zondag 7 april 2013
Lege doos
Op de meester- en juffen dag (een armzalig substituut voor het vieren van verjaardagen van leerkrachten) voeren de meisjes uit deze klas een toneelstuk op. Het is het tweede toneelstuk deze maand want ook voor het Egypteproject hadden ze iets ingestudeerd. De voorstelling was echter niet zo succesvol geweest omdat Sharon mijn afwezigheid (ik had griep) aangreep om een clown te introduceren in het spel. Ze had daarmee het spel zo ontregeld dat haar vriendinnen een week later nog laaiend waren. Het eerste wat ze me vragen als ik weer beter ben is of ik Sharon even ernstig toe wil spreken. Ze stonden namelijk ernstig voor gek toen die malle clown opdook. Het is dan ook een wonder van vrouwelijke vergevingsgezindheid dat Sharon ook bij het nieuwe toneelstuk weer mee mag spelen. Sharon peinst er niet over om zich ditmaal dienstbaar op te stellen. Ook nu gedraagt ze zich als een ongericht projectiel en maakt aan de lopende band grappen waar ze alleen zelf om moet lachen. Haar fanclub kent precies een lid: zijzelf. Het vriendelijke coöperatieve gedrag waar ze in de klas in excelleert, is in geen velden of wegen te bekennen. Samenwerken, je aanpassen, constructief meedenken, het is niet iedereen gegeven. Chantal begint er vaak niet eens aan. Ook niet ten behoeve van mijn verjaardag. Ze loopt precies vijf minuten rond bij het toneelstuk(pfff..saai), vijf minuten bij degenen die een quiz voorbereiden (pfff.. nog saaier) en prutst drie minuten wat ongeïnspireerd aan een tekening(pff.. saaist). Dan loopt ze naar me toe en zegt: ik geef het op, ik ga maar wat lezen. Haar vriendin Sarah sloft bozig achter haar aan. Ja, wat wil je nou? Ik ga iets zonder jou doen hoor! O doe maar hoor, wuift Chantal achteloos. Bozig sluit Sarah zich aan bij de toneelgroep. Een kwartier later komt ze haar beklag doen. Juf, Chantal bemoeit zich met ons toneelstuk. Ik jaag Chantal weg. Een groot deel van de jongens is in de ban van het computerspel Minecraft, ze hoeven dan ook niet lang na te denken over een cadeau: ze gaan een stad voor mij bouwen. Een stad vol gebouwen met vlaggen, gelukwensen, vuurwerk. Eendrachtig zetten ze hun laptops onder leiding van Marco bij elkaar in de buurt. Ingespannen turen ze naar hun scherm. Het is doodstil. Een voor een volgen ze de aanwijzingen van Marco op. Links komt een piramide (Egypte! Leuk voor de juf), rechts een overwinningsboog(Napoleon! Leuk voor de juf).Wie bouwt de letter G? Wie bouwt de letter E? Tot mijn genoegen zie ik dat Tim en Koert ook mee doen. Ze hangen er soms maar wat bij in deze groep maar nu doen ze volwaardig mee. Mooi! Dat cadeau is al binnen. Na tien minuten is het met mijn blijdschap gedaan. Koert heeft zijn tafel half weggedraaid en tuurt met een boos hoofd naar het scherm. Na nog eens tien minuten draait Tim zijn tafel helemaal weg. Hij is de stad uitgegooid, zegt hij boos. Maar waarom, vraag ik verbaasd. Omdat hij met TNT sjouwt, gromt Marco. Met TNT, vraag ik verbaasd. Ja, dat is een soort dynamiet juf en daarmee kan je alleen maar dingen opblazen. We willen niks opblazen vandaag. En hoe zit het met Koert? Koert wil geen letters bouwen juf, alleen vuurwerk. Maar we willen nu eenmaal eerst een woord maken. Ik knik. Ik snap het. Hoofdschuddend loop ik terug naar mijn bureau. Zo jong en dan al zo vastbesloten om perse oncoöperatief te zijn. Dan bedenk ik dat ik er zelf ook wat van kon. Was ik niet degene die tijdens die vermaledijde school rommelmarkten in de jaren negentig eindeloos met een lege doos rondsjouwde. Puffend en hijgend. Zogenaamd het zweet van het hoofd wissend. Wie weet waar deze doos moet collega’s? Heeft iemand een idee?
zondag 24 maart 2013
Tochtjes maken
Hoewel ik vind dat alles is toegestaan om er onderuit te komen: smoezen, ziekmeldingen en afmeldingen in verband met te weinig assistentie van ouders, ga ik regelmatig toch op pad met mijn leerlingen. Per slot wacht er aan het eind van de tocht iets leuks, iets zinvols of iets dat gewoon moet: het Verkeersexamen of een creatieve activiteit waar ik al jaren niets meer over te zeggen heb in het plaatselijke kunstencentrum. Ik wil ook niet al te kinderachtig zijn op dit gebied, ik gun de leerlingen zo’n uitstapje maar ik zou liegen als ik zou zeggen dat ik in de loop van de jaren gewend ben geraakt aan het fenomeen. Het valt namelijk nooit mee. Dat ligt niet aan de leerlingen. Die hebben allang begrepen dat ik absolute gehoorzaamheid van ze verlang en dat er treurige gebeurtenissen in het verschiet liggen als hun volgzaamheid ook maar een tel wijkt. Vooral het aankomende Verkeersexamen is een prachtig wapen in groep 7. Gezakt, knetter ik regelmatig als ik achteromkijkend een onrechtmatigheid waarneem en het stuur van mijn dertig jaar oude racefiets recht probeer te houden(is die fiets van u, vroegen mijn leerlingen destijds bewonderend, is die fiets van u, vragen ze nu grinnikend). Dus rijden er robots achter mij die het dolkomisch vinden om op exact het juiste moment tegelijk hun hand uit te steken of over hun schouder naar achteren te kijken. Mijn bevelen echoën door de buurt: voorrang geven aan rechts, ..rang geven aan rechts…. aan rechts! Denk aan de voetganger…de voetganger…ganger. Nee, het ligt niet aan hen, het ligt aan de overige verkeersdeelnemers. Die staan er namelijk op om die lange, in gele hesjes gehesen, sliert kinderen doorlopend in gevaar te brengen. Vooral middelbare scholieren vinden niets zo vernederend als achter een groep basisschool leerlingen aan fietsen. Dus halen ze ons in. Dat kan niet altijd op fietspaden waar het verkeer je tegemoet komt rijden. Dat kan al helemaal niet als je ook nog perse met zijn drieën naast elkaar wilt blijven fietsen. Dus word er gegild en geschreeuwd (door de leerlingen) en gevloekt en getierd ( door de scholieren en door mij), zwalkt de fietsende rij leerlingen van links naar rechts, berm in, stoep op en sta ik doodsangsten uit. Maar ook een enkele ogenschijnlijk hele normale huisvrouw, twee kinderen in een kinderzitje, boodschappentassen aan het stuur, kan het zo maar in haar hoofd halen om de rij te passeren. Kijk daar komt ze aan. De rij is lang, niet iedereen heeft door dat ze er langs wil, niet iedereen kan haar er bij tegemoetkomend verkeer zo maar tussen laten. Ze begint te schelden. De leerlingen schelden vrolijk terug. Als we moeten stoppen voor verkeer dat van rechts komt, ziet ze haar kans schoon. Met een enorme vaart komt ze langszij zetten om vervolgens net voor de optrekkende auto van rechts langs te schieten. Ook sommige meefietsende ouders kunnen onbedoeld chaos veroorzaken. Ook van hen verwacht ik absolute gehoorzaamheid maar die houding is niet iedereen op het lijf geschreven. Nadat we samen de klas een drukke verkeersweg over geholpen hebben springt de moeder van Tim op de fiets en roept: ik rijd nu wel even voorop. Doe jij maar rustig aan! Ik wil nog iets zeggen maar de meeste leerlingen zijn al opgestapt. De moeder van Tim fietst veel te hard. Het kost de leerlingen moeite haar bij te houden. Er nadert een voorrangsfietspad. De groep fietst harder en harder. Ik schreeuw bevelen. Niemand hoort iets. Er komt een scooter van rechts. Het is een middelbare scholier. Hij overweegt geen seconde om in te houden als hij de paniekerige sliert leerlingen ziet en mist Thomas op een haar. De volgende keer verzin ik weer een smoes als er een tochtje aan komt.
maandag 11 maart 2013
Plus
Vijftien jaar geleden dook het woord hoogbegaafd op in de onderwijspraktijk. Steeds vaker overvielen ouders mij op contactavonden of op onbewaakte momenten bij de deur met de mededeling dat ze zeker wisten dat hun kind hoogbegaafd was. Sommigen waren daar zelfs zo van overtuigd dat ze er onmiddellijk aan toe voegden dat hun kind zich om die reden zat te vervelen in de klas. Nu wilde ik over die hoogbegaafdheid nog wel even nadenken, in sommige gevallen precies een seconde, maar bij het woord ‘verveling’ sloeg ik meteen mijn armen over elkaar. Een kind dat zich zit te vervelen in mijn klas? Het bestaat niet, het kan niet, daar wil ik niks meer over horen. Toch was ik niet ongevoelig voor het aanbieden van meer werk voor snelle en slimme leerlingen dus al snel lagen er op mijn bureau kleine stapeltjes extra werk. De eerste leerling die voor dit werk was uitverkoren was Jorrit. Hij voelde er niets voor. Al dagen had hij zich wat narrig op de achtergrond bevonden als zijn moeder en ik de plannen bespraken. Op de eerste dag dat hij zijn extra werk zou krijgen nam hij mij mee naar de bibliotheek. Hij maakte een breed gebaar met zijn arm. Wanneer moet ik dat nu allemaal lezen juf, vroeg hij boos. Andere leerlingen waren daarentegen erg enthousiast over hun bijzondere positie in de klas. Regelmatig moest ik er heel precies op toezien dat ze hun gewone werk niet afraffelden om maar zo snel mogelijk met het extra stapeltje aan de slag te kunnen. Ondertussen veranderde het woord hoogbegaafd in ‘meerbegaafd’ en vervolgens nog een keer in ‘plus’ en ‘groep 9’. Ook vonden de lessen in toenemende mate plaats buiten het lokaal of zelfs buiten de school. Ik heb altijd een grote hekel aan het woord ‘plus’ gehad. Elke keer als ik in het leerlingvolgsysteem mijn groepsplannen in moet vullen en de plusgroep aanklik, steekt het. Omdat er een plusgroep is er ook een mingroep. Dat is een onontkoombaar gevolg. Het woord mingroep is het ergste woord dat ooit zijn intrede heeft gedaan in het basisonderwijs.Ook nu is er nog steeds een tweedeling tussen leerlingen die niets van de extra lessen willen weten en de enthousiastelingen. De leerlingen die protesteren zijn vaak jongetjes. Jongetjes die zich bekocht voelen. Ze hoopten tijdens de pluslessen veel informatie op te doen over zaken die hen mateloos boeien: ruimtereizen, uitdijing van het heelal, techniek, aardrijkskunde, geschiedenis. In plaats daarvan zitten ze met wat suffe meisjes en een jongetje uit een lagere groep een plan van aanpak en een taakverdeling te maken. Ze mogen het onderwerp zelf kiezen…zucht...het moet perse samen…zucht, zucht… en het moet uiteindelijk in een portfolio terecht komen… zucht, zucht, zucht. Moet het of mag het en kan ik hier ook weg? Eerlijk gezegd begrijp ik ze wel. Ook ik had me veel meer kunnen vinden in die lessen over ruimtereizen en geschiedenisverhalen. Het verbaasde me in eerste instantie ook dat het er in plusgroepen en groepen 9 zo anders aan toe ging. Het leek ook allemaal zo gemakzuchtig. Zo onderwijs-anno-nu: geschikt voor alle vormen van onderwijs…een plan van aanpak, een taakverdeling en een portfolio. Maar als ik dan weer een portfolio voorbij zag komen van een leerling bij wie zo’n aanpak op het lijf geschreven stond dan was ik ook wel aangenaam verrast. Toch blijft het knagen. Het liefst deed ik het weer allemaal zelf. Weg met al die plussen en minnen, gewoon weer leerlingen zonder etiket maar met verschillende onderwijsbehoeftes. Want ik schreef het al eerder hierboven: verveling in mijn klas…het bestaat niet, het kan niet en ik wil er niks meer over horen!
zaterdag 23 februari 2013
Project.
Jacco heeft zijn jas al in de hand. Juf, de onderdelen voor mijn piramide zijn weg, ik ga weer even naar de Decamarkt dozen halen! Dat meen je niet, zucht ik wanhopig, dat is nu al de tweede keer dat alles weg is. Jacco kijkt mij verontwaardigd aan. Ja, daar kan ik toch niets aan doen! O, jawel, zeg ik beslist, je had al die uitgezaagde driehoeken best in je kastje kunnen bewaren. Zo groot waren ze niet. Hij trekt een pruilmondje. Ja maar ik heb nu niets. Dit is de laatste keer Jacco! Goed juf. Jacco racet er vandoor. De trap af, de voordeur door, het veld over. Ik ben ervan overtuigd dat hij het erom doet. Dozen halen is het enige deel van het project over het oude Egypte dat hij kan overzien. Ook Tim, Okan en Danielle hebben moeite om op gang te komen. Ze hebben hun laptoppen naast elkaar opgesteld. Ik zie er alleen de achterkanten van. Zo’n opstelling maakt me altijd achterdochtig. Vooral om dat er steeds hetzelfde gebeurt als ik hun kant op loop: met hun rechter wijsvinger klikken ze razendsnel op de muis terwijl ze hun hoofden simultaan op hun linker elleboog laten zakken ten teken van het feit dat het allemaal niet mee valt. Het is moeilijk juf, erg moeilijk! Zo, zeg ik als het me te gortig wordt, jullie hebben nu tijd genoeg gehad, laat maar zien welke goden jullie gaan naschilderen. Tim wijst op een portret van Anubis. En jij, vraag ik aan Okan. Eh…ik doe Hathor wel. En Danielle? Ik doe niet meer mee, klinkt het boos, ik moet steeds maar Isis van ze doen maar ik wil Anubis ook! Als ik over vijf minuten terug kom hebben jullie de taken verdeeld, zeg ik beslist. In de kleine gymzaal spelen een vijftal meisjes en een jongen een toneelstuk over Caesar en Cleopatra. Ze zien er prachtig uit. Witte kleding, zwarte pruiken, sandalen. De gemoederen zijn echter verhit. Sanne zit met haar armen over elkaar als ik binnen kom. Het verhaal verandert steeds, zegt ze narrig tegen mij, ik kan het zo niet spelen! Anna kijkt haar kwaad aan. Je hebt gewoon niet goed geluisterd toen het verhaal uitgelegd werd! Dat komt omdat je steeds de baas speelt, ik hoef toch niet altijd maar naar jou te luisteren, antwoordt Sanne verontwaardigd. Wel als je wilt weten waar het verhaal over gaat, snibt Quincy. Ik probeer de ruzie te sussen. Laat maar eens zien wat jullie al hebben. Halverwege de voorstelling trekt Thomas aan mijn mouw. Ik moet zo iets doen wat ik heel raar vind juf, fluistert hij. Ik ben benieuwd jongen, antwoord ik. Aarzelend loopt hij het toneelspel in. Ah, daar hebben we Ceasar, roept Cleopatra verrukt. Thomas draait zich om. Hij heft zijn handen omhoog. Ik vind het dus heel raar maar…Speel maar door, gebaar ik. Caesar neemt Cleopatra houterig in zijn armen en drukt een halfbakken zoen op haar hoofd. Daarna kijkt hij mij ongelukkig aan. Ik denk dat het heel goed word, grinnik ik terwijl ik op weg ga naar het handenarbeidlokaal. Daar wordt de Nijldelta nagebouwd. De piramides zijn van suikerklontjes die zorgvuldig met zandkorreltjes worden beplakt, de Nijl wordt geconstrueerd van een halve Pvc-buis en de woestijn er omheen is enorm. De halve kleuterzandbak is het lokaal binnen gesleept. Misschien moeten jullie je daar in beperken, zeg ik terwijl ik een bezem pak. Dat weten we juf, moppert Jorrit, maar het enige dat Richard wil doen is zand halen. Inmiddels is Jacco terug gekeerd met wel vier bananendozen. Ja juf, ik dacht ik neem maar voldoende dozen mee dit keer, straks is mijn werk weer weg. Achter mij stormt Danielle het lokaal in. Ik wil die stomme Isis niet doen hoor. Kan ik niet ergens anders aan meedoen?
zondag 10 februari 2013
Pesten.
Ik doe mijn best om niet te knipperen en mijn ogen strak op het digibordscherm te houden maar het valt niet mee om zo koelbloedig te blijven. De presentator van het Jeugdjournaal heeft zojuist verkondigd dat de staatsecretaris van Onderwijs van mening is dat juffen en meesters niet goed met pesten om kunnen gaan en dat er daarom nieuw beleid ontwikkeld wordt. De klas heeft zich in een beweging omgekeerd om mijn reactie te peilen. Ze voelen heel goed aan dat het hier niet om een neutrale berichtgeving handelt maar om een heuse beschuldiging. Mijn reactie is in werkelijkheid heel wat minder cool dan het lijkt. Ook als er krantenberichten over de vermeende tekortkomingen van leerkrachten verschijnen of ouders de school binnenstormen met een duidelijk verwijt op dit gebied dan voel ik dezelfde mix van wanhoop, woede en –naarmate ik ouder word- doffe gelatenheid. Hoe halen de beschuldigende partijen het toch altijd opnieuw in hun hoofd dat de oeroude driften en neigingen die tot pestgedrag leiden als sneeuw voor de zon zullen verdwijnen op het moment dat leerkrachten zich competenter zouden tonen. School ze bij, breng ze aan de galg! Terwijl ik daar voor de ogen van mijn leerlingen in de hoek word gezet zie ik Richard zitten. Hij is de eerste aan wie ik denk als het over pesten gaat in deze klas en al mijn inspanningen hebben tot nu toe niet het door mij gewenste resultaat gebracht. Ik heb sancties ingesteld, klassengesprekken gevoerd, tijdens de pleinwacht ingespannen de ontwikkelingen op het veld gevolgd, ik ben zelfs een keer in razernij ontstoken. En o ja, niemand durfde op het laatst zomaar op hem te gaan zitten op het plein – een geintje juf, gewoon een geintje- of hem te weigeren bij het groepswerk (we waren met voldoende kinderen juf, er kon niemand meer bij). Ze passen nu wel op om massaal met sneeuwballen in de hand op hem af te lopen als ik daar oppermachtig sta te turen. En toch, en toch…ik ben er niet echt blij mee. Ze doen het voor mij. Sommigen vinden het oprecht vervelend als ik me er over opwind. Is dat pesten wat ik doe? O gut wat erg, ik wil helemaal niet pesten juf, zo ben ik niet. Anderen vrezen de sancties. Maar wat mij steeds opnieuw frappeert is dat dit gedrag sterker is dan henzelf. Ze worden aangestuurd door iets dat ze niet begrijpen maar hen wel drijft: angst om zelf uit de groep te vallen, angst voor te soft aangezien te worden. De jongens in deze groep worden aangevoerd door twee bully’s. De een wat zachtaardiger dan de ander. De anderen volgen, strijden, klimmen op in de hiërarchie, dalen soms weer plotseling. Het is allemaal goed en wel wat de juf wat over pesten beweert maar wat als zij zelf straks onderaan de hiërarchie bungelen in plaats van Richard? Je kunt - je moet zelfs- als leerkracht de leerlingen inzicht verschaffen in dit soort processen, je moet ze trainen in sociale vaardigheden, straffen uitdelen, verzoeningen tot stand brengen maar het is een illusie om te denken dat het mogelijk is om pesten de wereld uit te helpen. Wie dat denkt simplificeert.En dan heb ik het nog niet eens over Richard zelf gehad. Zijn gecompliceerde positie wordt nog eens ernstig bemoeilijkt door zijn eigen gecompliceerde reactie op het groepsgedrag van zijn klasgenootjes. Dat kan ook natuurlijk niet anders. Maar het maakt het ingrijpen van mijn kant nog ingewikkelder. Nee hoor, moppert hij als ik een plek voor hem in een groepje regel, nu hoeft het niet meer. En als hij eindelijk niet meer de pineut is bij het inpeperen op het veld zie ik dat hij het hardst op anderen inloopt.
zondag 27 januari 2013
Verkenning
Tijdens een taalles bespreken we het woord ‘denkbeelden’. Jorrit steekt zijn vinger op. Je kunt rechtse denkbeelden hebben en linkse, zegt hij. Ik knik. Heel goed! Kun je ook uitleggen wat bijvoorbeeld een rechts denkbeeld is? Ja, dan vind je het niet zo erg dat sommige mensen erg rijk worden, dan denk je dat rijke mensen gewoon beter hun best doen dan arme mensen. En een links denkbeeld, vraag ik. Dan vind je het erg dat er hele arme mensen zijn, antwoordt hij, dat vind je dan zielig, die wil je dan helpen. De klas luistert ademloos. Jorrit weet veel. Keer op keer overvalt hij ons met zijn bijna volwassen inzichten en uiteenzettingen. Kenneth steekt zijn vinger op. Ik denk, zegt hij, dat denkbeelden ook beelden zijn die je in je hoofd kunt zien. Je denkt er gewoon aan en dan zie je ze. Er klinkt instemmend gemompel. Ja dat zijn ook denkbeelden. Dan neemt Daan het over. Kan het ook zijn juf dat je je soms dingen verbeeldt, dat je denkt dat je iets ziet maar dat dat er helemaal niet is? Ik knik. Je bedoelt dat iets denkbeeldig kan zijn. Ja precies, antwoordt Daan. Er klinkt rumoer op. Dat heeft Maarten, dat heeft Maarten, klinkt het. Wat heeft Maarten, vraag ik verwonderd. Een denkbeeldig vriendje! Ik kijk Maarten aan. Die kijkt vrolijk terug. Ja, die heb ik, zegt hij, hij heet Willy. En hoe vaak spreek je hem dan? Elke dag, antwoordt Maarten. Hoe ziet hij eruit, vraagt Bastiaan geamuseerd. Hij heeft lang haar en hij is heeeeel druk. O, dan moet het de tweelingbroer van Ozan zijn, grinnikt Mick. De klas schatert het uit. Ook Ozan heeft de grootste lol. Daar lijkt Willy inderdaad wel wat op, bevestigt Maarten, maar hij lijkt ook op mijzelf. Gaat hij wel eens mee naar school, vraag ik. Heel soms, niet vaak. Dan zit hij daar in die hoek! Bastiaan steekt zijn vinger op. Bij mij ligt er ’s avonds vaak iets denkbeeldigs onder het bed. Het valt stil. Bij Bastiaan? Die grote, aanwezige, stoere, jongen. Is hij bang in het donker? Bastiaan kleurt een beetje rood. Ik ben er echt bang voor hoor, mompelt hij zachtjes. Dan klinken er instemmende geluiden. O ja dat heb ik ook. Ja ik ook. Juf! Mark vraagt de beurt. Mick heeft mij verteld dat hij ook vreemde dingen ziet. Hij ziet dingen die ik niet zie. Ik kijk Mick aan. Is dat waar? Mick knikt. Ik zie kleuren om mensen heen, legt hij uit. Ik zie ze niet altijd hoor maar bij sommige mensen zie ik het heel duidelijk. Juf Olga is bijvoorbeeld heel erg blauw. Ik knik. Dat is heel bijzonder Mick. Dat wat je ziet zijn aura’s. Sommige mensen kunnen dat zien. De meeste mensen niet. Mick kijkt mij opgelucht aan. Als ik het vertel moeten mensen meestal heel erg lachen. Nou ik niet, antwoord ik terwijl ik opsta van mijn kruk maar het wordt tijd dat we de taalles gaan maken die hier bij hoort. Hè nee, klinkt het. Kom op jongens, aan het werk, houd ik vol terwijl ik naar mijn bureau loop, als jullie klaar zijn kunnen jullie verder met jullie werkstuk. Na een kwartier staan de eerste leerlingen op om een laptop uit de kar te halen. Sarah en Michelle buigen echter af en lopen naar mijn bureau. Juf, mogen we voor een keer iets anders doen? We willen zo graag meer weten over denkbeeldige vriendjes en aura’s en zo. Hoe willen jullie dat aanpakken, vraag ik. Nou eerst gaan we Maarten en Mick interviewen en daarna gaan we op het internet meer zoeken over deze onderwerpen. Dat is goed, zeg ik. Ze maken allebei tegelijk een huppelsprongetje. Mogen we dan in het kamertje?
zondag 13 januari 2013
Column. Ehm...
Er zijn jongetjes die niet meer op hun plaats kunnen blijven zitten. Ze kruipen langzaam naar voren zodat ze de tekst op het digibord nog kunnen beter kunnen lezen. Daar staan de namen van 17 mensen die binnen tien jaar doodgingen nadat ze in 1922 het graf van Toetanchamon waren binnen gedrongen. Allemachtig! Gelooft u in die vloek, vraagt David ademloos. Ik hef mijn handen omhoog en schud mijn hoofd. Ik weet het niet, zeg in alle eerlijkheid, het kan toeval zijn, het kan om een vergiftigde atmosfeer in het graf gaan maar gek blijft het allemaal wel. Reinout knikt aandachtig, het was wel een hele oude beschaving, vult hij aan, misschien wisten ze meer van zwarte magie dan wij nu. Het valt stil. Alle ogen van de kinderen in deze klas kijken gebiologeerd naar de opsomming op het bord. Alle ogen? Als ik in het halfduister achter de samengeklonterde groep jongens tuur, zie ik dat zeker zes meisjes zijn achtergebleven. Ze kneden boerderijdieren van kneed gum of tekenen aandachtig. Dames, wat heb ik zojuist verteld over de vloek van de farao, vraag ik. Ze schrikken op en kijken mij met een lege blik aan. Ehmm..Ehmm…Vloek, vloek? De jongens kijken verbijsterd om. Nou ja zeg, hoe kan je dit nou niet willen weten? Het is niet de eerste keer dat ik mij verbaas over de geringe belangstelling die deze meisjes tonen voor de raadselen die ons omgeven. Ze willen het liefst tekenen, in agenda’s kleuren, plaatjes over paarden bekijken, poppetjes kneden en naar sites surfen die over fotomodellen handelen. Hun wereld is vriendelijk, kleurrijk en licht. Laat de juf maar samen met alle jongens over de kosmos, middeleeuwse martelingen en griezelige vloeken praten, wij hebben hier wel wat vrolijkers te doen. Ook tijdens rekenlessen valt het niet mee om de aandacht van deze meisjes bij de les te houden. Noortje, kom je deze som even voordoen op het bord? Ehm…ik heb per ongeluk niet geluisterd. Waar is je schrift Samira, ik zie alleen maar een complete boerderij op je tafel. Voorzichtig pakt Samira al haar knutseldiertjes op en zet ze op een kast. Dan begint ze aan haar speurtocht naar haar schrift. Maar soms verschijnen er ineens donkere wolken boven deze roze wereld van knutsels, frutsels, fotomodellen en boerderijdieren. Er rommelt iets, er flitst een bliksemstraal, er komt iets dreunend dichterbij. Ik zie het nooit aankomen. Ik sta al tientallen jaren voor de klas maar ik ben altijd te laat om de eerste barsten in het meisjesparadijs op te merken. Aan het eind van een vrijdagmiddag voegen zich Noortje en Samira bij me. Noortje huilt. Ze snikt iets iets over een computerspel en dat ze nu ‘alles kwijt’ is. Ik begrijp er niets van. Ik denk in mijn onschuld dat Samira meegekomen is ter ondersteuning. Deze meisjes zijn immers vriendinnen. Maar nee, Samira blijkt de oorzaak van alle ellende, de hoofdschuldige, zij moet gehangen worden en wel meteen. Maar waarom, vraag ik niet begrijpend. Dan barst Samira eveneens in een onbedaarlijk gesnik uit. Ik ben helemaal geen hacker, snottert ze, ik heb helemaal niets weggehaald! Dat zou ik nooit doen. Hoe kan Noortje dat nu denken? Hacker, hacker, vraag ik dommig, wat kan je dan hacken als tienjarige? Alles, snikt Noortje, ik ben alles kwijt en ik heb alleen maar aan Samira mijn wachtwoord gegeven. Dus zij moet het gedaan hebben! Ik kijk de aangeklaagde aan. Ik heb het niet gedaan, snikt deze. Maar je hebt wel het wachtwoord van Noortje doorgegeven, gok ik. Samira kijkt me stomverbaasd aan. Ja, geeft ze snikkend toe, ik heb het aan Sophie gegeven maar die heeft gezworen…Haal Sophie maar, zeg ik. Ik zucht diep en verlang acuut naar een wereld van oude vloeken en de middeleeuwse martelingen. Zoveel overzichtelijker.
Abonneren op:
Posts (Atom)