armen om mij middel. Want knuffelen doen ze ook, die jongetjes. Steeds weer moet ik mijn gang onderbreken vanwege jongetjes die even willen knuffelen. En daar sta ik dan. Ontwapend en ietwat ontregeld. Dan krijgen ze opnieuw een kans en dan schreeuwen ze vervolgens nog een keer door de gang. Ben jij dat echt Michiel, vraag ik dan onthutst. O ja. Oeps juf. Dat ging per ongeluk. Er gaat veel per ongeluk. Maar 17 jongetjes, die tegelijk van de trap glijden, tegelijk naar de wc willen, tegelijk naast de wc plassen, tegelijk hun been uitsteken, tegelijk roepen dat het om een grapje handelt, of een ongelukje, dat is veel voor een oude juf. Had ik al gezegd dat het er 17 waren?

vrijdag 11 december 2015

Column. Koekoe

Even voor half negen komt Luca wat aarzelend bij mijn bureau staan. Ik heb vannacht slecht geslapen, zegt hij. Ik droomde steeds maar over Parijs. Denkt u dat wat daar gebeurd is ook hier kan gebeuren? Achter hem staan leerlingen op die aarzelend in onze richting lopen. Ze zijn duidelijk benieuwd naar mijn antwoord. Nee, dat denk ik niet, zeg ik, in deze stad zal dat niet zo gauw gebeuren. Maar een aanslag in Nederland? Ik zou willen dat ik een ander antwoord kon geven maar eerlijk gezegd denk ik het wel. Luca knikt bedachtzaam. Sarah wringt zich door het groepje naar voren. Juhuf. Haar gezicht staat zorgelijk. Juf, mijn vader zegt dat het heel goed mogelijk is dat ik tijdens mijn leven nog een oorlog mee maak. Er gaat een rilling door het nog steeds aanzwellende groepje leerlingen heen. Ik weet niet of ik het met je vader eens ben, zeg ik aarzelend. Het woord ‘oorlog’ wordt wel heel snel in de mond genomen tegenwoordig. Als we denken aan oorlog dan denken we aan de tweede wereldoorlog of aan Syrië. Dat is echt wel iets anders dan we nu hier meemaken. IS is in staat om verschrikkelijke aanslagen te plegen maar het blijft maar een klein groepje mannen. We moeten onszelf niet al te bang laten maken, zeg ik, je weet nooit wat er in de toekomst gebeurt. Nee, zegt Sarah gelaten, ik wist een jaar geleden ook nog niet dat mijn ouders gingen scheiden en toch is dat nu zo. Precies, antwoord ik. Inmiddels is de groep voor mijn bureau heel groot geworden. Zullen we er maar bij gaan zitten jongens, vraag ik. Praten we er dan nog wel over door? Natuurlijk. Als ze allemaal achter hun tafeltjes zitten, steekt Jamshed zijn vinger op. Ik ben bang voor mijn familie zegt hij. Je familie in Iran, vraag ik. Hij knikt. Ze wonen zo dichtbij IS, zegt hij. Waar zit dat IS eigenlijk, roept Sarah dwars door de klas. Ik haal de wereldkaart erbij. Kijk, dit gebied hebben ze ongeveer in handen. Het wordt heel stil. Dat is dichtbij Iran juf. Ja dat is waar, maar toch denk ik dat de familie van Jamshed wel veilig zit. In Syrië woedt een burgeroorlog en in Irak is al een tijdje niemand echt de baas dus daar heeft IS gebruik van gemaakt, daardoor konden ze daar flink veel gebied veroveren want niemand hield ze echt tegen. In Iran kunnen ze IS wel echt tegenhouden. Daar hebben ze nog een sterke regering en geen burgeroorlog. Jamshed kijkt opgelucht. Ik ben toch zo bang voor dat IS, rilt Kim. Om haar heen klinkt instemmend gemompel. Kijk en dat moeten we proberen niet te laten gebeuren, zeg ik. Dat is precies wat ze willen. We moeten hier gewoon ons leven leiden en vrolijk zijn. Wisten jullie dat de kans dat je thuis van de trap valt veel groter is dan dat je bij een terroristische aanslag betrokken raakt. Er klinkt gelach. Echt waar? Ja echt waar en daar ben je toch ook niet altijd bang voor. Je roept toch ook niet steeds: ooo wat ben ik bang om de trap af te lopen. Ik doe het vandaag maar niet. Ze grinniken. Nee, daar is niemand bang voor. Thomas heeft nog een vraag. Wat hebben die terroristen er nou aan als ze zelf ook dood gaan bij zo’n aanslag? Ze denken dat ze in het paradijs komen, dat er allemaal lekker eten en heel veel mooie vrouwen op hen wachten, leg ik uit. Er valt een perplexte stilte. Dan steekt Bahran zijn vinger op. Ik heb daar maar een woord voor juf. Hij laat een stilte vallen. Nou Bahran? Dat is Koekoe juf. Echt koekoe! Er klinkt een luid geschater op. De angst lijkt voor even bezworen.

vrijdag 27 november 2015

Column. Luisteren.

John Hattie, een Nieuw-Zeelandse onderwijsonderzoeker kijkt vrolijk de camera in. Wat echt werkt in het onderwijs, zegt hij, is: luisteren naar kinderen. Dat heeft hij namelijk uitgebreid onderzocht. Ik zucht als ik de krant weg leg. Hij zou best gelijk kunnen hebben -ik ben nooit te beroerd om uitspraken en bevindingen over onderwijs in overweging te nemen- maar op dit moment is het belangrijker om de leerlingen van mijn groep naar MIJ te laten luisteren. Dat valt namelijk niet mee met dit impulsieve stel. Daarnaast is er een Sterrenparade op komst, alsmede een najaarsstorm en ook de Goedheiligman is van plan een duit in het zakje te doen. Tijdens de Sterrenparade bijten Maartje en Derek de spits af. Ze dragen een gedicht voor en dat doen ze goed. Iets in die grote massa voor hen schijnt hen toch te ontregelen want na elke strofe zetten ze aarzelend een stap achteruit. Gelukkig is het gedicht net op tijd klaar, nog een stap en ze waren de diepte ingetuimeld. Vervolgens is het tijd voor de onvermijdelijke dansjes die, al even onvermijdelijk, met het nodige gedoe zijn ingestudeerd. Ik heb Sophie al drie keer snikkend uit het toilet moeten halen en Kim en Anne hebben zelfs even een optreedverbod aan hun broek gehad wegens hun eindeloze gesnib tegen elkaar. Het groepje van Sophie danst voorbeeldig maar Kim en Anne zetten hun geruzie ( nee, je moet naar links! Hier draaien, hier draaien!) onverminderd voort zodat ik de muziek na ruim een minuut weg laat draaien. Maar het is nog niet klaar juf! O jawel! Tim, Thomas en Jonathan doen een dans uit Minecraft. Ze zien er prachtig uit met hun grote vierkante hoofden maar helaas ze durven niet uit te voeren wat ze afgesproken hadden: dansen met een kleutertje uit het publiek. De rest van het programma wordt uitstekend uitgevoerd. Het wordt tijd om weer gewoon aan het werk te gaan, zeg ik na afloop, het is hier per slot wel een school. Omdat ik nooit te beroerd ben om uitspraken en bevindingen over onderwijs in overweging te nemen geef ik de les Begrijpend Lezen tegenwoordig volgens de modernste principes: ik ga modellen. Hardop denken in de ik-vorm. Ik geef keurig de denkstappen aan. Waar in de tekst…Hoe weet je.. Waarom… Ook geef ik willekeurig beurten. Voor mij zit echter een groep kinderen die het allemaal wel best vindt. Hoe? Weet ik veel. Waar kun je? Huh? Oh, er worden beslist ook goede antwoorden gegeven maar ik vermoed dat de leerlingen die deze vragen goed beantwoorden dit ook wel hadden geweten als ik niet zo overdreven op die kruk had zitten modellen. Luisteren valt leerlingen het zwaarst als ze het maar saai vinden. Net als ik denk: nog even en dan is het weekeind, komt Thomas woedend binnen. Maartje heeft hem in een hoek gedreven en zijn hele hoofd overladen met kussen. Met kussen, vraag ik verbijsterd. Ja! Waarom dat dan Maartje? Ik vind hem leuk, grinnikt Maartje. Maar je kunt iemand niet zomaar tegen zijn zin zoenen, zeg ik kwaad. O sorry, mompelt ze. Daar komt bij dat je ook nog onder de krentenbaard zit Maartje, vervolg ik. O jee. Thomas grijpt naar zijn hoofd. Mag ik mijn hoofd wassen juf? Even later komt Thomas met zijn blote buik en natte haren de klas in. Ik wil je zo echt niet in de klas hebben Thomas, zeg ik. Ja maar mijn t-shirt is nu nat, antwoordt hij. Het wordt mij droef te moede. Ik moet vandaag nog twee directe instructies geven, bedenk ik me. Geheel volgens de laatste inzichten. Ik moet lesdoelen delen, voorkennis activeren, alles begeleid inoefenen en zelfstandig laten verwerken en vervolgens ook nog verlengd instrueren. En o ja, ik moet niet vergeten te luisteren naar mijn leerlingen volgens de regels van mijnheer Hattie.

zaterdag 14 november 2015

Column. Excellent.

De baliemedewerker van de garage waar ik mijn auto na een onderhoudsbeurt ophaal houdt de sleutels nog even in zijn hand. Nog een ding mevrouw, zegt hij vriendelijk, u krijgt morgen een mail waarin gevraagd wordt hoe uw ervaringen met dit bedrijf zijn. Ik hoop dat u tevreden bent, zo niet dan hoor ik dat graag. Ik kijk verbaasd op. Het is goed hoor, zeg ik terwijl ik naar de sleutels reik. Als u tevreden bent, vervolgt de medewerker dan hoop ik dat u dat ook opschrijft en niet zoals we in Nederland gewend zijn met zesjes of zeventjes maar met een acht of hoger. Mijn baas hecht daar veel belang aan en zijn baas ook. Ik knik aangeslagen. Aan het eind van een rondreis aan de andere kant van de wereld overkomt mijn iets soortgelijks. De reisleider pakt op de laatste dag van de reis de microfoon en kondigt aan dat er bij terugkomst in Nederland een mail op ons wacht met daarin een tevredenheidsonderzoek. Ze benadrukt het belang. Ook zij geeft aan niet te hopen op Nederlandse zesjes en zeventjes. Dan heb ik een probleem, vertelt ze. Als we willen dat zij in de toekomst haar baan houdt dan weten we wat ons te doen staat. Dus vul ik braaf beide enquêtes in. Tijdens het schrijven valt me op hoe algemeen alle vragen zijn. Zelfs al zou ik mijn ervaringen eerlijk willen invullen dan nog nodigen de vragen daar niet toe uit. Daar komt bij dat ik mij altijd erg bewust ben van het arbitraire en impulsieve karakter van mijn bevindingen. Zijn ze wel algemeen geldig, is het sop de kool wel waard? Het is me een raadsel waarom tevredenheidsonderzoeken zo’n groot deel van de tijd van organisaties in beslag nemen. Al die functionerings- en beoordelingsgesprekken die gebaseerd zijn op informatie van klanten die achteloos wat invullen of emotioneel onder druk zijn gezet . Het heeft iets treurigs voor al medewerkers. Vooral als die zich op hun beurt gedwongen voelen van lieverlee maar om goede beoordelingen te bedelen. Toch kan ik me bij bedrijven wel voorstellen dat ze op een of andere wijze willen weten hoe de klant hun product ervaart. Ze moeten immers winst maken. In het onderwijs geldt dit winstoormerk niet. Toch wemelt het hier ook van de allerlei onderzoeken en komen oordelen net zo arbitrair en willekeurig tot stand. Hypes, tijdgeesten, nieuwe wijn in oude zakken, het komt met de snelheid van het licht de scholen in en steeds staan er nieuwe beoordeelaars op de stoep met hun puntenlijstje. Audit zus, onderzoek zo. Zorgelijke rapport hier, zwakke beoordeling daar. En steeds opnieuw geldt: meer scholing, meer inspanning, meer neuzen dezelfde kant op, minder plezier, minder tijd voor het eigenlijke werk in de klas. Er zijn inmiddels zoveel personen en instituties financieel afhankelijk van (slechte) beoordelingen van scholen: interimmanagers, scholingsinstituten, zzp-ers met een eigen toko, inspectie, Passend Onderwijs dat de vraag zich voordoet of er ooit een moment komt waarop men zal zeggen: het is wel in orde zo met het onderwijs. En dat terwijl we het internationaal helemaal niet slecht doen en de kinderen in Nederland tot de gelukkigste kinderen ter wereld behoren. Ook de volwassenen zijn helemaal niet ongelukkig bleek onlangs uit een rapport. 64 procent van de vrouwen en 68 procent van de mannen noemt zichzelf gelukkig. Waar komt de ontevredenheid waarmee het werkdruk in het onderwijs wordt opgejaagd dan toch vandaan? Is het hier ook al zover dat we geen zesjes en zeventjes meer willen. Zijn leraren de enigen die perse ongelukkig moeten blijven. Gaan we alleen nog voor excellentie en moeten we allemaal Leerkracht van het Jaar worden? Misschien is het beter om ook maar zelf de boer op te gaan om al die willekeur te stoppen: een acht of hoger graag, beste ouders, want anders…

zaterdag 31 oktober 2015

Column. Maartje

Ze zitten doodstil, de hele Klokhuisaflevering lang. Je kunt werkelijk een speld horen vallen. Vooral het filmpje over een zwaar gepeste jongen waar een mooi droevig lied bij klinkt, hakt er in. Er wordt geslikt en hier en daar biggelt een traan. Naar hè, hoor ik Sanne fluisteren tegen haar buurvrouw. Megan knikt maar houdt haar ogen strak op het scherm gericht. Heel stil pakken de leerlinggen even later hun eten en drinken. Zo dat was niet mis zeg. Tjonge. Even zo goed hoor ik nog geen half uur later -als ze na de pauze de klas in komen- een zin luid boven het rumoer uitklinken: hee Thomas, heb je lekker zitten tongen met Maartje? Er klinkt een bulderend gelach. Net als ik op het groepje jongens af wil stappen om orde op zaken te stellen, komt Maartje zelf binnen. Ze wordt ondersteund door twee meisjes en snikt onbedaarlijk. Achter haar aan komen twee andere meisjes de klas binnen. Ze kijken bedrukt naar Maartje en haar hulpverleners. Er heeft zich duidelijk opnieuw een akkefietje tussen hen afgespeeld. Het verbaast me want gisteren om deze tijd kwam Maartje ook al snikkend binnen en was het precies andersom: de ondersteuners van nu zijn de aangeklaagden van gisteren. Er is vaak iets te doen rond Maartje. Zelf weet ze een ding zeker over al die gebeurtenissen: ze wordt gepest. Ze is slachtoffer. Haar moeder onderschrijft deze visie en is meestal net zo van slag als haar dochter. Ze trekken eendrachtig op in hun kijk op de werkelijkheid. Toch ligt het vaak wat complexer. Ja, Maartje wordt wel eens buitengesloten. Bij samenwerkingsopdrachten wordt ze alleen gevraagd als ik zeg dat de samenwerking alleen doorgaat als iedereen een plekje vindt. Bij gymlessen onderdrukken sommige leerlingen maar met moeite een zucht als zij zich bij hun groepje voegt. Het punt is dat er echt wel reden is om Maartje er niet bij te willen hebben: ze past zich namelijk niet aan. Ze doet alles op haar eigen onnavolgbare wijze. Het ene klasgenootje heeft meer geduld met dit gedrag dan de ander maar voor elk meisje -het zijn er maar zeven in deze groep-komt een moment waarop ze geïrriteerd raken. Zoveel verantwoordelijkheid om geduldig met dit gedrag om te gaan kunnen ze niet aan. En dus span ik mij in Maartje steeds weer opnieuw duidelijk te maken hoe ze zich coöperatiever zou kunnen opstellen. Hoe ze al die problemen voor kan zijn. Waar ze aan vast mag houden en waar ze inschikkelijk kan zijn. Het is vaak tevergeefs. Ondanks allerlei vaardigheidstrainingen- ook buiten school- blijft ze zichzelf als slachtoffer zien. Als ze haar zin niet krijgt, denkt ze onmiddellijk dat ze gepest wordt. Dan stiefelt ze boos weg, slaat met de deuren of snikt zo onophoudelijk to een van de meisjes het doodzielig vindt, haar opzoekt, troost en van de weeromstuit maar mee klaagt over die andere kinderen. Als geen van de meisjes komt troosten, wacht ze tot ze haar moeder ziet en gooit zich snikkend in haar armen. Er is weer iemand schuldig. Iemand heeft wat gedaan of wat nagelaten en vanwege de vele irritaties die ze op deze wijze opwekt is dat regelmatig ook echt waar. Het is een verdrietige en moedeloos makende vicieuze cirkel. Tijdens de Kinderboekenweek doen Tim, Sam en Sean een geweldig leuk proefje in de klas. De volgende ochtend komt Maartje met een volle tas naar binnen. Ze wil ook een proefje voordoen. Met stijgende verbazing zien we dat ze precies hetzelfde proefje doet. Als Tim op wil springen leg ik mijn vinger tegen mijn mond. Hij houdt zich in. Laten we het maar negeren, leg ik uit als Maartje haar spullen de klas uitdraagt, misschien helpt dat. Tim knikt. In zijn ogen staat verbijstering te lezen.

vrijdag 16 oktober 2015

Column. Passend.

Het kamertje zit vol. De opa en oma van Tim zijn er, de beide leerkrachten van Tim, de interne begeleider, de directeur alsmede een behoorlijke vertegenwoordiging van Passend Onderwijs. Er zitten zo’n acht a negen volwassenen om de tafel geschaard. De problematiek rond Tim is groot. Er wordt dan ook lang en intensief vergaderd. Tim zit in een klaslokaal dat toevallig precies boven het kamertje ligt. Voor zijn klas staat een invaller. Voor zijn eigen leerkrachten is het al zeer inspannend om Tim in de groep te hebben, voor een invaller is het zo goed als onmogelijk. Tim schreeuwt, hij gooit met zijn spullen en hij weigert iets te doen. De invaller soebat, dreigt, smeekt maar Tim geeft geen sjoege. Zijn ogen staan wild in zijn hoofd en hij kijkt woest om zich heen: wie zal hij nu eens laten boeten voor de razernij die in hem woedt. Beneden staan ze op dat moment uitvoerig bij die razernij stil. Tim is zo boos, zo onhandelbaar. Waar komt het vandaan? Er worden verklaringen gezocht, gevonden en weer verworpen. Er worden behandelstrategieën geëvalueerd en nieuwe besproken. Werkt dit? Nee? Dan werkt misschien wel dat. Ook zijn medicatie passeert de revue. Het is allemaal nog niet goed ingeregeld. Het is lastig want er spelen zoveel zaken bij die jongen. Ondertussen heeft Tim een slachtoffer op het oog. Iets irriteert hem plotseling mateloos aan Madeleine. Madeleine kijkt met grote angstogen naar haar klasgenootje. Blijft hij waar hij is of komt hij op haar afgestormd? Hij komt op haar af gestormd en wel met gestrekt been. Gelukkig raakt hij een stoel. Madeleine is net op tijd weggesprongen. De invaller pakt Tim bij zijn arm beet. Ze kan niet anders. Tim is nu echt een gevaar voor zijn klasgenootjes. Hij rukt als een bezetene om los te komen. Laat me los! Laat me los, krijst hij. Ondertussen raakt hij alles wat hij maar raken kan. Er zitten nu zo’n vijf leerlingen niet meer op hun plaats. Schriften vallen op de grond, tafels raken van hun plaats, stoelen vallen om. De invaller probeert Tim naar de deur te sleuren maar hij verzet zich hevig. Laat me los. Laat me los. Onder hen heeft de oma van Tim het woord genomen. Het gaat en het gaat niet, zucht ze maar het zou beter gaan als de leerkracht van de donderdag…en hup daar wordt een verwijt op het bord van een van de leerkrachten gelegd. Er ontstaat enige verwarring. Wat is er dan gebeurd? Wanneer dan? Hoe is dat opgelost? Is het wel opgelost? Er wordt wat over en weer gepraat. De kou gaat weer uit de lucht. Dan komt er een plan van aanpak op tafel. Als we nog eens zus of zo en de medicatie instellen op dit en dat. Boven is de klas onder leiding van de invaller afgezakt naar de derde kring van de Hel van Dante. Tim staat inmiddels op de gang waar hij de bibliotheek op geheel eigen wijze aan het herschikken is en in de klas heeft Daan zich een goed vervanger van zijn klasgenoot getoond. Hij staat op het bureau en wil er niet af. Daan heeft ADHD, het is allemaal maar net beheersbaar behalve op deze momenten. De invaller is de wanhoop nabij en haalt hulp bij een buurklas. Ondertussen sleept de vergadering zich beneden voort. De leerkrachten wanhopen, de interne begeleider noemt op wat er allemaal al gebeurd is, de gedragskundige adviseert, de orthopedagoog oppert, de directeur notuleert, de begeleider schrijft de punten voor het nieuwe behandelplan op. Boven doen inmiddels twee leerkrachten verhitte pogingen Daan van het bureau te krijgen. In de bibliotheek is het een rotzooi. Twee ontregelde klassen kijken ademloos toe.

zaterdag 3 oktober 2015

Column. Ja Maar

Ze zijn leuk, de leerlingen van mijn groep 6 en 7, stuk voor stuk. Behalve als ze niet leuk zijn. En ‘niet leuk’ zijn ze vooral als groep. Er valt nog een wereld te winnen aan saamhorigheid, verantwoordelijkheid en samenwerking. Dat is niet erg. Ik moet toch nog wat te doen hebben nu ik het aantal dienstjaren bereikt heb waarop het inhoudelijke deel van dit vak gesneden koek voor me is. Het is soms wel ergerlijk: Juuff…ik ben mijn boek kwijt. Ik kan mijn pen niet vinden. Ik heb geen liniaal gekregen. Ik wist niet dat ik die som ook nog moest maken. Dat had je niet gezegd juf. Dat heb ik niet gehoord juf. Het is een hele klus om een rekenles op deze wijze ordelijk te laten verlopen. Ik laat het dan ook vermaningen regenen: heb ik gezegd dat je samen mag werken? Gisteren mocht het anders wel juf. Waar is je uitrekenblaadje? Ik maak dit uit mijn hoofd juf. Waarom ben je bij Bart gaan zitten? Mag dat niet dan? Ook in sociaal opzicht is er veel onrust. Het zijn vooral hun antwoorden die me verontrusten: waarom doe je dat? Anna doet het ook. Waarom zeg je zoiets lelijks? Mascha zegt het ook. Is het waar dat je Sean geschopt hebt? Hij schopte zelf. Sia, ik hoor net dat Sara verdrietig is omdat je gezegd zou hebben dat ze rare schoenen aan heeft. Klopt dat? Ach, het was maar een grap juf. Ik word pinnig van dit soort reacties en ongemakkelijk. Kom maar weer de klas in Sjoerd, je bent al drie keer achter je computer weggelopen. Ja maar.. Waarom sta je achter me, je kunt toch je rode stip op tafel leggen als je wil dat ik kom? Ja maar.. En vrijwel nooit volgt er een antwoord dat voldoet. Een antwoord waarvan ik denk, o ja dat had ik even niet gezien. Het is onrust, impulsiviteit en in een enkel geval onwil. Er is een lange weg te gaan met dit stel en die weg bewandel ik niet altijd even opgewekt en geduldig. Waarom heb je deze taak niet afgemaakt? Moest dat dan? Ik denk dat ik dat drie keer gezegd, het kan ook vier keer zijn. O, wist ik niet. Juf, ze wilden mij in de pauze steeds maar naar Armin sleuren. Ze zeiden dat ik op hem ben. Ik vond dat heel vervelend. Verbaasd schud ik mijn hoofd. Ik stond op het plein Sharon. Ik heb het gezien. Je vond het heel erg leuk. Ja juf maar nu niet meer. Heb je ze dat verteld Sharon? Nee, dat niet juf. Met deze groep is het soms simpelweg teveel gevraagd om het groepsproces te sturen. Er is teveel gedoe met teveel leerlingen. Juf, Jasmijne doet irritant. Ze kijkt steeds achterom. Klopt dat Jasmijne? Ja, maar dat doet zij ook wel eens. Waarom zitten jullie zo te hakketakken in dit groepje? Wat is hakketakken? Dat gemopper, die flauwe soms kwetsende grappen die jullie vandaag steeds maken. Wat is kwetsen? Elkaar pijn doen. O maar dat doen zij ook hoor. Vanwege mijn vele interventies, drieste maatregelen en niet zachtzinnige sancties zag ik een beetje op tegen de kennismakingsgesprekken met hun ouders. Er kwam echter geen onvertogen woord. Ook over de band met mijn leerlingen was ik bepaald niet tevreden de eerste weken na de vakantie. Op een dag zak ik om kwart over drie vermoeid achter mijn bureau. Ik ben uitgeteld. Er blijft echter een aantal leerlingen achter. Ga eens naar huis, zucht ik. Juf, we wilden even zeggen dat we het heeeel errug leuk vinden bij jou. Ik kijk verbijsterd op. Dat kan niet, antwoord ik naar waarheid. Ze knikken enthousiast. Echt waar hoor juf.