zondag 21 december 2014
Column. Broertjes
Ze zijn niet identiek maar wel onmiskenbaar een tweeling. Fijne gezichten, mooi lang zwart haar. Wensley draagt het los met krullen, Kenneth in een staart. Het enige dat ze echt gemeen hebben is hun lenigheid en hun snelheid. Ze rennen allebei als hinden over het schoolplein. Verder verschillen ze als dag en nacht. Wensley is bedachtzaam. Kenneth is impulsief en soms explosief. Het komt regelmatig voor dat de laatste woedend met de bal onder de arm het voetbalveld verlaat. De andere jongetjes kijken in zo’n geval onmiddellijk naar zijn broer. Ah, haal hem even terug, het speelt zo onhandig zonder bal. Maar Wensley piekert er niet over. Hij is zichtbaar ongelukkig over deze actie van zijn broer maar hij zal hem nooit afvallen. Dus blijft hij roerloos staan terwijl hij naar de verdwijnende rug van Kenneth staart. In de klas werken ze allebei even hard. Wensley haalt goede resultaten, hij zit in de plusgroep. Kenneth ploetert en ploetert maar presteert net beneden het gemiddelde. Hij verbijt zijn teleurstelling dapper. Op een dag lukt het hem bij een hoofdrekenles niet meer om zich goed te houden. Ik zie het pas als ik de blik van zijn broer opvang. Die kijkt zo doodongelukkig achterom dat ik onwillekeurig zijn blik volg. Daar zit Kenneth verwoed te krassen in zijn rekenschrift terwijl de tranen langs zijn wangen biggelen. Ik loop naar hem toe. Stop maar, zeg ik, ik heb het te moeilijk gemaakt voor je vandaag. Kenneth kijkt me wanhopig aan. Maar ik moet dit kunnen, snikt hij. Als ik naar het schrift van zijn Wensley kijk, zie ik dat hij al klaar is. Hij legt snel zijn arm ervoor zodat zijn broer het niet ziet maar die weet het natuurlijk allang. In de gymzaal is het echter net andersom. Daar voelt Kenneth zich als een vis in het water. Er is niets dat hij niet durft, niets dat hij niet kan. Hij klimt in het hoogste touw, maakt ingewikkelde salto’s en toont zich een natuurlijke leider als er iemand geholpen moet worden met een oefening. Liefdevol coacht hij iedere aarzelende klasgenoot: kom maar, je kunt het wel, geef me je hand maar. Zijn broer zou qua lenigheid hetzelfde kunnen maar zijn bedachtzame aard maakt dat hij het allemaal wat rustiger aan doet. Het kan ook zijn dat hij Kenneth de eer gunt. Wensley is een enorme fan van lessen waarin ik uitweid over de wereld. Vooral als ik er ook nog landkaarten bij haal en met brede armbewegingen door de geschiedenis en het heden dwaal en en passant ons sterrenstelsel verlaat, schuift hij zijn stoel steeds verder in mijn richting. Totdat hij bijna voor me zit en ik het gevoel heb dat we nog maar met zijn tweeën zijn en er alleen nog dit moment is. Kenneth heeft hier beduidend minder geduld voor. Hij droomt liever wat weg. Bij het zelfstandig werken probeert hij altijd bij degenen te zitten die wel in zijn voor een lolletje. Wensley niet, die zoekt de verste computer op en gaat daar volstrekt zijn eigen gang. Hij speurt het internet af op zoek naar nog meer informatie en vooral naar nog meer landkaarten. Beide broers zijn geweldige toneelspelers en dansers. Hun lef, hun mimiek, ze zijn uitzonderlijk goed. Als ik een programma samenstel voor de Sterrenparade meldt Kenneth zich. Je moet het morgen eerst maar eens aan de klas en mij laten zien, zeg ik. Kenneth schudt zijn hoofd. Het is een verrassing, zegt hij schalks. Ik knik en zet zijn naam op de lijst. Het is de eerste keer in mijn loopbaan dat ik het doe maar iets zegt mij dat ik er blindelings op kan vertrouwen dat het ook zonder mijn bemoeienis een succes wordt.
zaterdag 20 december 2014
Artikel. Een ondergeschoven kindje
Het leerlingenaantal daalt gestaag. Scholen van allerlei signatuur verliezen leerlingen en openbare scholen verliezen –vooral in de grote steden- net even wat meer leerlingen. Ze lijken een ondergeschoven kindje te worden. Dat is treurig want openbaar onderwijs is toevallig wel mijn kindje. Ik hou er veel van. Wie googelt op de woorden openbare school en ondergeschoven kindje komt heel wat zogenaamde en echte gebreken tegen op het internet: gymlessen, muzieklessen, voorschoolse- en tussen schoolse opvang, de slimme leerling, de beelddenkende leerling, de langzame leerling, alsmede de leerling die niets over dementie weet, onderricht moet krijgen in zus of zo, het wemelt op het net van de zaken die niet of onvoldoende aandacht krijgen in het openbaar onderwijs maar de belangrijkste verbinding tussen ondergeschoven kindje en openbaar onderwijs wordt gek genoeg nergens genoemd: namelijk dat het zelf zo kindje is. Een ideale wereld zou alleen maar openbare scholen moeten kennen. Hier en daar wat opgesierd met Dalton-Jenaplan- of Montessori versierselen, vooruit.. de Vrije School heeft ook rechten maar dan houdt het toch wel op. Al die segregatie in schoolkeuze leidt tot verdeeldheid, tot een wij-zijn-beter-dan-zij-mentaliteit. Verdeeldheid is het laatste waar je jonge kinderen mee lastig zou moeten vallen. Het veroorzaakt muren, scheidslijnen, eilandjescultuur, conflicten en er is een reëel gevaar dat je op deze wijze een prediker voor eigen parochie, een koppensneller of anders wel een trol op het internet wordt . Waarom woedt de Verschrikkelijke Krimpziekte (met dank aan Roald Dahl) dan toch erger in het openbaar onderwijs dan elders? Ik werd pas echt ongerust toen de een na de andere jonge collega bij mij op school liet weten dat zij haar kind bij het bijzonder onderwijs had aangemeld. Zonder dat ik het aan ze had gemerkt - ik denk dat ze er zelf ook verrast door waren- hadden ze een katholiek dan wel protestants christelijk tintje bij zichzelf ontdekt. Ook kwam hier en daar een dwingend geografische aspect om de hoek kijken: de openbare school was wel 100 meter verder lopen dan de protestantchristelijke! Ik vond het een zorgelijke ontwikkeling. Als zelfs de uitvoerders van openbaar onderwijs er niet meer in geloven hoe moeten ouders van leerlingen dan bewogen worden om een keuze te maken voor openbaar onderwijs? Het meest verbazingwekkende aan deze zaak was nog wel dat deze collega’s met enig angst en beven hun positie op de afvloeiingslijst in de gaten hielden. Hoe nu? Op mijn mindere momenten riep ik dan ook narrig dat ze juist als eerste hoorden af te vloeien. In het blad School van maart jongstleden stelt Annemarie Juli zich voor als nieuw bestuurslid van de VOS/ABB. ” Het openbare karakter van onze scholen{..} is geen vrijblijvend attribuut en zeker geen aanduiding van een restcategorie”, betoogt ze. Onbedoeld legt Juli hier de vinger precies op de zere plek. Ik had duidelijk op het verkeerde begrip gezocht op het internet. Openbare scholen worden wel degelijk door veel ouders gezien als een restcategorie. Wie op het internet zoekt op ‘openbaar onderwijs’ en ‘afvoerputje’ vindt zelf nog veel meer hits. De Vereniging Openbaar Onder (VOO) organiseerde dit voorjaar een campagne om het openbaar onderwijs met al haar mooie uitgangspunten weer op de kaart te zetten maar verder dan wat ludieke acties kwam het niet. In het huidige wat grimmige klimaat zetten ludieke acties helaas onvoldoende zoden aan de dijk. Want grimmig is het. Nu we het onderling in deze samenleving bijna over niets meer eens kunnen worden en veel wezenlijke discussies snel een verhit karakter aannemen trekt iedereen zich steeds verder terug op zijn eigen gebied: ons soort mensen in ons soort wijken op ons soort scholen. Exit openbaar onderwijs, ook al verdien je er je brood. De concurrentiestrijd waarin scholen in deze neoliberale tijden verwikkeld zijn geraakt helpt ook al niet mee om de positie van het openbaar onderwijs veilig te stellen. Natuurlijk breken de besturen van alle zuilen zich het hoofd om de uitstroom te keren. Er wordt driftig in een steeds kleiner wordende vijver gevist. Omdat er op openbare scholen geen geloof is dat hen bindt, geen hemelse orde waarop terug gevallen kan worden wordt er al snel gevraagd om zich anderszins te onderscheiden. Maar dat is niet gemakkelijk. De corebusiness van een school bestaat uit rekenen, taal en lezen en moet aan wettelijke normen voldoen. Dus wordt het meer in de details gezocht: onderwijs aan hoogbegaafden, meerbegaafden, extra aandacht voor hoog gevoeligheid, beeld denken, techniekonderwijs, continuroosters, de een na de andere oekaze bereikt de scholen in de hoop dat de uitvoering van deze richtlijnen tot een verminderde uitstroom en zelfs toestroom leiden. Soms helpt het. Sterrenscholen zijn op dit moment erg populair. Maar meestal helpt het niet of erger: bij de concurrent doen ze precies hetzelfde. Dan maar van concept veranderen: School A. kan best een Jenaplan school worden. School B. een Sterrenschool. School C. en D. kunnen fuseren en samen als een feniks uit de as herrijzen. Het lijkt allemaal logisch maar de werkelijkheid is weerbarstig. Het ene team heeft niets met Jenaplan, het andere vindt het werken met een Sterrenschoolconcept veel te omslachtig, weer een ander is in meerderheid te oud om aan een continurooster te wennen. Elk jaar wordt er verwoed met concepten, leerkrachten en soms hele teams over de scholen geschoven en als het allemaal erg chaotisch of vermoeiend wordt staat iedereen plotseling tegelijk stil en wijst kwaad naar de directeur. Als we maar een andere directeur zouden hebben! En hup daar schuift ook de directeur. En onderwijl woekert de Verschrikkelijke Krimpziekte voort: daar gaat weer een ouder met een drietal kinderen omdat het gras groener is aan de overkant, daar gaan weer vijf klasgenootjes in de slipstroom mee, daar raakt een klas ineens zoveel meisjes kwijt dat de rest van de meisjes ook maar mee gaat. En steeds vaker worden er geen leerlingen aangemeld omdat er doodgewoon geen leerlingen zijn. Het openbaar onderwijs zieltoogt. Van het ondergeschoven kindje zijn op dit moment alleen de wanhopig trappelende beentjes nog zichtbaar. En het is zo’n mooi kindje.
maandag 8 december 2014
Column.Vechtscheiding.
Het is van alle tijden. Twintig jaar geleden overkwam het me ook al. Ik herinner me het uitgestreken gezicht van Lindsey nog goed. Het is haar gelukt om haar moeder halsoverkop de klas binnen te laten stormen met een verwijt omtrent het een of ander. Ik ben de eerste tien minuten bezig om te achterhalen waar al deze verwijten in hemelsnaam over gaan en heb vervolgens tien minuten nodig om te herstellen van de brutaliteit waarmee Lindsey alle feiten verdraaid heeft. Ik kan me alleen nog maar verdedigen en aan zoiets heb ik altijd erg de pest dus het gesprek verloopt in een gespannen sfeer terwijl we onderwijl gade geslagen worden door een kind van tien dat heel tevreden lijkt met de ontwikkelingen. Deze situatie herhaalt zich dat jaar nog zo’n twee keer. Ik zie het nooit aankomen en begrijp ook niet waar die enorme gebetenheid van moeder en de beweegredenen van Lindsey vandaan komen. Totdat moeder mij op een dag vraagt of ze me even spreken kan en ietwat bedremmeld vertelt dat ze in een enorm lastige scheiding verwikkeld is en dat het tot haar doorgedrongen is dat Lindsey op deze wijze aandacht vraagt en het helaas ook gekregen heeft. Ze biedt haar excuus aan. Tien jaar later ontspoort een tienminutengesprek met de vader van Aris op dezelfde wijze. Een plotselinge aanval, een levensgroot verwijt. Ik kijk verbaasd naar de vrouw naast hem. Ik ken haar in tegenstelling tot vader goed. We hebben veel contact gehad over de wat moeizame positie van hun zoon in de klas en er is veel ondernomen om het pestgedrag van een klasgenoot richting Aris te stoppen. Dat is gelukt. De vader verwijt mij dat dit gepest überhaupt heeft kunnen gebeuren. Een school moet ten alle tijden veilig zijn, dondert hij. Dit had zijn zoon nooit mogen overkomen! Hij slaat met zijn hand op tafel, kijkt de moeder van Aris en mij nog eens woedend aan en beent het lokaal uit. Op weg naar de jonge vrouw waarvoor hij zijn vrouw en kinderen onlangs van het een op het andere moment heeft verlaten. Ik heb hem daarna nooit meer gezien. Een paar jaar later zit Alona in mijn klas. Aan het begin van het jaar lijkt er niets aan de hand te zijn. Het is een vrolijk onbekommerd meisje met veel vriendinnen maar langzaam maar zeker sluipt er iets sombers in haar. Ze gaat er vermoeid uitzien, huilt regelmatig als ze iets niet snapt en maakt regelmatig zomaar ruzie met haar vriendinnen. Moeder komt op school. Ze is ook bezorgd. Is ze wel gezond, vraagt ze me, zit ze wel lekker in haar vel? De dokter wordt geconsulteerd. Het ziekenhuis doet onderzoek. Op school wordt haar werk aangepast en wordt er extra hulp ingezet. Kortom: de juf en de vriendinnen van Alona tobben wat af met haar. Aan het eind van het schooljaar is er geen duidelijke vooruitgang en ook geen duidelijke verklaring voor de verandering in het karakter van Alona. Na de zomervakantie blijkt dat haar ouders uit elkaar zijn gegaan. Huwelijksproblemen….ze komen op de een of andere vervormde wijze vaak op het bordje van leerkrachten terecht. De tijd die verloren gaat met het zoeken in de verkeerde hoek en het aanbieden van de verkeerde hulp is groot en gaat ten koste van wat deze kinderen echt nodig hebben: aandacht, begrip, een schouder om op uit te huilen. Het zou zoveel eerlijker zijn als ouders die uit elkaar gaan bij je komen en zeggen: al het brutale gedrag, al die plotselinge leerproblemen, lichamelijke kwalen en andere aandachttrekkerij dat nu zomaar uit het niets lijkt voort te komen …het is mijn schuld, het is onze schuld. Wij zijn verantwoordelijk en het spijt ons. Vooral voor onze kinderen maar ook een beetje voor jullie.
maandag 24 november 2014
Column. Sam
Juhuff. De stem van Sam heeft een speciale klank als hij me aanspreekt. Innemend maar ook dwingend. Juf, ik kan mijn veter niet strikken. Je bent de eerste in al die jaren waarin ik lesgeef aan groep 7 die me dat vraagt, zeg ik verbaasd. Hij kijkt me olijk aan. Ik kan het echt niet, zegt hij. Maar hoe komt dat dan, vraag ik terwijl ik door de knieën zak. Ik heb mijn strikdiploma nooit gehaald, antwoordt Sam doodernstig. Ik knik. Dan wordt het tijd jongen. Nu is het de beurt van Sam om verbaasd te kijken. Echt waar? Juhuff. Hoewel ik midden in een gesprek met een collega zit, prikt Sam in mijn zij. Juf, ik heb een Batmancape! Ik pak hem bij de schouders en keer hem zachtjes om terwijl ik mijn gesprek voortzet. Hij prikt echter onverdroten door. Wat is dat nu met die cape, vraag ik. Mag ik ‘um om in de klas? Natuurlijk, zeg ik. Even later zweeft hij door de klas. De cape staat hem goed. Er is geen klasgenoot die er iets van zegt. Ik zie aan zijn gezicht dat het hem ernst is. Hij speelt geen rol, hij is Batman. Ik zou graag zien dat hij zijn rol als leerling net zo serieus nam. Maar dat is niet zo. Het liefst zit Sam de hele dag wat vriendelijk om zich heen te staren. Bij voorkeur naar het plafond. Hij heeft een prettige binnenwereld, dat zie je zo. Hij kijkt altijd wat geschrokken als ik hem eruit laat ontwaken en zijn aandacht opeis met sommen en spellingsregels. Ben je al begonnen? Nee, sorry. Uit zichzelf komt hij nergens toe maar aan werkafspraken houdt hij zich redelijk. Dat wil zeggen: als ik alle vraagtekens over het hoofd zie. Een antwoord moet hem direct te binnen schieten. Nadenken, uitpluizen, trial en error, hij begint er niet aan. Voor ik weet dwaalt zijn blik weer alle kanten op en zet hij achteloos vraagtekens waar antwoorden hadden moeten staan. Op een dag heeft hij geen cape om maar een klein nagemaakt laboratoriumflesje in zijn hand. Juhuff, weet u wat dit is? Hij draait het flesje langzaam om. Plutonium, staat er in grote hanenpoten. Hemeltje, wat ga je daar nu mee doen, vraag ik. Jaha, dat is een geheim, grinnikt hij. Als anderen vragen wat hij daar heeft, zwijgt hij geheimzinnig. We komen er niet achter. Tijdens gymlessen is hij ongelukkig. Hij klimt onhandig over de toestellen en is met spellessen veel te langzaam. Voor hij ook maar bedenken kan dat de bal zijn kant op komt, is een ander hem al te snel af. Daarom noemen sommigen hem stiekem ‘de etalagepop’. Hij kan erg verdrietig zijn als deze belediging in het voorbijgaan in zijn oor gefluisterd wordt maar hij komt het me nooit melden. Gelukkig zijn er altijd kinderen die het voor hem op nemen. Hij is dol op de lessen sterrenkunde waar ik onlangs mee begonnen ben. Hij drinkt de woorden bijna. Nog niet eerder dit jaar zag ik zoveel aandacht en interesse bij hem. Sindsdien word ik doorlopend in mijn zij geprikt. Juhuff, wanneer gaat u verder met die lessen, wanneer gaan we de sterrenkoepel in en wanneer gaan we door de sterrenkijkers kijken? Juhuff, juhuff! Het antwoord onthoudt hij maar even. Maar ik zei toch net…o ja dat is ook zo juf. De andere leerlingen accepteren hem meestal zoals hij is. Maar ze kiezen hem nooit. Niet om mee in een groepje te zitten, niet om mee te spelen, niet om mee samen te werken. Maar het is waarschijnlijk ook lastig samenwerken of spelen met zo’n fladderende, wonderlijke, over zijn veters struikelende klasgenoot in een Batmancape en met een flesje plutonium in zijn hand. Ik zou hem wel kiezen. Maar ja, ik zit niet naast hem.
zondag 16 november 2014
Column. Voetbalcoach.
Mocht ik nog mooie gedachten koesteren over mijn rol als duider van grote gebeurtenissen, voorlichter op het gebied van nuttige zaken als rekenen, lezen en taal en sociaal begeleider van klein en groot kinderleed, mijn huidige klas ziet maar een rol voor mij weggelegd: die van voetbalcoach en voetbalscheidsrechter. Het is geen prettige rol. Elke dag staan er knaapjes voor me die er tot in het diepst van hun ziel van overtuigd zijn dat zij even daarvoor- in de pauze, tussen de middag- uitermate onrechtvaardig behandeld zijn door iemand van de tegenpartij of niet zelden door de hele tegenpartij tegelijk. Die onrechtvaardige behandeling heeft tot een doldrieste aftocht geleid of een flinke trap tegen het scheenbeen van de tegenstander. In mijn naïviteit - ik vergeet steeds opnieuw dat voetbal in tegenstelling tot volleybal, trefbal en hockey, helemaal geen spel is maar een bezigheid die appelleert aan tribale oerinstincten, dacht ik dat ik met het intensief begeleiden van deze processen de zaak in goede banen kon leiden . Op sommige dagen is dat ook zo maar er zijn dagen dat er tijdens de pleinwacht of erger: aan het begin van de les, opnieuw een hele rij opgewonden jongetjes met knalrode gezichten voor me staat. De ene keer vanwege akkefietje zus, de andere keer vanwege akkefietje zo maar vooral om mij te melden dat het-niet-eerlijk-gaat. Omdat ik regelmatig niet begrijp wat er nou precies niet eerlijk gaat onderwerp ik op een goed moment het begrip eerlijkheid eens aan een nader onderzoek. Tot mijn verbazing blijkt dat minstens de helft van de jongetjes –en groep 7 bestaat dit jaar voor 80 procent uit jongetjes- er van overtuigd is dat een wedstrijd niet eerlijk gaat op het moment dat de ploeg waar zij toe behoren op achterstand komt te staan. Jullie kunnen dit niet menen, roep ik terwijl ik wanhopig mijn armen in de lucht werp. O ja hoor, dat menen ze echt. Het komt omdat de partijen niet eerlijk zijn verdeeld. Daardoor kunnen ze niet winnen en zodoende is er niets meer aan, roepen ze boos. Ik kan me dat voorstellen bij een stand van 10-0, weerleg ik geduldig, maar bij 2-0 is er toch niets aan de hand? O, jawel hoor, bij 2-0 kan het ook al heel erg oneerlijk zijn, roepen ze in koor. Ik besluit alles uit de kast te halen om deze knapen te leren sportief te spelen. Ik laat de partijen elke dag door andere kinderen verdelen, verbied het geven van negatieve commentaren en ga zelf langs de kant gaan om het goede voorbeeld te geven. Maar het blijft fout gaan, er zitten eenvoudig teveel gepassioneerde, egocentrische, driftige, enthousiaste jongetjes in deze groep die hopen dat ze de nieuwe Wesley Sneijder worden. Dus stel ik nog meer regels op, verbied nog meer soorten negatief gedrag, laat meer ballen meenemen zodat niemand er met de bal vandoor kan gaan en regel dat de kinderen die boos het veld uitlopen en voor het eind van de wedstrijd niet terug keren een volgende keer niet meer opgesteld worden. Maar voor ik het weet gaat het de hele dag alleen nog over voetbal. De eerste vraag die mij om half negen bereikt gaat over de opstelling. Om kwart over tien worden de eerste zuchten over de oneerlijke partijen onderdrukt. In de pauze zijn de eerste leerlingen al na een minuut terug om mij de eerste klachten te melden. En dan op een dag geef ik het op. Ik doe het niet meer, raas ik, na weer een chaotische wedstrijd. Ik ben een juf, geen voetbalcoach. Ik ben hier ingehuurd om rekenles te geven en spellingsregels uit te leggen. Ga maar wat anders doen in de pauze. Er wordt hier niet meer gevoetbald. Ze kijken me ontredderd aan. Iets anders doen?
maandag 10 november 2014
Column. Averechts
De herfstvakantie stond vooral in het teken van het omspitten van de achtertuin van Einstein en het breien van een snood. Ik hou mij graag op in de achtertuin van Einstein. Ik krijg maar moeilijk genoeg van al die fotonen, ionen, neutronen, protonen en elektronen. Niet omdat ik dat allemaal zo goed begrijp, dat doe ik niet, maar omdat het zo’n wonderlijke wereld is. Het maakt niet uit hoe vaak ik een boek over de relativiteitstheorie en de kwantummechanica lees, elke keer is er weer zoveel informatie weggezakt of simpelweg niet goed genoeg doorgrond dat het lijkt alsof ik steeds opnieuw het mooiste boek van de wereld mag lezen terwijl ik de afloop nog niet weet. Nee, dan breien, daar weet ik maar al te goed de afloop van. De laatste keer dat ik breinaalden in mijn hand heb gehad was ik tien jaar oud en heel erg boos. Boos op dat handwerkje dat maar niet wilde vlotten. Alle meisjes uit mijn klas hadden het al af. Twee jaar duurde deze lijdensweg. Twee jaar lang twee keer in de week handwerkles van juffrouw Spinnekop . En toen het af was, zag het er niet uit. Ik weet dat zeker want ik heb het nog. Het is een reuze zielig beertje. Mijn hekel aan deze juf was monumentaal. Ik weet zeker dat dat geheel wederzijds was. Maar goed. Het is nu bijna 50 jaar later. Een mens moet een keer besluiten ergens over heen te stappen. Ik kocht breinaalden, wol en het patroon van een snood. Daar lag het dan. Naast dat prachtige boek van Amanda Gefter over de achtertuin van Einstein. Gefter heeft niet gestudeerd. Het enige wat ze weet over natuurkunde als ze aan dit boek begint weet ze van haar gepassioneerde vader. Ze bluft zich bij natuurkundecongressen naar binnen en spreekt daar Stephen Hawking, John Wheeler en Leonard Susskind aan. Ze leest, leest en leest en bluft zich al even vrolijk bij the New Scientist naar binnen. Vervolgens schrijft ze dit geweldig leuke boek. Het kost me dan ook moeite om het weg te leggen. Maar ik vind dat ik die snood moet breien. Ik wil die weerzin overwinnen. Een mens moet zichzelf doelen stellen. Dus daar ga ik. Tot mijn verbazing brei ik de eerste pennen zo weg. Alle bewegingen zitten kennelijk nog ergens in mijn systeem opgeborgen en ik ontwaar enig plezier bij de voortgang die ik maak. Maar dan moet ik de pen averechts breien. En opeens glip ik door een wormgat heen en ben ik weer tien. Steeds opnieuw glijdt de draad van de pen en glipt er een steek vandoor. Weg! Verdwenen in een zwart gat. Aanstonds moet ik weer in die rij bij het bureau van juffrouw Spinnekop en zal ik haar blik opvangen als ze me ontwaart en haar diepe zucht horen als ze het werkje uit mijn handen grist. Ik smijt het trieste begin van de snood van me af en pak het boek van Gefter weer op. Ik maak liever een krachttoer om de kwantummechanica te doorgronden dan dat ik nog een toer averechts brei. De ‘constante van Planck’ is de kleinste lengte in de kosmos, lees ik. Het is een miljoenste van een miljardste van een miljardste deel van een centimeter. Zo lang de atomen van de ruimte maar niet kleiner zijn dan de Planckschaal houdt de zwaartekracht de controle. Bij afstanden die kleiner zijn dan deze schaal keert het universum zich tegen zichzelf. Ruimte en tijd lossen op in het niets. Ongetwijfeld in een mooier niets dan dit breiwerk, zucht ik terwijl ik de pennen weer oppak. Maar ik kan die Spinnekop niet vanuit haar graf over mij laten regeren. Ik zal die snood breien. Toch vrees ik dat het boek eerder uit is dan de snood af.
zaterdag 8 november 2014
Artikel. En nog is het einde niet in zicht.
Hoewel jonge collega’s vanwege de krimp van het leerlingenaantal bij bosjes in de rddf geplaatst worden of alleen in geval van ziekte nog een schoolklas binnenkomen is het einde van mijn inmiddels 37-jarige onderwijsloopbaan nog lang niet in zicht. Ik sta daarin niet alleen. Het personeelsbestand op de school waar ik werk bestaat voor 70 procent uit (eind)vijftigers en zestigers. Als alles gaat zoals de ‘bovenonsgestelden’ bepaald hebben dan zullen wij op het moment dat we met pensioen gaan meer dan 45 jaar gewerkt hebben. In veel gevallen full time. Dat is onwaarschijnlijk lang. Dat is ook onafzienbaar lang. Het is dan ook niet voor niets dat er onder deze collega’s gemopperd, gezucht en hier en daar flink gezanikt wordt. Wie schiet er nou wat mee op dat wij onszelf tot in lengte van jaren krakkemikkig en op ons tandvlees de drempel van de school over slepen terwijl er een jongere garde is die niet of nauwelijks aan het werk komt of alleen het treurigste invalwerk mag doen. Daar komt bij dat er tijdens het schoolleven van de generatie waar ik deel van uit maak enorm veel onderwijsveranderingen hebben plaatsgevonden. Er is heel wat huisgehouden en rondgedanst op onze ziel dus ik snap al dat gemopper wel. En soms zanik en zucht ik dan ook van ganser harte mee. Zo ben ik zo langzamerhand allergisch voor bepaald vergadermomenten: ja hoor, daar gaan we weer.. daar komen die hoofdluizen weer aankruipen, o get, collega A begint toch weer niet opnieuw over de rotzooi in de school? Ah nee hè…gaat B nu echt dat hele draaiboek regel voor regel voorlezen? Och hemeltjelief daar komt het taakbeleid weer aan de orde, waarom doen we toch steeds alsof dat werkt? Is de ouderraad het onderling niet eens over de festiviteiten? Vertel me eens wat nieuws. Allemachtig, duurt dit echt nog een uur…wat jammer van mijn leven. Een hele oude zeurderige vrouw ben ik op dat soort momenten. Echt een pain in the neck. Dat geldt ook voor scholingen. Als ik een scholing zou leiden waar iemand als ik in het publiek zou zitten dan zou ik er geen moment over aarzelen om die persoon eruit te mikken. Ik misdraag me soms echt. Ik slaag er gewoon niet meer in om al die van boven opgelegde modieuze flauwekul , voorzien van al die al even doorzichtige scholingsmiddelen (flappen met slechte samenvattingen die wemelen van de spelfouten, Roos van Leary, domme groepsopdrachten, Roos van Leary, suffe spelletjes, Roos van..) serieus te nemen. En ja ook ik mopper evenals mijn hele generatie op dat leerlingvolgsysteem. Niet omdat ik vind dat we niets moet administreren, dat moeten we wel, maar omdat dit systeem een doel op zich geworden is. Zoals ik laatst las op een Amerikaanse onderwijs site: crazy is crazy but we can administer it. Waarom stap ik dan ondanks het vooruitzicht nog zo’n kleine tien jaar door deze bergen flauwekul te moet waden toch elke dag redelijk vrolijk en opgewekt de school binnen? Nou dat is simpel: ik vind ze leuk, die leerlingen van me. En als ze van nature niet erg leuk zijn vind ik ze boeiend. Altijd weer. Jaar in, jaar uit. Dat gaat niet over. Daarnaast hou ik gewoon van uitleggen en verhalen vertellen. Het maakt niet uit of dat steeds hetzelfde verhaal is. Het gaat hier per slot niet om luizen of wat rotzooi in de school maar om wezenlijke dingen. Nuttige zaken, interessante zaken. Ik probeer steeds een nieuwe draai aan mijn lessen te geven of een nieuwe invalshoek te creëren en als dat niet lukt is het een goede oefening in geduld. Ik hou ook van kijken naar groepsprocessen, van het ingrijpen in groepsprocessen, van het falen, nadenken en opnieuw proberen. Ik zoek graag uit wat het ene kind beweegt om iets te doen en wat het andere weerhoudt. Ik wil graag weten waarom Arno zo snel boos met de deuren slaat, Marloes direct om alles moet huilen en Sanne op haar lip bijt als ik vraag of ze haar rol in een conflict toe wil lichten. Bovenal probeer ik leerlingen te leren om over al deze grenzen heen te stappen. Dat geldt ook voor mijzelf. Er valt ook voor mij namelijk veel te leren van boos met de deuren slaan, snel huilen en op je lip bijten. En dat allemaal zonder flappen en Roos van Leary.
Maar goed beschouwd geldt dit plezier in het vak, want dat is het, nog steeds voor veel eind vijftigers en zestigers. Het is ook niet het werk voor de klas dat hen bezwaart maar ‘dat wat er allemaal bij komt’. Al die extra werkzaamheden zorgen er voor dat veel oudere collega’s vaak als de karikatuur uit het liedje van Brigitte Kaandorp door de school sloffen: ik heb een heeeel zwaaaar leven…moeilijk, moeilijk, moeilijk. Als we nog met enig plezier die halve eeuw vol willen maken dan moeten we beginnen met niet zo vreselijk braaf te willen zijn. Braafheid is de gesel van dit vak. Er wordt geen les leuker van en geen kind enthousiaster. Mijn remedie is: ga zingen met de kinderen. Verzin doorzichtige smoezen om onder nutteloze tijdrovende activiteiten uit te komen. Voel nooit enige morele weerstand om zo’n doorzichtige smoes te verzinnen. Zet om de haverklap iets nieuws op poten, let wel: om de kinderen iets te laten leren of ervaren, nooit om je bazen te behagen. Zorg dat je op tijd naar huis gaat, kijk films, fiets, zeil, borduur, lees, ga lekker uit eten maar kijk nooit naar de mail van je werk en check altijd per ongeluk uit van gemeenschappelijke schoolaccounts. Laat nakijkwerk op school. In de papiercontainer mag ook. Laat het vaste lesprogramma los. Een voorspelbaar programma doodt alle levendigheid. Verras de kinderen. Verras jezelf. Ga nooit achter je bureau zitten, het is een plek van verveling. Zanik zo nu en dan flink maar zeur nooit.
Abonneren op:
Posts (Atom)