maandag 2 juli 2018

Column. Weg met de coach.

Ik werk al 43 jaar in het onderwijs en ik heb nog nooit een coach nodig gehad maar nu heb ik er plotseling een! De vrouw die naast me staat op de camping kijkt me verbaasd aan. Ze is duidelijk nog niet gewend aan de wending die haar beroepsmatige leven genomen heeft. Ik dacht echt dat ik op de goede weg was met mijn team, vervolgt ze, ik voerde gewoon beleid uit, ik was er enthousiast over, heb er veel energie in gestopt, maar enkele teamleden zetten de hakken in het zand en toen moest ik plotseling gecoacht worden vanwege mijn aanpak. Ik weet echt niet wat ik anders had kunnen doen. Ik weet ook niet wat ik nou precies met die coach moet, mijn overwicht wordt er natuurlijk zo ook niet beter op. Soms denk ik dat ik maar moet stoppen, zucht ze, er is geen lol meer aan zo. Coaches. Als sprinkhanen zwermen ze over de scholen. Loopt iets niet geheel zoals gewenst, zijn er klachten, blijven de leerresultaten achter: leerkrachtvaardigheden onvoldoende, coach naar binnen. Factoren als groepsgrootte, zware combinatie klassen, een grote hoeveelheid handelingsplannen..ze spelen een marginale rol naast dat allesomvattende ‘handelen van de leerkracht’. Er zullen beslist efficiënte coaches voorhanden zijn maar door de enorme wildgroei zie ik ook ernstige gevallen van onvoldoende handelingsvaardigheden van coaches. Het ergste zijn de coaches die het beoordelen en het begeleiden door elkaar halen. Een leerkracht die vier A-viertjes overhandigd krijgt waarop competenties staan die allemaal matig tot onvoldoende beoordeeld zijn, verbetert zich niet meer maar neemt als het even kan ontslag of meldt zich wanhopig ziek. Wie coacht de coach? En waarom zijn veel coaches niet bereid om gewoon even voor te doen wat ze met zoveel zekerheid aan bevelen? Teach as you preach. Het is veelal gemakzucht van leidinggevenden die tot dit soort praktijken leidt. Bestuurders en directeuren denken dat ze een probleem ‘aanpakken’ maar het resultaat is afgebrande en overvraagde leerkrachten waarvan een aantal toch in eerdere jaren heel behoorlijk presteerde. En als dat niet zo is dan is het nu vaak rijkelijk laat om nog aan dat begeleiden te beginnen. Je kunt niet eerst mensen eindeloos aan hun lot overlaten en dan ineens de puntjes op de i willen zetten. Er wordt weinig bereikt met een coach die je ‘voor straf’ naar binnen geschoven krijgt. Een beetje directeur kent zijn personeel. Die begeleidt en enthousiasmeert zijn of haar team het hele jaar door en wordt niet overvallen door slechte leerresultaten of een onveilig klassenklimaat in een van de klassen. Dus weg met die coaches. Er is een beter doel denkbaar voor het geld dat hier aan besteed wordt.

vrijdag 1 juni 2018

Column. Krantenkoppen.

De laatste twee maanden regende het weer krantenkoppen over onderwijs: beste leraar we kunnen je niet missen. Het Nederlandse onderwijs glijdt langzaam af. De rot zit in de scholen. Vandaag begint het herstel van het imago van de leraar. Scholieren presteren steeds slechter. Ode aan de leraar. Ons onderwijs gaat al jaren achteruit. We moeten de school teruggeven aan de leraar. De klas is een bubbel aan gelijkgestemde zielen. Ondanks het tumult gaat er veel goed in de klas. Het gaat niet alleen om hoge cijfers. Er zijn veel burn-outs onder studenten, er is een actief plan nodig om generatie van zombies te voorkomen. (De leraar) leerde me over moed en verzet. Pff….Het is niet niks. Waar zal ik als leraar eens het eerst beginnen? Bij de rot of het herstel? Bij de ode of de bubbel? Het tumult of de zombies? De moed of het verzet? De achteruitgang van het leesonderwijs is natuurlijk zeer verontrustend maar..er gaat toch ook veel goed in de klas. Die ode is lief maar....  er glijdt toch ook veel langzaam af. Gelukkig begint vandaag wel het herstel van het imago dus daar hoef ik me niet te veel gelegen aan laten liggen en ook de school wordt binnenkort teruggegeven aan mijn collega’s en aan mij dus kan ik met een gerust hart met de armen over elkaar wachten tot in ieder geval de rot verdwijnt. Goed, eerst die bubbel dus maar: hoe krijgen we ouders zover dat ze hun witte christelijke oogappeltje niet bij de overburen afleveren? En wie van de onze lievelingetjes gooi ik als eerste bij de buren over de schutting? Moeilijk hoor. Ik raak altijd zo aan ze gehecht. Zou het genoeg helpen? Ik zit zelf al bijna mijn hele leven in een linkse softe bubbel van maakbaarheid en grenzeloze empathie voor alles wat lukraak op mijn bordje wordt gegooid. Misschien moet ik eerst maar eens toekomstige zombies voorkomen door niet te veel waarde te hechten aan hoge cijfers. Al blijft het nog een hachelijke onderneming om bij deze pogingen het onderwijs niet nog harder achteruit te laten glijden. Voor je het weet beland ik zelf in een stevige burn-out vanwege de onmogelijkheid van de onderneming. En wie moet er dan mijn klas overnemen? Niemand. Nou ja, mijn collega’s waarschijnlijk. Die weliswaar jong zijn maar ook al een wat slepende gang hebben hier en daar. En hup daar gaat de staat van het onderwijs weer verder richting ondergang. Misschien is het eigenlijk maar het beste om  gewoon de krant niet meer lezen en te doen wat ik altijd al gedaan heb: zo goed mogelijk lesgeven, zo goed mogelijk uitrusten, zo goed mogelijk genieten van het leven naast mijn werk.

zaterdag 5 mei 2018

Column. Ekelhaft.

Tijdens het zappen beland ik in een Duitse uitzending over ontspoorde familieverhoudingen. Een nors kijkende vrouw komt op bezoek bij haar dochter. Deze dochter heeft gestudeerd en woont samen met een eigenaar van een restaurant. Moeder wijst deze relatie af, ze vindt deze man onder de maat voor haar dochter maar nu de camera’s op haar gericht zijn doet ze toch een wat onwillige poging om kennis te maken. De restauranteigenaar wil zich van zijn beste kant laten zien en heeft een lamsbout in de oven gezet. De eerste zin die moeder over haar lippen krijgt als ze naar binnen loopt, is: was riecht hier denn doch so ekelhaft? In plaats van haar moeder rucksichtslos buiten de deur te zetten, probeert haar dochter moedig de vredesonderhandelingen voort te zetten. Mijn hart breekt. Het beeld laat me ook niet los. Mijn hart breekt vooral omdat ik het herken. Ik herken het in de houding van (te) veel auditeurs, psychologen, adviseurs, coaches, pedagogen en onderzoekers die de school binnenkomen om het een en ander te begeleiden, aan te sturen, te bewaken of ongevraagd te adviseren. Dit geldt niet voor de inspectie. Een inspectie hoort te inspecteren. Het bevreemdt me elke keer weer waarom voornoemde groep nog niet over de drempel van de school gestapt is of het roept al dat de lamsbout ekelhaft ruikt. De ene merkt iets op over een onjuiste bereiding, de andere meent iets over de verhouding van de kruiden beter te weten, een volgende vindt de braadslee ondeugdelijk, weer een ander vraagt zich af of de groentes wel goed gekozen zijn. Vaak tovert men binnen de kortste keren eigen recepten uit de hogehoed. Het is zelfs voorgekomen dat collega’s die toch echt dachten dat ze een hele behoorlijk lamsbout in de oven hadden staan binnen de kortste keren de keuken werden uitgezet. Pollepel nog in de hand. Koksmuts scheefgezakt. Vervolgens werden ze weer even snel in een andere keuken te werk gesteld. Langzaam maar zeker is er in scholen een situatie ontstaan waarin de regie gevoerd wordt door binnenvallende gasten en niet door de keukenbrigade. Dat zou zo erg nog niet zijn als de recepten van deze hemelbestormers echt beter waren en hun adviezen niet slechts over een onderdeel van de bereiding zouden gaan. Het zou nog beter zijn als ze zelf ooit eens een tijdje een lamsbout tot in de puntjes hadden leren bereiden. Maar nee. Direct over de stank beginnen. Onmiddellijk die norsheid ten toon spreiden. Er zit niet veel anders op dan niet zo serviel te proberen de lieve vrede te bewaren. Dus beste gasten: eerst iets beleefds zeggen bij binnenkomst en dan eventueel na zorgvuldig beraad een voorzichtige mening te berde brengen. Eerder wordt de vleesvork niet neergelegd.

zaterdag 31 maart 2018

Column. Energie

Omdat ook in deze contreien de roep om invallers vaak tevergeefs is en de griep van geen wijken
weet stap ik tijdelijk over van groep 5 naar groep 7-8. Het grootste deel van deze leerlingen is mij
welbekend en het kost niet veel moeite om de draad weer op te pakken. Al na een paar uur bedenk
ik me dat ik het gemist heb. Dat verbaast me wel want tot op heden had ik me dat niet gerealiseerd.
Ik was in de veronderstelling dat ik veel te lang in de bovenbouw had rondgehangen en genoot in
groep 5 van de onbevangenheid, het enthousiasme en het geknuffel. Maar kennelijk blijk ik toch iets
over het hoofd te hebben gezien want voor ik het weet berijd ik al mijn stokpaardjes van weleer en
zie ik kans in een paar dagen de oerknal, de relativiteitstheorie, de kwantummechanica, de op drift
geraakte continenten en de hele tweede Wereldoorlog er doorheen te jassen. Ik hang landkaarten
op, zoek schooltelevisie uitzendingen bij elkaar, geef uitgebreide onderzojek- en stelopdrachten. Per
slot is mijn aanwezigheid hier van tijdelijke aard dus houd ik de vaart erin. Dat geldt ook voor de
leerlingen. Tot mijn vreugde kennen ze ook nog veel liedjes die ik ze ooit aangeleerd heb en voor ik
het weet vraag ik mezelf af waarom ik hier nou perse weg wilde. Is dit immers niet waar ik hoor?
Waar ik moeiteloos de weg vind, van rekensom naar taalopdracht, van voorleesboek naar
tekenopdracht, en ook nog dit, en ook nog dat, waar niks te hoog gegrepen is en the sky the limit is.
Maar na een paar dagen weet ik het weer. Ik zie het voor mijn neus ontstaan. Na de pauze, bij
samenwerkingsopdrachten, op de mail als ik thuiskom, het is dat pre puberale gedoe waar ik destijds
even genoeg van had. Ze kunnen het niet helpen, het hoort bij opgroeien maar er zijn dagen dat het
al je energie opslorpt: denk je dat jou die nagellak staat, bitst Sarah tegen Jennifer. Ik geloof dus echt
niet dat je per ongeluk dezelfde jas als ik gekocht hebt, sneert Tessa tegen een huilend vriendinnetje.
Juf, ik mail u even de WhatsApp gesprekken van mijn dochter met een aantal klasgenootjes. Ik zou
graag zien dat u daar iets aan deed. Ja ik kom het u maar meteen even zeggen juf, ik hoor zojuist een
andere moeder op het schoolplein zeggen dat mijn dochter…Juf, Thomas schopt mij steeds. Hij
schopte mij ook juf! Ja, maar toen was het nog een grapje. Tikspelletjes die nooit meer stoppen want
niemand wil de laatste zijn. Hiklachjes die niet meer overgaan. Jarenlang kon ik er uitstekend mee overweg. Tot het op was.

zaterdag 3 maart 2018

Column. Hybride

Wie veel kranten en tijdschriften leest kan zich elke dag laven dan wel ergeren aan artikelen over dit vak. Het onderwijs is een schier onuitputtelijke bron voor verslaglegging en verdieping. Hier wordt een onderzoek aangehaald, daar een pittige opinie gedeeld. De stelligheden en aannames buitelen vaak over elkaar heen en binnen de kortste keren worden er reacties op deze stelligheden geplaatst of aan andere onderzoeken gerefereerd die alles tegenspreken. Op internet en twitter ontsporen deze discussies vervolgens vaak. Als een pendulum slingeren de opvattingen over dit vak  heen en weer. Jaar in. Jaar uit. Wat ouderwets was, wordt weer modern. Wat modern is, blijkt in deze snelle tijden al weer gauw achterhaald. En altijd zijn er twee constanten in al die berichtgeving aan te wijzen: zoals het nu gaat is het niet goed en de schrijvers, onderzoekers, adviseurs, bestuurders en columnisten weten dat heel zeker. En zo kwam het dat het op 29 januari jl.  ineens ‘leraren-die-alleen-maar-lesgeven-afzeikdag’ was, zoals natuurkundeleraar Arjan van der Meij het treffend op Twitter verwoordde. Out of the blue werd in het Algemeen Dagblad de enige groep die in tijden van een desastreus lerarentekort gekoesterd zou moeten worden, beledigd en weggezet als suf en niet van deze tijd. In verschillende artikelen werd zelfs geroepen om de komst van hybride docenten. Hybride docenten combineren een baan in het bedrijfsleven met een baan in het onderwijs. Er werd zelfs gerept van het terugbrengen van het ‘stoffige imago van leraren die in hun geruite blouse(!) al 20 jaar het zelfde lesje draaiden’. Hybride versus stoffig. Het is niet alleen het enorme dedain dat stoort, het is vooral de onthutsende onjuistheid van het beeld dat geschetst wordt. Er zijn beroepen die een grote innerlijke motivatie kennen.Een timmerman die zijn vak goed verstaat vindt het in de regel geen enkel probleem om altijd te blijven timmeren. Dat geldt ook voor bakkers, loodgieters, dokters, musici, kortom iedereen die iets creëert, iets maakt, iets tot stand brengt. Richard Sennett schreef daar een prachtige boek over: De ambachtsman. Het leraarschap hoort daar ook bij. Als je er talent voor hebt dan is het niet moeilijk om veertig jaar of langer gemotiveerd te blijven. Dan blijft het spannend om je steeds opnieuw af te vragen hoe je de kwaliteit van de lessen nog beter te krijgen. Dan blijft het boeiend om steeds opnieuw naar leerlingen te kijken en te denken: wie ben jij, hoe kan ik je helpen verder te komen. Lesgeven is voor veel leraren een bron van inspiratie en ja...ook zingeving. Al het dedain van de wereld krijgt dat niet stuk. Maar om elke dag opnieuw de krant op te slaan en te lezen dat weer geprobeerd wordt om dat wel kapot te krijgen, is erg deprimerend.

zaterdag 3 februari 2018

Column. Kapseizen.

O ze doen echt wel hun best. Ze weten dat het mij ernst is. Het is meer dat het ze niet lukt. Er moet gewoon iets bewegen, een stoel, een pen, het blokje met het vraagteken. En als er niet iets is dat onwillekeurig beweegt dan beweegt het wel willekeurig. Waar ga je heen Teus? Naar de wc. Daar is Johan al. O ja. Waar ga je heen Sarah? Ik wil u even iets vragen. Kijk eens naar het rode stoplicht. O ja. Waarom heb je je vinger in de lucht Lara? Ik ben mijn vraagblokje kwijt. Dan ga je het zoeken Lara. O ja. En als er niet iets willekeurig beweegt dan beweegt het wel expres. Juf, ik weet dat ik niks mag vragen maar….Ga zitten Micky. Ja ik weet het, ik weet het..maar…Gebruik je vraagblokje  Mickey. Diepe zucht. De onrust zit deze klas als gegoten. Het is hun tweede natuur. Het is iedere keer weer een klus om er door heen te breken. Zingen is geen zingen met deze groep. Zingen is bewegen. Bewegen is dansen. En dansen moet dwars door de klas heen, in grillige patronen. Met de armen om elkaars schouders, per ongeluk een stoel meeslepend of erger ..de hals van mijn gitaar..of nog erger..de hals van de gitaar met mij erbij. Op elk vrij moment worden er danspassen bedacht. In het toilet, op de trap, op het fietspad. Juf, we weten iets heel leuks op Olga. Mogen we het voordoen? Juf, als we over een tante in Marokko zingen mogen Noa en ik dan voor de klas? We hebben zoiets leuks bedacht! Als ik rekeninstructie geef dan kan het gebeuren dat Jordy een danspas maakt, zo maar, uit het niks, gewoon omdat het hem te binnen schiet. Ook Sam kan voor ophef zorgen door ineens een rondje te draaien op zijn stoel. Dat kan natuurlijk niet, dus valt de stoel, of Sam, meestal allebei. Waarom, kermde ik in het begin regelmatig. Hoe kom je er nu ineens bij om dit te doen? Maar ik kerm allang niet meer. Ik krijg toch geen antwoord. Ze weten het niet. Ze doen het omdat ze het doen. In een opwelling. Echt niet om moedwillig iets te ontregelen. O nee. Als ik wat mopperig ben of lichtelijk wanhopig dan schieten er armpjes op me af. O zo lief, die juf, zo lief. Dan klontert er een groep leerlingen om mijn middel. Dan dreigt de kruk waarop ik zit te kapseizen. Ja, ja, roep ik dan, het is al goed, het is al goed. En dan gaan ze weer zitten, of hangen, of draaien, of dansen, of onduidelijk op zoek naar het een of ander. 

vrijdag 5 januari 2018

Column. Dommelen.

Dommelen.
Ik ken al het verweer zo goed dat ik de reacties van mijn collega’s bijna letterlijk kan voorspellen: het is nu wel heel druk hè met de feestdagen en zo, het programma zit eigenlijk te vol dus als je het niet erg vindt, stel ik het liever uit.  Er is namelijk ook nog Dit en zoals je vast wel weet is er ook nog Dat dus zou het ook een week later kunnen? Ja, niet dat het niet belangrijk is hoor maar het komt nu even niet goed uit. En ja, dat snap ik dan. Dan kom ik wel een week later. Tientallen jaren stond ik immers aan hun kant van de lijn. Wie ben ik om ook maar op één streep te gaan staan? December is een drukke maand en januari zit vol met Cito-toetsen, in februari is het leerlingvolgsysteem de baas -die maand kan eigenlijk van de kalender af- en maart…praat me niet van maart. Maar nu ik aan de andere kant sta wil ik ook wel eens een beetje beleid uitgevoerd krijgen. En daar heb ik mijn collega’s echt voor nodig. Dus stel ik op mijn allervriendelijkst uitnodigingen op, doe ik op mijn alleraardigst voorstellen en lees ik alles drie keer over om vooral alle bazigheid uit de tekst te halen. Het is de bedoeling dat ik mijn collega’s ter wille ben bij het uitvoeren van hun lesgevende taak en niet dat ik ze de les ga lezen. Dit zijn geen leerlingen, geen studenten, geen stagiaires, dit zijn mijn gelijken. Ik ben anderhalve dag in de week vrij geroosterd om een aantal zaken te verwezenlijken. Daarvoor zit ik soms in een kantoortje. Het valt niet mee om in een kantoortje te zitten als je 40 jaar gedacht hebt: wat gebeurt daar nu eigenlijk in zo’n kantoortje? Ik ben het slachtoffer van mijn eigen achterdocht. Ik zie mijn vroegere aannames en vooronderstellingen constant over de gang dwalen: wat typt zij daar, wat leest zij daar, wat bespreekt zij daar? Heeft zij nu werkelijk al die tijd nodig voor die paar wijzigingen in het beleid? Dus stel ik lijsten van werkzaamheden op: activiteiten tot de herfstvakantie, activiteiten tot de kerstvakantie, gerealiseerde activiteiten, toekomstige activiteiten. Nog nooit eerder heeft iemand zoveel zinvols gedaan in zo’n kantoortje dan ik. Inschrijflijst hier. Inschrijflijst daar.Waarschijnlijk hoopt er hier en daar allang iemand dat ik mij gauw zal gaan beperken tot wat onduidelijke handelingen en voorstellen waar je met gemak omheen kunt of waar geen touw aan vast te knopen valt. Misschien moet ik ze dat plezier maar doen. Ook gij Brutus, kunnen ze dan roepen. Altijd maar die grote mond en dan zelf in zo’n kantoor maar wat zitten dommelen. Ik gun het ze eigenlijk best. Alleen moet ik nog wat oefenen in die rol.