vrijdag 16 december 2016

Column. Bubbel.

Sinds ik in de nacht van 8 op 9 november om 3 uur even een blik op mijn telefoon wierp om te kijken hoe Hillary Clinton er voor stond is er iets sombers in mij geslopen. Er lijkt zich iets duisters te ontwikkelen in de wereld. Het helpt niet om de krant te lezen of de televisie aan te zetten. Daar worden de ontwikkelingen op het wereldtoneel al net zo somber geduid. Het helpt wel om mijn klas binnen te lopen en de leerlingen te verwelkomen. Het is net alsof ik een andere bubbel binnen stap. Een aanpalend universum. Het is er licht en vrolijk. Er klateren watervallen. Er liggen lieve briefjes op mijn bureau, er klemmen zich armpjes om mijn middel en overal klinken vriendelijke begroetingen. Goedemorgen juf! Als ik de dag open met een kort klassengesprek  buitelen de enthousiaste  vertellingen over elkaar heen. Cas is naar Dinoworld geweest. Tjerk heeft een geweldig leuk boek gevonden. Mag hij het laten zien? Maartje showt trots haar nieuwe kleren. Anne is naar de film de GVR geweest. De lol en de levenslust knallen er van af. Als ik in de pauze mijn iPad openklap lees ik dat Stephen Hawking de wereld waarschuwt dat we ons op het gevaarlijkste moment in de geschiedenis van de mensheid bevinden. Ik klap de iPad resoluut dicht. Het kan vast geen kwaad om voordat  de Apocalyps zich aandient nog even een les over de vierkante meter eruit te gooien. En al snel hangen er uitgelaten leerlingen op de kop in de wc, de keuken en de zandbak teneinde  de oppervlakte van deze ruimtes  zo nauwkeurig mogelijk te kunnen opmeten.  Als de kinderen het klaslokaal verlaten, keer ik terug in die andere bubbel. ‘Er komt oorlog in 2020, reken maar na’ schrijft De Volkskrant naar aanleiding van een boek dat voormalig commandant Ingo Piepers schreef. In dit boek voorspelt Piepers de komende wereldoorlog door natuurkundige theorieën over chaos op de geschiedenis toe te passen. Oef. Het lijkt allemaal zo logisch als ik het artikel lees dat ik niet kan wachten om weer naar mijn klas-bubbel terug te keren. We gaan muziek maken, kondig ik aan.  Ik laat het complete Orff instrumentarium aanrukken en we timmeren de dystopische visioenen voor even de wereld uit. Na een half uur zijn de leerlingen uitgeput en kan ik er weer even tegenaan. Het is een treurige boel, denk ik, terwijl ik het doel van de volgende les op het digibord schrijf. Juist nu het onderwijs bijna bezwijkt onder doelstellingen, opbrengsten en het geboekstaafde vooruitgangsdenken, dreigt de leiding in de wereld overgedragen te worden aan heersers zonder noemenswaardig doel en richting. Leiders die mensen vertegenwoordigen die ergens genoeg van hebben, terecht dan wel onterecht.  Soms denk ik dat ze ook genoeg hebben van mij. Op het internet, vooral op Twitter, behoor ik beslist tot de verwerpelijke categorie van de goedmens, de linksmens. Voordat ik mij op de hoogte kan stellen van de contouren van het wereldbeeld van de rechtsmens, moet ik eerst door een haag verwijten, verzuchtingen en geschamper heen. Maar een goedmens doet dat. Zo is een goedmens. Alleen begrijp ik niet waarom het er zo negatief en destructief aan toe gaat in die bubbel. Zo, zeg ik tegen de klas, als ik aan het eind van de les ben gekomen. Pak je wisbordje. Ik ga eens even kijken wat jullie allemaal nog weten over deze les. Het resultaat valt me alleszins mee. Want opletten doen ze ook nog eens heel goed, deze lieverds. Maar als ik zelf bevraagd zou worden over wat ik nu geleerd heb over mijn getob over de toestand in de wereld zou ik niks op kunnen schrijven. Terwijl ik toch ook goed oplet. Straks maar eens naar het programma De kanarie in de kolenmijn kijken. 

vrijdag 2 december 2016

Column. Onvermogen.

Ok. Sorry dan! Vanessa doet impulsief een stap naar voren en slaat de armen om Mirthe heen. Mirthe verandert acuut in een lappenpop en laat zich de knuffel, met haar armen strak langs haar lijf,  met moeite welgevallen. Ze kijkt me bozig en ietwat verward aan. Ze is er nog niet aan toe om het goed te maken. Vanessa maakt het niet uit dat Mirthe wat onwillig aanvoelt. Het is weer goed wat haar betreft en daarmee uit. Voor mij komt deze afloop ook tamelijk onverwacht. Even daarvoor heb ik alles uit de kast moeten halen om de verwikkelingen rond hun slaande ruzie te doorgronden. Ik had bepaald niet het idee dat ik een geslaagde interventie aan het plegen was. Zoals zo vaak bij meidenruzies was de aanleiding diffuus, de escalatie groot en de oplossingsbereidheid minimaal.  Vanessa  loopt opgelucht van ons weg.  Mirthe loopt aarzelend de andere kant op. Wat te doen als je plotseling geen tegenstander meer hebt? Het duurt even tot het tot me doordringt dat het ook dit keer Vanessa’s onvermogen om sociale processen te doorgronden is die tot deze plotselinge overgave heeft geleid. Mijn aanpak werkte averechts. Ik deed het licht niet aan maar maakte haar verwarring groter. Dan maar een dikke pakkerd en een snelle verdwijning. Meestal gaat het juist andersom. Dan is er met haar geen land te bezeilen  als ze zich beledigd  of afgewezen voelt. Dan volgen er langdurige wraakacties. Het is naar om te zien hoe haar van nature vriendelijke gezicht van het een op het andere moment verandert. Haar lippen versmallen zich tot spleetjes, in haar ogen verschijnt een donkere borende  blik en al haar energie richt zich vanaf dat moment op het houden van een strafexercitie. Overal waar  de vermeende daders zijn, duikt Vanessa ook op. Op een afstandje weliswaar maar hinderlijk in het blikveld. Dreigend aanwezig en iets duisters uitstralend. Wacht maar hoor, wacht maar! Waarom mag  ze dan ook niet meedoen, vraag ik het ene moment aan haar klasgenootjes als de klachten over dit hinderlijke gedrag binnen stromen. Vanessa,  ga daar eens weg, dirigeer ik een ander moment volkomen inconsequent. Want ook ik worstel met het onvermogen van Vanessa. De meest moeizame relatie heeft Vanessa  met Mirthe. Vanessa aanbidt Mirthe. Ze wil niets liever dan bevriend met haar zijn. Mirthe kan die luxe niet altijd even goed aan. Dat is ook wel wat veel gevraagd van een achtjarige. Aan de ene kant vindt ze het wel eervol en interessant dat iemand haar zo geweldig vindt, aan de andere kant irriteert het haar en roept ze de ellende onbedoeld over zichzelf af. Op een dag zitten ze zusterlijk naast elkaar achter de computer met een opdracht om in Word een kort verhaaltje over zichzelf te schrijven. Vanessa vindt alles geweldig wat Mirthe doet. Ze praat net even te hard en laat zich om de haverklap hikkend van de lach tegen Mirthe aanvallen. Mirthe duwt haar regelmatig wat geërgerd van zich af. Dan zie ik dat de lichaamshouding van Vanessa verandert. Eerst vraagt ze vriendelijk of zij ook een stukje mag tikken, dan begint ze te duwen en even daarna mept ze er vinnig op los met haar ellenboog. Als ik op het computerscherm kijk, begrijp ik waarom. Mirthe schrijft over haar vriendinnen. Ze heeft er veel. Vanessa staat er niet tussen. Ben je echt verbaasd over de boosheid van Vanessa vraag ik. Huh? Mirthe wendt onbegrip voor. Kom op, dring ik aan. Ben je echt verbaasd waarom ze zo boos is? Mirthe zucht. Het is gewoon waar, probeert ze nog. Maar daarom hoef je het toch niet op te schrijven, zo pal voor haar neus? Nee juf, zegt  ze zachtjes. Sorry hoor. Vanessa slaat opnieuw haar armen om Mirthe heen. Kom hier. Het is niet erg hoor. 

vrijdag 18 november 2016

Column. Schuldbewust.

Het is bijna onnatuurlijk stil in de groep waar ik een dictee aan voorlees. De pennen krassen driftig over het papier. Er wordt ingespannen gewerkt. Zin 3, zeg ik, terwijl ik in mijn handleiding kijk. Plotseling klinkt er een wanhopig stemmetje door het lokaal. Juhuff. Ik kijk op. Ja Sven? Je gaat te snel juf. Er klinkt een instemmend gemompel. Ja, het gaat veel te snel. Ik kijk de leerlingen schuldbewust aan. Sorry, zeg ik, ik zal het langzamer doen. Wie kan het niet bijhouden? De helft van de groep steekt de vinger op. Sommige leerlingen hebben rode blosjes. Dit is groep 5. Ik heb nooit eerder groep 5 gehad en dat is te merken. Het tempo dat ik aanhoud in de lessen is er ingeslepen tijdens dertig jaar lesgeven aan bovenbouwklassen. Het is een pittig tempo. Veel te pittig. Ik moet mijzelf steeds tot rust manen. Ook bij de vooronderstelde voorkennis van deze leerlingen gaat het nogal eens mis. 7 x 6 =, vraag ik regelmatig achteloos, 4 x 7=? Om vervolgens te constateren dat het van mij verwacht wordt dat ik de tafels juist aanbied en oefen en niet als bekend mag veronderstellen. De overgang van het niveau van eind groep 7 naar begin groep 5 is een grote. Maar als ik de stap eenmaal gemaakt heb, vind ik het heerlijk. Wat een overzichtelijke rekenlessen, wat een fijne kleine stappen bij spelling en taal. Het is prettig om eens aan de basis van de uitleg over tabellen, maateenheden, geldsommen, klokkijken alsmede persoonsvormen en zelfstandig naamwoorden te staan. In de bovenbouw ben je toch al snel van allerlei zaken aan het repareren. Het geven van zaakvakken is echter van een heel andere orde. Daar loop ik tegen onverwachte zaken aan. Net als groep 6 -het andere deel van deze combinatiegroep- op het puntje van de stoel zit als ik in 1566 de beelden in katholieke kerken naar beneden laat tuimelen en de ketters spectaculair op brandstapels laat belanden, dringt tot me door dat groep 5 natuurlijk onwillekeurig meeluistert. Juhuuf, piept er andermaal een stemmetje vanaf de andere kant van het lokaal, juhuuf! Ja Mirthe? Ik kan hier niet tegen juf. O gut. Ik kijk schuldbewust in haar richting. Tja, In groep 5 zijn ze natuurlijk wel heel erg jong voor deze vertellingen. Nog een geluk dat ik niet met de middeleeuwen ben begonnen en al die martelwerktuigen uit die tijd de revue heb laten passeren. Ach, het is al lang geleden, vergoelijk ik. Ik wil toch eigenlijk wel liever ergens anders zitten, vraagt Mirthe. Ja, dat is goed, zeg ik. Er staan nog een paar meisjes op om met haar mee te gaan. De jongens niet. Ik zie alleen dat ik niet moet verwachten dat ze hun taalles nog afkrijgen. Het is veel te spannend in groep 6. Wat aangeslagen vervolg ik mijn les. Ik besluit het droeve lot van Edmond, Hoorne en de prins van Oranje maar even voor een ander moment te bewaren. Het is een leuk vrolijk stel, deze groep 5-6. Ze kunnen alleen niet goed buitenspelen. Vooral de jongens kunnen niets anders verzinnen dan het het slaan met stokken, het gooien met stenen en het eindeloos omduwen van elkaar. Dat vinden ze zonder enige uitzondering allemaal een reuze leuk tijdverdrijf. Het is niet echt juf, roepen ze vrolijk, het is voor de lol. Maar die belofte maken ze nooit waar. En dan rent de hele club tegelijk naar me toe. Om vervolgens alles recht te praten wat krom is. Ja, ik duwde ook wel maar ik deed het niet zo hard. Ja, ik gooide ook wel maar de mijne was niet raak. Ja maar Sven huilt altijd meteen terwijl hij het zelf ook doet. Elk voorstel van mijn kant om een spel te spelen beklijft maar even. Binnen de kortste keren rollebollen ze weer over het veld. Dit keer gaat het goed juf. Dit keer is het echt alleen maar voor de lol.

zaterdag 5 november 2016

Column. Allergieën.

Ik heb al een tijdje de app Beter Spellen op mijn iPad staan. Elke dag worden in deze app vier vragen over spellingsregels gesteld. Er zijn drie niveaus. Ik heb zonder mankeren het hoogste niveau ingesteld want spellen kan ik. Denk ik. Als ik toch fouten maak dan verbaas ik mij hogelijk. Is dat zo? Jeetje. Hoe dat zo? Onmiddellijk verdiep ik mij in de aard van deze fouten om vervolgens gerustgesteld te bedenken dat mijn fouten.. A niet zo erg zijn omdat ik te gehaast was, B veroorzaakt worden door de absurditeit van sommige spellingsregels, C ontstaan zijn omdat enkele spellingsregels even aan mijn aandacht waren ontsnapt. Ik betrek deze fouten nooit op mijzelf. Ik kan immers spellen. Het is  dan ook bepaald schokkend om te ervaren hoe anders het gaat als ik de app Beter Rekenen installeer. Om te beginnen besluit ik meteen om niet het hoogste niveau in te stellen. Ergens klinkt vanuit een ver verleden een stem dat het beter is om dit niet te doen. Die stem komt veel duidelijker door dan de meer voor de hand liggende overweging dat het dag in dag uit geven van rekeninstructie toch niet voor de poes is, qua kennis en zelfvertrouwen. Het is ook een tamelijk wanhopige stem die opklinkt uit de diepste krochten van mijn herinnering. Pfff. Rekenen dat kan ik niet. Denk ik. Elke keer als ik een fout maak, sla ik mezelf voor het hoofd. Stom, stom, stom. Om me daarna aangeslagen te realiseren dat ik deze fout gemaakt heb omdat ik… A niet goed nagedacht had, B de regel heb vergeten, C nog te stom ben om voor de duivel te dansen op dit gebied. En hup…daar gaat de app…weg ermee. In de prullenbak. Hier heb ik geen zin in. Daar ga ik niet aan beginnen. Ik heb me in al die veertig jaar echt wel gerealiseerd dat mijn geduld met zwakke rekenaars voortkomt  uit mijn eigen moeizame ervaring op dit gebied maar dat deze ervaring nog zo rauw onder de oppervlakte ligt, nee dat wist ik niet. Een dag later installeer ik de app opnieuw. Kom, zo snel laat ik me niet kennen. Nadat ik deze app er nog zeker drie keer resoluut afgegooid te hebben en vervolgens onmiddellijk weer opnieuw geïnstalleerd, vallen me een paar dingen op. Mijn allergieën betreffen: redactiesommen, oppervlakte berekeningen en het omrekenen van maat eenheden. Eigenlijk wel voor de hand liggend. Elke keer als ik bij mijn lesvoorbereidingen deze sommen zie staan in de handleiding wordt het mij droef te moede. Getverderrie. Wat een narigheid. Zou ik het over kunnen slaan? Het is precies dezelfde reactie die deze sommen ook bij sommige van mijn leerlingen oproept. Weerstand. Geen zin. Bahbahbah. Moet het of mag het? Elke keer als deze sommen opduiken bij de oefeningen van de dag, laat ik na wat ik mijn leerlingen altijd leer. Ik pak bijvoorbeeld geen uitrekenpapier en ik laat er geen oplossingsstrategie op los. Ik raad er soms maar wat na, in de hoop dat er een wonder gebeurt. Ik wil er namelijk van af. Ik ben een  juf met veertig jaar ervaring in het rekenonderwijs die onmiddellijk in alle valkuilen kukelt waar ze haar leerlingen voor wil hoeden. Het is me wat. Ik ben er wat confuus van. Sinds ik dit weet reken ik driftig door. Elke dag vier sommen. Ik wou dat ik kon zeggen dat ik vorderingen maak, dat ik het minder persoonlijk opneem en dat ik er rustig voor ga zitten. Maar ik ben bang dat dat nog wat langer gaat duren. Wel begrijp ik mijn leerlingen beter dan ooit tevoren. De zwakke rekenaars dan. De zwakke spellers niet. Hoe bestaat het dat je een woord als ‘wakker’ nou met een k kan schrijven. Dat zie je toch zo?
 

zaterdag 22 oktober 2016

Column.Tricky.

Een vraag van de hoofdredacteur van dit blad: of ik geïnterviewd wil worden door RTL over het onderwerp pesten in het kader van ‘de week tegen pesten’. Onmiddellijk schiet mijn interne waarschuwingssysteem op rood. O nee dat wil ik niet. Ik wil overal over praten maar niet over pesten. Praten over pesten is tricky bussiness. Het is ook weinig zinvol want wat moet ik zeggen...iedereen is tegen pesten, ik zou dus snel klaar zijn.Het probleem zit dan ook niet in het standpunt dat ik inneem maar in de positie die ik heb.Bij dit onderwerp zit een leraar al snel in de verdachtenbank. Je doet er niet genoeg aan, je hebt niks gezien, je hebt het onderschat. Maar schuldig ben je of op zijn minst heel erg verantwoordelijk. De inhoud van een item op televisie of een artikel in de krant verloopt altijd volgens geijkt procedē.. Er komen een aantal schrijnende gevallen voorbij, er roept iemand boos dat de leraar weinig zag of deed, er wordt een directeur ter verantwoording geroepen en klaar is het onderwerp. Om na verloop van tijd weer op te duiken. Zolang er gedacht wordt dat het tegengaan van pesten een kwestie van een al dan niet geleverde inspanning is, zal er niets veranderen. Veel mensen, vooral zij die aan de zijlijn staan, kunnen altijd uitstekend zien waar een ander schuldig is of iets nagelaten heeft maar vrijwel niemand ziet waar hij zelf een bijdrage levert. Uitsluiting, achterklap, verdachtmakingen, het komt overal voor bij volwassenen. Op het werk, in de buurt, bij verenigingen. Bij kinderen valt het alleen zo op omdat het daar in uitvergrote vorm aanwezig is. Ook is het elke keer weer schokkend om te zien hoe gemeen die lieve snoetjes soms kunnen zijn tegen elkaar. Maar kinderen doen niets anders dan het gedrag van volwassenen spiegelen. In de week tegen pesten heeft het Klokhuis een mooie aflevering op hun site geplaatst. Mijn leerlingen kijken er ademloos naar. Als we na afloop de trap aflopen om naar buiten te gaan, hoor ik Sem grijnzend ‘ha dildo’ zeggen tegen een klasgenoot die een naam heeft die in de verte wel wat op dit woord lijkt. Er is door Sem kennelijk geen verbinding gelegd tussen hetgeen hij zojuist gezien heeft en nu zelf doet. Het is een hele klus om als leraar die verbinding wel te leggen. Ook met anti- pestprogramma’s in de hand, een Kanjerschool-verklaring aan de muur en gekleurde petten op het hoofd blijft het een pittige opgave. Niemand zal me ooit horen zeggen dat ik in staat ben om dit allemaal mijn lokaal, de school en de wereld uit te krijgen. Ik kan alleen maar zeggen dat ik een uiterste poging zal wagen complexe interacties tussen leerlingen te verhelderen en waar nodig te bestraffen.  Elk schooljaar opnieuw. Het zou echter een hele vooruitgang zijn als er  over de kwestie rond pesten op school genuanceerder gedacht wordt. Zowel in de pers als in thuissituaties. Ik pleit voor een  realistische opvatting over de rol van leraren en die is: pesten is helaas van alle tijden, dus ook van deze, het vereist een alerte houding en stevig ingrijpen maar er moeten geen wonderen verwacht worden. Misschien moeten we de hand ook in eigen boezem steken en  ophouden met gedragsregels aan de muur te hangen en handtekeningen te verzamelen onder antipestprotocollen. We weten best dat dit maar even werkt en alleen maar voor de bühne daar hangt. De strijd tegen pestgedrag is te serieus voor dit soort oppervlakkigheden.

vrijdag 30 september 2016

Column. Extrinsiek.

Het rukt op. Het ene bestuur gaat weliswaar voortvarender te werk dan het andere bestuur maar overal zijn de tekenen zichtbaar: de intrinsieke motivatie waar onze beroepsgroep om bekend staat, wordt langzaam maar zeker om zeep geholpen. Het ‘reguleren van de werkdruk’ in de laatste cao’s heeft een ontmoedigend effect op de motivatie en arbeidslol van veel collega’s. De teloorgang van de ADV, de inkrimping van de bapo, de inperking van vakanties, het eindeloos tellen van de te werken uren en de uit te voeren taken, het dooft de spirit. Het maakt arbeidsslaven van enthousiaste onderwijsmensen. Het is op papier misschien goed geregeld maar al die lijstjes, afspraken en voorschriften over de inzet in tijd en ruimte voegen tot dusver geen meerwaarde toe. Dat ligt denk ik aan de redenen die ten grondslag liggen aan al deze veranderingen. Die zijn overwegend negatief van aard. Ze komen voort uit rancune over de lange vakanties en de zogenaamd korte werkdagen, uit wantrouwen over de inzet en de taakbelasting van het personeel,  uit onderling gekissebis van leraren over wie er allemaal de kantjes vanaf lopen en aangepakt moeten kunnen worden. Het is wraak, bedilzucht, wantrouwen, veelal gestoeld op subjectieve waarnemingen en oordelen. Iets wat op zulke giftige grond gebouwd is kan nooit tot iets moois uitgroeien. Wie schiet hier nou eigenlijk wat mee op? Alles wat je als leraar uit je zelf al deed, wordt nu van je geëist. Degenen die er de ‘kantjes van aflopen’, balanceren vrolijk door.  Je kunt dan wel verplicht worden om tot kwart over vijf op school te blijven maar wie garandeert of je in die tijd ook iets zinvols doet. Misschien zit zo’n kantjesloper wel gewoon met collega’s te kletsen of surft hij of zij wat lusteloos over het internet . Je kunt verplicht worden meer taken op je te nemen maar er is een heel scala aan mogelijkheden om niet tot resultaten te komen: ik snap het niet, ik ben het vergeten. Het komt er aan. Geen tijd gehad. Je kunt heel hard roepen dat het met al deze maatregelen hier om de professionalisering van de onderwijssector gaat maar daarmee wordt het nog niet waar. Directeuren hadden allang mogelijkheden om de uren die leraren moeten maken eerlijk te verdelen middels functioneringsgesprekken en personeelsbeoordelingen. Het netto effect van deze besprekingen was echter vaak niet meer dan het invullen een kruisjeslijst  en een verspild uurtje van je leven. Misschien is het in dit vak wel zo goed als onmogelijk om de zaken gelijk te trekken op dit gebied. Er zijn immers efficiënte collega’s en minder efficiënte collega’s. Er zijn alleenstaande collega’s met een overdosis aan enthousiasme voor hun vak en collega’s met drie jonge kinderen en een zieke schoonmoeder thuis. Het is volkomen onduidelijk waarom met al die maatregelen de goeden nu onder de vermeend slechten moeten lijden. Maar het is wel een teken van deze tijd. Een tijd die gekenmerkt wordt door achterdocht en chagrijn. Gaat collega Mirthe nu al naar huis, o jee weet de directeur dat wel, even melden maar.  Heeft Thomas zijn schriften wel nagekeken. Wordt het nog wat met de Kerstcommissie? Nee, ik doe dat niet want ik zit al aan mijn taks. Hoeveel uur moet ik nog maken? Mag ik deze uren aftrekken?  Tellen, controleren, afrekenen, aan de orde stellen, aanpakken, ter discussie stellen, nieuwe regels opstellen, borgen,borgen,borgen. Dat is geen professionalisering. Dat is gezeur.  Ik dacht altijd dat het met de bemoeizucht in het onderwijs wel los zou lopen zolang ik op geregelde tijden de deur van mijn lokaal achter me dicht kon trekken en al dat energielekkende gezanik achter me kon laten. Maar het is te laat. Het heeft me ingehaald. Ook in deze column.

zondag 18 september 2016

Column. Hardnekkig.

Ik zou er nu toch zo langzamerhand aan gewend moeten zijn maar ik blijf me aan het begin van ieder schooljaar  verbazen over het feit dat veel nieuwe leerlingen helemaal niet zo onder de indruk zijn van mijn gezag. Ik bedoel: daar staat toch ineens veertig jaar ervaring voor hun neus. Tel daar een flink dragende stem en een zelfverzekerde air bij op en dan heb je toch wat. Ze zouden in shock moeten zijn en met bezwete neusjes doodstil op hun stoelen moeten zitten. Krijgen we die juf? Oeps, even bij de les blijven maar. Maar nee hoor. Je bent acht en je kwekt gerust door de introductie van je nieuwe juf heen. Je rommelt wat in het kastje, sist wat tegen een buurvrouw, loopt op een onhandig moment achteloos naar het toilet of probeert met je been de leerling op de stoel voor je te raken. En bovenal: je toont je dodelijk beledigd als de nieuwe juf op dat gedrag reageert. Jij of ik Thomas? Nukkig : jij juf! Waar ga je naar toe Sanne? Hogelijk verbaasd: ik zoek mijn pen juf. Het stoplicht staat op rood en toch ben je aan het overleggen Myrthe? Diepe zucht: ik snap het toch niet juf!  Ook non verbaal draaien ze hun hand niet om voor een daad van verzet. Hup daar knalt het hoofd van Thomas gefrustreerd op zijn armen. Zoef, daar schuift Sanne haar boek bozig van zich af. De meeste leerlingen geven, nadat ik vriendelijk doch beslist duidelijk gemaakt heb hoe menens het is, zich al snel gewonnen. Anderen bieden wat langer weerstand. De beweegredenen achter de wat hardnekkiger weerstand in het begin van een nieuw schooljaar zijn overbekend: negatieve aandacht is ook aandacht, kijk-eens-hoe-leuk-ik-ben, wat bij mijn moeder lukt, lukt misschien ook hier of ‘ach het zal zo’n vaart niet lopen met deze juf’. Ik zou mij best wat minder verbaasd kunnen tonen over dit gedrag. Het heeft ook van mijn kant iets hardnekkigs om me steeds zo overvallen te voelen. Het moet dus mijn opspelende ego zijn die in de weg zit. Aan het eind van het vorige schooljaar liep alles zo op rolletjes dat ik niet kan geloven dat ik weer overnieuw moet beginnen. En dus stokt de adem letterlijk in mijn keel als ik zie dat Mascha, waarvan ik op het eerste gezicht dacht dat het een reuze inschikkelijk kind was, rustig in haar biebboek leest als ik de groep ergens over inlicht. Zie ik dat goed, zeg ik op gebiedende toon. Ik heb gewoon zin om te lezen, antwoordt Mascha nuffig. Denk je dat ik dit een goed antwoord vind, vervolg ik. Ik zie aan haar dat ze eigenlijk ja wil zeggen maar op het laatste moment iets aan mijn ondertoon vermoed. Ze haalt haar schouders op. Haal je nou je schouders op, vraag ik. Ik realiseer me dat ik weleens slimmere vragen heb gesteld maar mijn beledigde gemoed zit danig in de weg. Ze haalt nog een keer haar schouders op. Doe dat boek dicht, zeg ik met samengeknepen lippen. Mascha is nog steeds niet erg onder de indruk, ze doet net iets te langzaam haar boek dicht. Nou vooruit dan maar omdat de juf zo door zeurt. Ik vervolg mijn verhaal. Hup, daar springen ineens twee leerlingen tegelijk op en wandelen naar de deur. Waar gaan jullie heen? Naar het toilet. Samen? Ja, o mag dat niet? Mocht dat ooit wel, kets ik terug. Nee, bij nader inzien, mocht het eigenlijk nooit. Ineens realiseer ik mij dat ik degene ben die hier met een bezweet neusje zit. Alsmede een beetje in shock. En zo zit ik dus er  elke keer weer opnieuw bij in het begin van het schooljaar. Ik leer niks van mijn ervaringen op dit punt.