zaterdag 6 juni 2015

Column. Verloren.

Het is misschien wel mis gegaan toen de leerkrachten van groep 1 en 2 hun kussentje moesten inleveren. Dat kussentje waarmee ze op de rand van de zandbak zaten terwijl ze een kopje thee nuttigden en zo nu en dan een vechtpartij om een stuurkar oplosten. Schooladviesdiensten waren van mening dat leerkrachten mee moesten spelen met hun leerlingen. Didactisch en pedagogisch hoorden de toenmalige kleuterleidsters honderd procent van de tijd paraat te staan. Niet de fantasie van de leerling werd uitgangspunt tijdens het spel maar de fantasie van de leerkracht. Het kwam waarschijnlijk voort uit jaloezie (lekker baantje zo met je hoofd in de zon en je billen op een kussentje) of anders uit een veel te kunstmatige visie op onderwijs. Het lijkt er in ieder geval op dat er hele generaties kinderen opgroeien die niet goed meer kunnen (buiten)spelen. Het is allemaal zo weer klaar, al die spelletjes van ze. Er zit kop nog staart aan het spel. Ik zie het vanuit de positie waarin in vanaf mijn vakantieverblijf uitzicht heb op een speeltuin. Hier gaat een meisje even op de schommel. Daar klimt er een jongetje een paar seconden op de pingpongtafel. Soms komen er twee kinderen stoer met de bal onder de arm het veld op om vervolgens minuten lang wat onduidelijke regels met elkaar te bespreken, twee keer over en weer te trappen en dan hoppa…de speeltuin weer uit te lopen. De ene keer moet oma mee om de schommel te duwen. Een andere keer komt papa mee om te laten zien hoe goed hij voetballen kan. Ook in het park waar ik vaak met mijn hond loop is overal aan gedacht. Nou ja..niet aan de hond. Die arme lieverd mag er praktisch niets. Maar voor kinderen is het een walhalla. Prachtige houten klautertoestellen zijn er verrezen, een houten schip dat half in het water staat. Er kunnen bruggetjes gebouwd worden. Het wemelt van de geheimzinnige bosjes. In de winter kun je met de slee naar beneden suizen langs hellingen. Er is een voetbalveld. Het is een prachtige plek om op te groeien. Ik zie er echter nooit een kind. Ook in de klas valt het me op hoe weinig fantasie leerlingen zelf hebben. Het programma is overvol, hun weekagenda’s puilen uit van de vervolgopdrachten want ook op dit gebied hebben schooladviesdiensten behoorlijk huisgehouden maar alles stokt, alles komt tot stilstand als ik de opdracht geef om het laatste kwartier iets ‘voor jezelf te doen’. Het is een erg ouderwetse opdracht, ik weet het, maar ik kan het niet laten. Nou dat zal ik weten. Iets voor jezelf doen moet namelijk altijd op een computer. Er valt echte schrik af te lezen op hun gezichten als ik zeg dat ik eigenlijk aan iets anders dacht. Dat kan ik toch niet menen? Als de ernst tot ze doorgedrongen is dan zijn er natuurlijk altijd wel een aantal kinderen die zich goed vermaken maar er zijn er ook die wat bozig om me heen hangen: ik weet niet wat ik moet doen? Ik verveel me. Goed zo, zeg ik dan. Verveling is een mooi ding. Ik zou graag les geven in verveling. Daar komen de mooiste dingen uit voort. Ik heb nog altijd heimwee naar die eindeloze lege tijd die mij vroeger wachtte na schooltijd en in de vakanties. Er waren net zoveel verhalen over kinderlokkers en griezelige moorden als in het huidige tijdsgewricht maar het maakte voor mijn onbekommerde zwerfpartijen over de Veluwe niets uit. Weet u niets dan, vraagt de verveelde leerling mij nogmaals enigszins verwijtend. O ja ik weet het wel. Maar daar zit nu net het probleem. Ik wil niet dat mijn fantasie aangesproken wordt maar die van hun. We hadden ze nooit binnen moeten laten, die schooladviesdiensten.

dinsdag 26 mei 2015

Column. Empathie

Voorheen was het hoofd der school de baas. Dat kwam mij niet altijd goed uit. Van het principe van een hiërarchie begreep ik altijd wel de logica, de noodzaak zelfs, maar in de uitvoering ging er nogal eens iets mis. Iets doen omdat de baas het zegt is geen groot talent van mij. Het is dan ook opmerkelijk dat deze rol het laatste decennium flink veranderd is: ik loop niet meer zo vaak te hoop tegen hetgeen er uitgevaardigd wordt door mijn baas. Integendeel. Ik voel eerder empathie voor het droeve lot dat hem of haar getroffen heeft. De rol van een schooldirecteur is heden ten dage die van een kapitein zonder mogelijkheden om ook maar in de buurt van het roer van zijn schip te komen. Er staan simpelweg teveel mensen in de weg: het bestuur, de inspectie, passend onderwijs, de minister, de staatsecretaris, de medezeggenschapsraad, de GMR, het management team van de eigen school, de publieke opinie alsmede op hun recht staande ouders die geen enkele drempel meer zien als ze naar school stuiven. Een schooldirecteur kan hooguit zwalkend enige voortgang proberen te boeken met zijn schip. Hier roept iemand dit, daar roept iemand dat. Vandaag wordt rapport 1 naar binnen geschoven. Morgen verschijnt pamflet 2. Moet ik daar echt nog tussen gaan staan en hard mee roepen? Ik breng liever een kopje koffie. De dagen van een doorsnee directeur lijken uit een aaneenschakeling van impulsen, voorvallen en schermutselingen te bestaan. Hier zet een aantal leerlingen de boel op de kop bij een invaller, daar staat een drietal ouders bij het hek kwaad te spreken. Collega A. komt binnen vanwege een omissie in het karakter van collega B. Collega C. is boos omdat ze overal alleen voor staat bij het organiseren van het paasontbijt. Een leerling uit groep 7 heeft een andere leerling een bloedneus geslagen en zit nu achter je in het kantoor. Het bestuur belt waar het Schoolplan blijft, een blik in het leerlingvolgsysteem maakt duidelijk dat vrijwel niemand de groepsplannen op tijd af heeft en collega nummer 4 heeft zich zojuist afgemeld met een zogenaamd legitieme reden om niet bij de personeelsvergadering aanwezig te zijn. En steeds opnieuw die afweging: moet ik op mijn strepen gaan staan of zal ik het maar laten? Maak ik er een punt van tijdens de beoordelingsgesprekken van mijn personeel of moet ik maar accepteren dat het gaat zoals het gaat. Sla ik met mijn schoen op tafel tijdens vergaderingen of ben ik er meer mee gebaat dat de sfeer een beetje leuk blijft. Ga ik akkoord met het beroep dat het bestuur op mij doet ten aanzien van allerlei school overstijgende klussen of steek ik die tijd liever in mijn eigen school? Als ondergeschikte ben ik een beetje week geworden ten aanzien van de lastige positie waar schooldirecteuren in verkeren vooral als er weer eens een zijn biezen moet pakken omdat hij door dat enorme krachtenspel omver geblazen is. Maar er is natuurlijk wel een grens aan deze weekheid. Kom op dames en heren! Treed eens op. Klauter uit dat moeras van eisen en tegenstrijdige verwachtingen. Dit komt niet meer vanzelf goed. Ontwikkel een visie op leidinggeven. Enthousiasmeer. Stel hoge eisen aan het personeel maar sta altijd achter ze bij problemen. Laat iedereen netjes op de deur kloppen en een afspraak maken, ook het bestuur en de ouders. Haal zinvolle scholingen binnen. Creëer sfeer in de school, organiseer zo nu en dan spetterende feesten en ontworstel de school en het team aan de waan van de dag. Met een beetje lef is het een prachtig beroep. Er staat nergens geschreven dat schooldirecteuren boksballen horen te zijn met wie zelfs het meest inspraakgevoelige type medelijden krijgt. Neem ook geen enkel advies meer aan, behalve natuurlijk het mijne!

maandag 11 mei 2015

Column. Gymles

In het hok, achter een kast zit Bas. Hij zit daar al even. Ik loop naar Kenneth. Moet hij daar nu de hele les blijven zitten? Kenneth kijkt mij aan. Bas was wel erg vervelend, zegt hij. Ik knik. Dat is waar maar de hele les? Ik had hem gewaarschuwd juf! Dat is ook waar, antwoord ik, maar toch.. Kenneth geeft zich gewonnen. Hij loopt hij naar de kast. Doe maar weer mee, zegt hij grootmoedig. Bas staat op en kijkt mij opgelucht aan. Maar nog een ding, zegt Kenneth dreigend. Bas draait zich om. Ja? De volgende keer kun je je aankleden! Dat is goed, zegt Bas gedwee. Kenneth vervolgt zijn les. Hij geeft een les free running. De les is heel goed voorbereid. Het is wonderlijk hoeveel overwicht en overzicht hij heeft. Het niveau ligt op derdejaars pabo. Ik overdrijf niet. Kenneth is niet de enige die zo goed lesgeeft. Ook Thomas verandert van een wat onzekere, onopvallende knaap in een stevige leider als hij hockeylessen geeft. Kijk, je houdt de stick zo vast en dan sla je de puck met een slag…Doortje, je let niet op, straks weet je niet wat je doen moet! Sorry Thomas. In orde Doortje, ik zal het nog eens vertellen. Kijk.. Hij loopt aandachtig rond tijdens de les. Hier corrigeert hij een houding, daar doet hij het een keer voor en elke keer als iemand probeert de aanwijzingen in de wind te slaan snelt hij naar zijn klasgenoot toe. Wat zei ik nu? O ja. Sorry. Gymles geven is ontzettend belangrijk voor deze groep 7. Hun zelfstandigheid bij deze lessen kwam geheel organisch tot stand. Een aantal jongens vroeg op een goed moment of ze sommige lessen zelf mochten geven en ze bleken dit zo goed te kunnen dat ik het prima vond. Ik grijp alleen nog in als het onveilig dreigt te worden of als ze teveel van elkaar vragen. Als ze niet durven dan hoeft het niet Thomas. O nee, dat is ook zo juf. Zowel Thomas als Kenneth snappen niets van niet durven of niet kunnen. Ze denken dat iedereen met een beetje lef en toewijding wel verder komt. Dat is natuurlijk ook zo maar dan kennen ze de toewijding waarmee de brigade van de omgeklapte enkeltjes hun onvermogen kracht wenst bij te zetten nog niet. Doortje en Aisha zijn niet voor de poes: zien jullie niet hoe zwaar ons alles valt. Nee? Dan gaan we wel huilen. Er doet altijd wel iets zeer. Zelfs bij een sprongetje van een halve meter wellen er al tranen. Daar snappen deze jongens niets van. Probeer het maar, zeggen ze lief, zal ik je een hand geven. Als de sprong gewaagd en het enkeltje bezeerd is dan rennen ze naar het toilet om een nat doekje voor het vermeende slachtoffer te halen. Zo schattig. Omdat Thomas en Kenneth zo goed zijn volgden de andere jongens al snel hun voorbeeld. Er kwamen voetbaltrainingen, volleybaltrainingen, spellessen. Ze stonden in de rij voor mijn bureau om een afspraak voor een les te maken. Er volgden stevige discussies over de inhoud en het vervolg van de trainingen. En elke dinsdag om iets voor half negen staan ze me op te wachten bij de gymzaal met de lesvoorbereiding in de hand en een frons op het voorhoofd. Is er genoeg tijd om alles klaar te zetten? Zou dat en dat uit de kast mogen worden gehaald? Is er ook nog tijd voor een eindspel? En daar zit ik dan op de bank met de armen over elkaar. Ik ben dol op ze op zulke momenten. Tot ze zich aan moeten kleden. In de kleedkamer wordt de les namelijk nabesproken. En dan zijn het ineens weer jongetjes van 10.

zaterdag 18 april 2015

Column. Brandstapel.

Onlangs liet ik samen met mijn klas Catootje maar weer eens naar de botermarkt gaan. Het was zeker tien jaar geleden dat ik dit lied voor het laatst met een klas gezongen had- ik dacht dat mijn leerlingen het maar een oudbakken gevalletje zouden vinden- maar het bleek een instant hit. Kettingliedjes zijn erg populair dit jaar. Ze stelden meteen voor om met dit lied de bühne op te gaan bij de Sterrenparade. De rollen werden verdeeld en Myrthe sleepte een hele kist met verkleedkleren mee naar school. Binnen de kortste keren stonden ze allemaal vrolijk uitgedost op een botermarkt. Er was echter een probleem tijdens het instuderen van het lied: die dikke meid. Het opvoeren van een dikke meid op het toneel was bepaald geen handeling waarmee ik ‘kanjerjuf van de week’ zou kunnen worden. Twintig jaar geleden kon ik het meisje dat haar verbeeldde nog flink inzwachtelen en onbekommerd lekker laten zoenen maar nu zou het benadrukken van haar omvang de wenkbrauwen van de toeschouwers ongetwijfeld omhoog laten gaan. Ik was een tijdje in dubio. De afweging die ik moest maken deed me denken aan een voorval bij een bezoek aan een opera van Purcell. Ik raakte in gesprek met een dame die zich verontwaardigd toonde over het on-feministische gehalte van het werk. Ik deelde deze verontwaardiging niet. We hebben het hier wel over de 17e eeuw, bracht ik verbaasd in. Ze was echter onvermurwbaar. De vrouwonvriendelijkheid stoorde haar en daarmee uit. De tekst van Catootje komt ook uit een ander tijdsgewricht. Kan ik dat nu zo laten omdat het toen heel gewoon was of moet ik het aanpassen aan de moderne opvattingen over wat hoort en niet? Na ampel beraad besloot ik er maar een lieve meid van te maken. Een kleine aanpassing vanwege het voortschrijdend inzicht en zo meer. Er wordt immers in de loop van de tijd wel meer overboord gekieperd vanwege dat inzicht. In mijn jonge jaren als juf sneuvelde De Olijke Tweeling. Een serie jeugdboeken, geschreven door Arja Peters. Van de een op de andere dag werden deze boeken door met name bibliothecaressen in de ban gedaan. Het taalgebruik deugde niet, de karakters waren te stereotiep. Gehoorzaam mikten wij de boeken ook op school in de papiercontainer. Grappig genoeg overleefde de serie de brandstapel wel. Er komen namelijk nog steeds nieuwe deeltjes uit. Hertaald en aangepast aan de nieuwe politiek correcte normen. Een serie die echter niet te redden was –en terecht- is Piempampoentje, Pompernikkel en Piepeling door Piet Broos. Geschreven in de jaren veertig van de vorige eeuw. Het boekomslag maakt meteen duidelijk waarom. Alleen de Klu Klux Klan zou er nog belangstelling voor kunnen hebben. Ik durf bijna niet te schrijven dat ik die boeken in bezit had en zelfs graag las. Ik voel me met terugwerkende kracht schuldig. Waar je echter nooit op verdacht kunt zijn in een klas is hoezeer leerlingen zelf met een tekst aan de haal kunnen gaan. Zo zal ik hier maar niet expliciet beschrijven wat er ooit eens ’s avonds allemaal met de arme Dina in de keuken gebeurde. Er hoorde enthousiast op een banjo gespeeld te worden maar met dit stel kinderen ging het er beduidend minder onschuldig aan toe. Ik deed het lied de rest van het jaar in de ban. Een andere ban die ik ooit eens uitsprak betrof ‘de haan is dood’. Halverwege het aanleren van dit lied aan mijn nieuwe groep viel me op dat de leerlingen dit keer wel erg enthousiast mee zongen. Ik keek wat achterdochtig om me heen maar er viel me niets op. Dus zette ik opnieuw in. Tot Rudie plotseling in tranen uitbarstte. Ik stopte abrupt en vroeg wat er was. Hij heet ‘de Haan’ juf, lichtte Rosa toe terwijl ze me verwijtend aankeek.

zaterdag 4 april 2015

Column. Goed Beter Best

Ooit was het vergelijken van leerlingen en hun leerresultaten een pedagogische doodzonde. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw moest je er echt niet mee aankomen. Ieder kind was namelijk speciaal. Ook leraren werden niet beoordeeld of vergeleken met elkaar. Het hoofd der school gaf zelf les en had om die reden geen tijd om zijn personeel te beoordelen. Zo nu en dan kwam er een inspecteur op bezoek maar zijn bevindingen waren arbitrair en hadden amper consequenties. Nu wemelt het van de beoordelingsinstrumenten: van de Citotoetsen en methodetoetsen bij leerlingen, de beoordelingsinstrumenten voor leraren tot de audits van allerlei instanties in de hele school. De inspectie valt niet zomaar meer binnen maar kondigt haar komst uitgebreid aan. Als het niet in orde is, dan komt de inspectie terug, en nog eens, en nog eens. De interne begeleider komt kijken, de directeur komt inventariseren. En alles wordt geboekstaafd tot het eind der tijden. Kortom het is een drukte van belang daar op de drempel van de klas. Vergelijken, beoordelen, de maat nemen, deze zaken lijken een ding gemeen te hebben: het is nooit genoeg. Het gaat niet om een C-score bij Cito, nee het gaat om een hoge of lage C-score, of wacht…die categorieën zeggen onvoldoende, laten we er Romeinse cijfers van maken, dan weten we meer. Het gaat niet om een vruchtbaar gesprek tussen directeur en leraar waarin ze de tijd nemen om elkaar eens uitgebreid te spreken over de meest wezenlijke dingen op school, nee het gaat om het invullen en plichtmatig afwerken van lange lijsten competenties. Niet alleen de ouders, ook de leerlingen zijn steeds beter gaan kijken waarin zij zich onderscheiden ten opzichte van elkaar. Wat heb je immers aan een A-score als vijf andere leerlingen in de klas ook zo’n score hebben? Dus bestuderen ze de grafieken die meegegeven worden bij het rapport heel zorgvuldig: kijk haha, ik heb hier een hogere A dan jij! De hamvraag is natuurlijk: wordt het er allemaal beter van? Ik denk van niet. De huidige situatie in de Verenigde Staten maakt akelig duidelijk dat het meten van resultaten geen natuurlijk einde kent met als gevolg dat men op de public schools alleen nog twee dingen doet: toetsen en oefenen voor de toets. Het koppelen van de resultaten van de leerlingen aan de inspanningen van hun leerkrachten leidt daar inmiddels tot schrijnende want volslagen onterechte ontslagrondes en veel burn-outs. Niemand wil in de Verenigde Staten inmiddels nog leraar worden. Het harteloze systeem heeft de hele beroepsgroep vogelvrij verklaard. Die kant kan het hier ook zomaar opgaan. Goede leraren moeten het vooral hebben van hun intrinsieke motivatie, hun speelsheid en hun vermogen om snel en goed waar te nemen en te anticiperen. Op achterdocht gestoelde controles zorgen ervoor dat zij eerder slechter presteren dan (nog) beter, terwijl leraren wiens hart niet echt bij hun vak ligt geen haar beter gaan presteren door al deze bemoeizucht. Ze zijn namelijk vaak te druk met solliciteren naar een andere (hogere) functie, zo eentje waarbij ze zelf iedereen de maat kunnen nemen. De wereld heeft niet alleen toppresteerders nodig. Waarom zouden we alleen mensen willen opleiden die A-tjes vergelijken of met enorm veel bijles diep gefrustreerd en beroofd van alle lol in leren een hoge C-score bereiken? De wereld heeft ook kunstenaars, dichters, schrijvers nodig en –waarom ook niet-luiaards, dromers en lanterfanten. Er moeten auto’s gerepareerd worden en gebouwen schoongemaakt. Al dat toetsen, al dat vergelijken, al dat goed-beter-best gedoe leidt tot een diepe frustratie bij kinderen: het constante gevoel niet goed genoeg te zijn. Ik kan dit niet juf! We hadden gewoon gelijk in de vorige eeuw: vergelijken is een pedagogische doodzonde. Kinderen kunnen namelijk niet mislukken. Een systeem kan dat wel.

zaterdag 21 maart 2015

Column. Skills

Er zijn momenten dat mijn klas en ik elkaar niet begrijpen. Zo’n moment doet zich voor als het Jeugdjournaal een item laat zien waarin zangeres Anouk het publiek tijdens een optreden vraagt niet steeds door alle nummers heen te kwaken. Ga naar de kroeg of houd je mond dicht en luister, zegt ze. Terecht vind ik. Mijn klas is het echter in het geheel niet met haar eens. Natuurlijk moet je gezellig kunnen kletsen tijdens zo’n optreden. Wat een rare vrouw, die Anouk, wat een vreemde wens. Ook mij vinden ze soms een vreemde vrouw met rare wensen. Vooral mijn opdracht om tijdens schooltelevisie uitzendingen niet overal de hele tijd commentaar op te leveren vinden ze raar.In dit interactieve tijdperk val ik uit de boot met de opdracht om kennis zonder interruptie tot je te nemen. Mijn pogingen zijn regelmatig tevergeefs. Als het niet hardop mag dan doen ze het wel zachtjes maar commentaar blijven ze leveren. Er komt een moment dat iedere leraar op moet letten niet achterwaarts les te geven. Zeker als je -zoals ik- de grootmoederlijke leeftijd hebt bereikt.Ik mag dan bijna 60 zijn, er worden 21th century skills van me verwacht. Er zijn ook andere momenten waarop ik de aansluiting kortstondig mis: Sjoerd is een plaaggeest die de grens met kleine pesterijtjes soms overschrijdt. Het lijkt allemaal niet zo gemeend, het oogt ook vaak wat onhandig, hij biedt ook regelmatig zijn verontschuldigingen aan maar ondanks al mijn interventies stopt het niet. Op een dag zijn er aan het eind van de middag een paar minuten over en vraagt Thomas of hij een leuk filmpje mag laten zien. Het is een kort stukje uit een programma van Bert en Ernie waarin Bert Ernie plaagt door steeds van alle kanten achter hem op te duiken en‘kakhoofd’te roepen. Deze uit overwegend jongens bestaande groep vindt dat een geweldig leuke grap. Ze hebben de grootste lol. Ik zie mijn kans schoon. Als het filmpje is afgelopen loop ik naar voren, duik plotseling achter Sjoerd op en zeg ‘kakhoofd’. Ik herhaal dat een paar keer hinderlijk. Vervolgens gebeurt er iets opmerkelijks. Sjoerd kan er niet echt tegen en wordt een beetje rood maar ik zie dat hij heel goed snapt wat ik doe. De klas reageert echter verdeeld. Er zijn er die het heel leuk vinden dat Sjoerd met zijn eigen gedrag geconfronteerd wordt en er zijn er die geschokt zijn dat een juf zoiets doet. Ik zie ze verbaasd kijken. Een juf hoort kennelijk pedagogisch geheel verantwoorde lesjes te geven waar je van knikkebolt en vervolgens braaf zegt dat je het nooit meer zal doen. Koekjes van eigen deeg zijn uitwassen uit de vorige eeuw. Dezelfde geschoktheid merk ik ook aan veel reacties op het programma van Jo Frost op RTL. Haar stevige aanpak in situaties waarbij het in gezinnen volstrekt uit de hand gelopen is leidt tot veel ophef, er is zelfs een actiegroep op Facebook en Twitter die haar van de buis wil hebben. Haar aanpak zou schadelijk zijn voor kinderen. Kinderen horen opgevoed te worden, niet afgericht, voert deze groep aan. Zelf denk ik dat er in deze gezinnen allang veel schade aangericht is en dat Jo Frost niet veel anders doet dan die schade te herstellen zodat er opnieuw aan een goede relatie gewerkt kan worden maar kennelijk is er -terwijl ik maar wat onbekommerd les stond te geven in al die jaren- iets veranderd waardoor nu ineens Jo Frost een bruut is in plaats van een kundige hulpverlener en opvoeder. Dat geeft te denken. Ik vrees dus eigenlijk dat het te al laat is en dat ik met mijn aversie tegen de hedendaagse rubberentegel-pedagogiek allang met mijn rug naar de 21e eeuw sta. Ook mijn eigen boontje zal om haar loontje komen.

zaterdag 7 maart 2015

Column. Belonen.

Er wordt tegenwoordig heel wat omgedacht en vandaag doe ik even mee. Ik kreeg de geest toen ik las dat er ergens een school is waar de doorgaande ruimtes in het gebouw in twee delen zijn gesplitst: een baan om rustig te lopen en een om te rennen. Het leek me een geweldig idee. Ik begrijp goed dat veel leerlingen een dwingende behoefte hebben om te rennen. Al dat enthousiasme, al die levenslust, waarom zou ik daar in vredesnaam de hele dag tegen de keer gaan? Maar ja, het leidt tot ongelukjes, tot geduw, tot ruzie. Het zijn vaak jongetjes die flink snelheid maken en meisjes die flink omvallen, kleinere leerlingen die platgewalst worden door grotere leerlingen en bovenal: leraren die op weg naar hun lokaal erbarmelijk onder de voet worden gelopen. Een beetje beschaafde school wil zulke praktijken niet. Daarom vind ik dat idee van de aparte banen ook zo leuk: je neemt zelf de verantwoordelijkheid om je er tussen te gooien en als het mis gaat dan moet je niet zeuren. Een pracht van een levensles. Dat het zo makkelijk niet zal gaan weet ik natuurlijk wel. Tijdens sneeuwbalgevechten zijn er ook altijd leerlingen die wel willen gooien maar niet willen incasseren en dan als een haas de sneeuwbalvrije zone in glippen. Maar ook dat is een reden voor een mooie levensles: o,o,o wat ben jij een watje, roep ik regelmatig pedagogisch geheel verantwoord op de grens van die twee gebieden. Diezelfde inventieve school had ook een glijbaan naast de trap gemaakt. Geweldig. Ook mijn leerlingen glijden graag stiekem langs een rand van de trap. Een rand die wel speciaal voor dat doel gemaakt lijkt. Ik snap dat. Maar ja, glijden kan tot een onverwacht spectaculaire versnelling leiden die genadeloos hard kan eindigen op het plateau onder aan de trap. Tja, knik ik dan vriendelijk terwijl ik het slachtoffer overeind help, dit kan natuurlijk gebeuren als je glijdt. Een glijbaan zou echt een oplossing zijn. Toch krijg ik louter verbaasde blikken als ik deze standpunten over het voetlicht breng. In een school wordt gewoon niet gerend en niet van de trap gegleden. Zulks is taboe en dient bestraft te worden. En als het in grote getale toch gebeurt dan dient het met man en macht bestraft te worden. Omdat het met man en macht straffen als opvoedkundig wapen wat uit de tijd is, komt er altijd iemand op het idee om niet het slechte gedrag te bestraffen maar het goede te belonen. Zo lang ik lesgeef heb ik me altijd wat ongemakkelijk gevoeld bij dit op het eerste gezicht zo nobele streven. Beloond worden omdat je je goed gedraagt, het heeft iets raars. Het is ook lastig vaststellen wie er dan beloond moet worden. Voor je het weet wint de klas waarvan de leerlingen maar drie keer gerend, twee keer gegleden en een keer rumoer gemaakt hebben bij het binnenkomen. De andere klassen hadden een hoger gemiddelde en vallen dus uit de boot. Het kan eigenlijk niet anders dan tot veel administratie en natte vingerwerk leiden. Ook in afzonderlijke klassen wordt soms intensief gewerkt met beloningssystemen. Groepjes kunnen stickers winnen of zonnetjes op het bord verzamelen. Er worden beloningen in het vooruitzicht gesteld, cadeautjes uitgedeeld. En altijd is iedereen in het begin lyrisch: de kinderen (nooit zo stil geweest), de leraren (nooit zo fijn instructie kunnen geven), de ouders ( zoveel rustiger thuis). Het werkt totdat het niet meer werkt. En dat moment komt sneller dan verwacht. Sommige leerlingen houden het niet vol, verprutsen het voor hun groepsgenootjes, vinden dat even heel erg, proberen het opnieuw, falen weer en keren dan fatalistisch hun kont tegen de krib: het lukt toch niet en het kan me niks meer schelen. En daar sta je dan met je zonnetjes, stickertjes en andere cadeautjes.