Het rukt op. Het ene bestuur gaat weliswaar voortvarender te werk dan het andere bestuur maar overal zijn de tekenen zichtbaar: de intrinsieke motivatie waar onze beroepsgroep om bekend staat, wordt langzaam maar zeker om zeep geholpen. Het ‘reguleren van de werkdruk’ in de laatste cao’s heeft een ontmoedigend effect op de motivatie en arbeidslol van veel collega’s. De teloorgang van de ADV, de inkrimping van de bapo, de inperking van vakanties, het eindeloos tellen van de te werken uren en de uit te voeren taken, het dooft de spirit. Het maakt arbeidsslaven van enthousiaste onderwijsmensen. Het is op papier misschien goed geregeld maar al die lijstjes, afspraken en voorschriften over de inzet in tijd en ruimte voegen tot dusver geen meerwaarde toe. Dat ligt denk ik aan de redenen die ten grondslag liggen aan al deze veranderingen. Die zijn overwegend negatief van aard. Ze komen voort uit rancune over de lange vakanties en de zogenaamd korte werkdagen, uit wantrouwen over de inzet en de taakbelasting van het personeel, uit onderling gekissebis van leraren over wie er allemaal de kantjes vanaf lopen en aangepakt moeten kunnen worden. Het is wraak, bedilzucht, wantrouwen, veelal gestoeld op subjectieve waarnemingen en oordelen. Iets wat op zulke giftige grond gebouwd is kan nooit tot iets moois uitgroeien. Wie schiet hier nou eigenlijk wat mee op? Alles wat je als leraar uit je zelf al deed, wordt nu van je geëist. Degenen die er de ‘kantjes van aflopen’, balanceren vrolijk door. Je kunt dan wel verplicht worden om tot kwart over vijf op school te blijven maar wie garandeert of je in die tijd ook iets zinvols doet. Misschien zit zo’n kantjesloper wel gewoon met collega’s te kletsen of surft hij of zij wat lusteloos over het internet . Je kunt verplicht worden meer taken op je te nemen maar er is een heel scala aan mogelijkheden om niet tot resultaten te komen: ik snap het niet, ik ben het vergeten. Het komt er aan. Geen tijd gehad. Je kunt heel hard roepen dat het met al deze maatregelen hier om de professionalisering van de onderwijssector gaat maar daarmee wordt het nog niet waar. Directeuren hadden allang mogelijkheden om de uren die leraren moeten maken eerlijk te verdelen middels functioneringsgesprekken en personeelsbeoordelingen. Het netto effect van deze besprekingen was echter vaak niet meer dan het invullen een kruisjeslijst en een verspild uurtje van je leven. Misschien is het in dit vak wel zo goed als onmogelijk om de zaken gelijk te trekken op dit gebied. Er zijn immers efficiënte collega’s en minder efficiënte collega’s. Er zijn alleenstaande collega’s met een overdosis aan enthousiasme voor hun vak en collega’s met drie jonge kinderen en een zieke schoonmoeder thuis. Het is volkomen onduidelijk waarom met al die maatregelen de goeden nu onder de vermeend slechten moeten lijden. Maar het is wel een teken van deze tijd. Een tijd die gekenmerkt wordt door achterdocht en chagrijn. Gaat collega Mirthe nu al naar huis, o jee weet de directeur dat wel, even melden maar. Heeft Thomas zijn schriften wel nagekeken. Wordt het nog wat met de Kerstcommissie? Nee, ik doe dat niet want ik zit al aan mijn taks. Hoeveel uur moet ik nog maken? Mag ik deze uren aftrekken? Tellen, controleren, afrekenen, aan de orde stellen, aanpakken, ter discussie stellen, nieuwe regels opstellen, borgen,borgen,borgen. Dat is geen professionalisering. Dat is gezeur. Ik dacht altijd dat het met de bemoeizucht in het onderwijs wel los zou lopen zolang ik op geregelde tijden de deur van mijn lokaal achter me dicht kon trekken en al dat energielekkende gezanik achter me kon laten. Maar het is te laat. Het heeft me ingehaald. Ook in deze column.
vrijdag 30 september 2016
zondag 18 september 2016
Column. Hardnekkig.
Ik zou er nu toch zo langzamerhand aan gewend moeten zijn maar ik blijf me aan het begin van ieder schooljaar verbazen over het feit dat veel nieuwe leerlingen helemaal niet zo onder de indruk zijn van mijn gezag. Ik bedoel: daar staat toch ineens veertig jaar ervaring voor hun neus. Tel daar een flink dragende stem en een zelfverzekerde air bij op en dan heb je toch wat. Ze zouden in shock moeten zijn en met bezwete neusjes doodstil op hun stoelen moeten zitten. Krijgen we die juf? Oeps, even bij de les blijven maar. Maar nee hoor. Je bent acht en je kwekt gerust door de introductie van je nieuwe juf heen. Je rommelt wat in het kastje, sist wat tegen een buurvrouw, loopt op een onhandig moment achteloos naar het toilet of probeert met je been de leerling op de stoel voor je te raken. En bovenal: je toont je dodelijk beledigd als de nieuwe juf op dat gedrag reageert. Jij of ik Thomas? Nukkig : jij juf! Waar ga je naar toe Sanne? Hogelijk verbaasd: ik zoek mijn pen juf. Het stoplicht staat op rood en toch ben je aan het overleggen Myrthe? Diepe zucht: ik snap het toch niet juf! Ook non verbaal draaien ze hun hand niet om voor een daad van verzet. Hup daar knalt het hoofd van Thomas gefrustreerd op zijn armen. Zoef, daar schuift Sanne haar boek bozig van zich af. De meeste leerlingen geven, nadat ik vriendelijk doch beslist duidelijk gemaakt heb hoe menens het is, zich al snel gewonnen. Anderen bieden wat langer weerstand. De beweegredenen achter de wat hardnekkiger weerstand in het begin van een nieuw schooljaar zijn overbekend: negatieve aandacht is ook aandacht, kijk-eens-hoe-leuk-ik-ben, wat bij mijn moeder lukt, lukt misschien ook hier of ‘ach het zal zo’n vaart niet lopen met deze juf’. Ik zou mij best wat minder verbaasd kunnen tonen over dit gedrag. Het heeft ook van mijn kant iets hardnekkigs om me steeds zo overvallen te voelen. Het moet dus mijn opspelende ego zijn die in de weg zit. Aan het eind van het vorige schooljaar liep alles zo op rolletjes dat ik niet kan geloven dat ik weer overnieuw moet beginnen. En dus stokt de adem letterlijk in mijn keel als ik zie dat Mascha, waarvan ik op het eerste gezicht dacht dat het een reuze inschikkelijk kind was, rustig in haar biebboek leest als ik de groep ergens over inlicht. Zie ik dat goed, zeg ik op gebiedende toon. Ik heb gewoon zin om te lezen, antwoordt Mascha nuffig. Denk je dat ik dit een goed antwoord vind, vervolg ik. Ik zie aan haar dat ze eigenlijk ja wil zeggen maar op het laatste moment iets aan mijn ondertoon vermoed. Ze haalt haar schouders op. Haal je nou je schouders op, vraag ik. Ik realiseer me dat ik weleens slimmere vragen heb gesteld maar mijn beledigde gemoed zit danig in de weg. Ze haalt nog een keer haar schouders op. Doe dat boek dicht, zeg ik met samengeknepen lippen. Mascha is nog steeds niet erg onder de indruk, ze doet net iets te langzaam haar boek dicht. Nou vooruit dan maar omdat de juf zo door zeurt. Ik vervolg mijn verhaal. Hup, daar springen ineens twee leerlingen tegelijk op en wandelen naar de deur. Waar gaan jullie heen? Naar het toilet. Samen? Ja, o mag dat niet? Mocht dat ooit wel, kets ik terug. Nee, bij nader inzien, mocht het eigenlijk nooit. Ineens realiseer ik mij dat ik degene ben die hier met een bezweet neusje zit. Alsmede een beetje in shock. En zo zit ik dus er elke keer weer opnieuw bij in het begin van het schooljaar. Ik leer niks van mijn ervaringen op dit punt.
vrijdag 2 september 2016
Column. Not Good.
Ik breng het deze zomervakantie niet op om nog ergens een minimale opbrengst van te verhogen. Het is genoeg geweest. Ik wil niet meer beter, hoger, verder. Ik wil zitten, mijmeren, niks. Ik ben moe van al het gedoe om steeds beter te moeten worden en harder te moeten werken terwijl ik in werkelijkheid alleen maar ouder en vermoeider word. Om mij heen worden er echter nog steeds driftige pogingen gedaan om vaardigheidsscores te verbeteren. Hoeveel kilometer hebben we gefietst vandaag, vraagt buurman één aan buurman twee op de camping waar ik ben neergestreken. Eens effe kijken, antwoordt deze, eh…45,1 kilometer! Vooral dat komma één , frappeert me. Zo Cito-esk. Aan de overkant komen vier wandelaars het terrein op. Zo, dat zijn toch even 30 kilometertjes in da pocket, stelt de voorste wandelaar trots vast, nu maar even een lekker biertje jongens! Ik zit allang aan dat lekkere biertje en laat Jack Reacher het vuile werk opknappen. Jack kan alles. Er is niets dat hij niet vermag. Overal waar de slechteriken in de wereld de zaak naar hun lelijke hand willen zetten komt Jack Reacher zijn neus in hun zaken steken. Het is een geweldige bemoeial. Zo nu en dan controleer ik tijdens het lezen over Jack’s vaardigheden mijn twitterberichten. Ook daar worden onophoudelijk opbrengsten verhoogd. A. meldt vrolijk dat ze al heel ver is met de voorbereidingen van het volgend schooljaar, B. schept op over flinke vorderingen in de tuin en C. verft er al dagen driftig op los. Hoofdschuddend leg ik mijn I-pad weg en laat Jack zeven voormalige rugbyspelers uitschakelen. Binnen de kortste keren liggen ze allemaal gekneveld in de gang. De buurmannen hebben inmiddels de kaart weer ter hand genomen om een route voor morgen uit te stippelen en de overburen lopen naar de accommodatie om hun bezwete kleren uit te wassen. Ik werp even een blik op Facebook maar ook daar schieten vaardigheidsscores tot ver achter de komma omhoog. Facebookvriend één wandelt door Wales en meldt keurig alle afstanden. Facebookvriend twee laat de app Strava steeds heel precies aangeven waar hij nu weer allemaal naar toe gefietst is en Facebookvriend vier loopt in een snikheet Venetië. Pfff…wat een vermoeienissen. Gauw terug naar Jack. Och jee…. hij heeft een gebroken neus. Not good, mompelt hij, not good at all. Nee, ik maak me ook zorgen. Met een gebroken neus is het slecht boeven vangen en er is natuurlijk geen tijd om naar een dokter te gaan. Er is veel te veel om recht te zetten in de wereld. Oh, gelukkig. Jack heeft er wat op gevonden. Hij zet zelf zijn neus recht. Natuurlijk. Dat kan Jack. Hij weet dat hij bij deze ingreep het bewustzijn zal verliezen maar wat moet dat moet. En krak…daar gaat zijn neus en Jack er achteraan. O jee, de hond, denk ik met schrik. De hond moet uit. Hè get. Wat een inspanning nou. Waarom moest ik zo nodig een jachthond en niet zo’n sloom buikschuivertje. Nou vooruit dan maar. En dan weer gauw terug om te kijken hoe het met Jack is. O gelukkig. Jack is weer bij zijn positieven en wandelt nu doodleuk een trappenhuis binnen waar zich 11 gewapende onverlaten hebben gepositioneerd. Elke verdieping schakelt hij er een uit. Persoonlijk vind ik 11 wat veel dus ik sla snel wat bladzijden om want ik wil wel weten hoe het zich op de elfde etage allemaal ontwikkelt. Daar duikelt plotseling een 12e schurk op –zelfs Jack schrikt hier van- maar gelukkig weet hij raad. En dan gebeurt het onmogelijke: Jack blijft met een los eindje zitten. Hij begrijpt niet alles en-dat-maakt –hem –niet-uit. Hij stapt vrolijk het verhaal uit. Kom terug Jack, mopper ik boos. Zo is de opbrengst van mijn inspanning niet optimaal. Not good Jack.. not good at all.
vrijdag 17 juni 2016
Column. Oud.
Demotie. Het is een woord met een vervelende gevoelswaarde. Het wordt geassocieerd met afbraak, met een stap terug doen, met het naderen van een eindstation. Het is bepaald niet iets om trots te melden aan de mensen om je heen. Het maakt natuurlijk behoorlijk uit of je zelf beslist dat het een tandje minder mag of dat je bazen dat voor je doen. De grens tussen vrijwillig en onvrijwillig een treetje lager stappen is dun en wordt vrij ondoorzichtig als bezuinigingen, beoordelingsgesprekken en verandertrajecten hun invloed doen gelden. Wanneer komt het punt dat je het niet meer bij kunt benen, niet meer bij wil benen, niet meer bij mag benen? Dat ligt in elke organisatie anders. De ene doet het fluitend een stap terug, blij dat er een last van hem of haar is afgevallen, een ander ziet het als een bewijs van falen of voelt zich erg onheus behandelt. Voorheen bestond het probleem nauwelijks. Zeker in het onderwijs niet. Veel leraren haalden de 40 dienstjaren amper. Als het wel zo was stond dat in de krant. Zo rond het twee- en zestigste levensjaar hielden de meesten het voor gezien, niet zelden zelfs al eerder. Dat is nu verleden tijd. Ondanks mijn 39 dienstjaren is van hoger hand bepaald dat ik daar zeker nog ruim acht dienstjaren aan toe moet voegen voor ik met pensioen kan. 67,5 jaar is de leeftijd dat ik er officieel uit kan, voor iets jongere collega’s loopt de leeftijd nog verder op. Dat is een slechte zaak. Voor jonge leerkrachten maar ook voor deze zestigers zelf. Ik ken veel leeftijdgenoten die de eindstreep niet gehaald hebben of dreigen deze niet te halen. Bij verzekeringsbedrijven, de belastingdienst, accountantsbedrijven, allemaal doen ze gedwongen een stap terug of erger: vliegen ze eruit. Gebutst, gekwetst, in hun zelfvertrouwen aangetast. Op weg naar vernederende cursussen van de UWV om opnieuw te leren solliciteren. Ik ben in mijn directe omgeving –als bijna zestiger-nog een van de laatste der Mohikanen die volledig werkt. Ook in het onderwijs wil men, nu het leerlingenaantal in het hele land krimpt, bij voorkeur van oudere werknemers af. Ze zijn duur, niet meer zo flexibel dat ze bij elke vernieuwing zich het vuur uit de sloffen lopen en hier en daar ook wel wat lastig met al hun ‘hoezo, waarom en hadden-we-dat-twintig-jaar-geleden-ook-al-niet’ opmerkingen. Het punt is dat veel zestigers , al zouden ze het willen, financieel niet zomaar kunnen vertrekken. Er zijn nu generaties die tussen wal en schip vallen. De pensioenleeftijd is zo hoog is opgetrokken dat men aan de onderkant het arbeidsproces niet meer in komt en aan de bovenkant het arbeidsproces niet op een menswaardige manier uitkomt. Toen ik ooit eens door Jordanië reisde sprak ik een leraar die vertelde dat het in zijn land anders gaat: na 25 jaar lesgeven word je door de staat hartelijk bedankt voor de dienstverlening aan het vaderland en krijg je als je dat wil een uitkering voor de rest van je arbeidzame leven. Je kunt daar dan rustig ander werk naast gaan doen. Je kunt ook blijven lesgeven. Het is al weer tien jaar geleden dat ik daar rondreisde, misschien is het ondertussen veranderd, maar het principe is navolgenswaardig en heel wat aantrekkelijker dan in dit land, waar veel zestigers soms tegen heug en meug hun lessen geven in een omgeving waar ze zich niet meer thuis voelen en die eigenlijk ook teveel van ze vraagt. Demotie is dus zo gek nog niet: klassenassistentie, begeleiding van hoog en meer begaafden, administratie. Maar daarvoor moeten we eerst van die nare bijklank in het woord ‘demotie ’af, of de pensioenleeftijd weer verlagen. Gewoon…zoals-we-het-twintig-jaar-geleden-ook-hadden. Hoezo, moesten we daar eigenlijk vanaf? Waarom is het zo’n treurige boel geworden nu?
vrijdag 3 juni 2016
Column. Heerlijk, lief en lastig.
Er zijn klassen die rond oktober al doorhebben binnen welke grenzen de vrijheid van hun handelen valt, waar er initiatief en zelfstandigheid verwacht wordt en wanneer er coöperatief kan worden samengewerkt. Er zijn ook klassen die in december op dit punt aankomen en - zo heel nu en dan- zijn er klassen waarbij het nog langer duurt. Deze klas haalde maart. Zo’n twintig jaar geleden had ik een groep met wie het tot het eind toe niet lukte. Dat schooljaar eindigde onvoldaan. Er zaten teveel oncoöperatieve leerlingen in, er was teveel gedoe met meidenruzies. Het werd maar geen geheel en ik kreeg er nooit echt greep op. Een annus horribilus. Een tijdje dacht ik dat het met deze groep dezelfde kant op zou gaan. 17 jongetjes die voornamelijk met elkaar in de weer waren en een kleine groep meisjes die hun tijd voornamelijk besteedden in het met elkaar overhoop liggen. Ik betrapte mijzelf er op dat ik voor het eerst in jaren soms weer stampvoette, brieste en met de deuren sloeg. Dat viel me tegen. Had ik deze onhebbelijkheden niet al jaren geleden achter me gelaten? Was ik nou echt niet in staat om dit geduldiger en rustiger aan te pakken? Tot mijn verbazing vonden de leerlingen al deze wat kwalijke interventies helemaal niet zo erg als ik. Ze bleven maar zeggen hoe leuk ze het hier vonden terwijl het mij totaal ontging wat er dan zo leuk was. Toespraak een, dichtgeslagen deur twee, ga-maar-terug-het-lokaal-in opdracht drie? Er kwam echter geen klacht over hun lippen. Het ergste vond ik de herrie. Die onophoudelijke herrie. Zelfs als ze niets zeiden en gewoon aan het werk waren kraakten hun stoelen, piepten hun laatjes, schuifelden hun schoenen over de vloer. Elke keer als ik door het lokaal liep werd ik aangesproken. Juhuff, gaan we… mogen we…kan ik…zou u….Als ik even de klas uit ging om iemand te helpen die achter een computer aan het werk was, stond er bij terugkomst een rij bij de deur op me te wachten, zaten er drie tegelijk op het toilet en was de ruzie tussen een aantal meisjes sissend verder gegaan. Juhuff..Maartje huilt, Tyrza is boos. Sean heeft me geslagen. Niet zelden zaten er zelfs leerlingen op hele andere plekken, zo ver hadden ze hun tafel van de ander weggeschoven. Ook als ze geen ruzie maakten raakten ze elkaar. Schmacken noemden ze het. Vooral de jongetjes konden zich hier eindeloos mee bezig houden. Ze hadden het op You Tube geleerd: je slaat elkaar steeds opnieuw zachtjes in het gezicht. Het stopt nooit en het is kennelijk erg leuk. De onrust in de groep werd mede veroorzaakt door het feit dat deze leerlingen voor het eerst in een combinatiegroep zaten en het heel moeilijk vonden om hun vragen uit te stellen en zelfstandig aan hun weekagenda te werken. Maar ineens –toen ik even niet oplette- was de strijd gestreden. Ze begrepen het. Ze konden het aan. En zo komt het dat ik nu heel rustig een instructie kan geven aan groep 7 terwijl in groep 6 iedereen wat anders doet. Sommigen maken hun rekenwerk af, anderen werken in hun spellingsboekje, Thomas schildert aandachtig een groot piratenschip, Manon schrijft aan haar boek, Noa en Tim bereiden een spreekbeurt voor. Geen herrie, geen vragen tussendoor, rust, regelmaat en veel werkplezier. En terwijl ik tevreden om me heen kijk moet ik aan Theo Thijssen denken. Die ziener, die top-pedagoog, die meester-meester. Hij schreef: ‘m’n heerlijke, lieve, lastige stel, ik weet eigenlijk maar een ding: de jaar of wat dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben, behoren wij enkel maar een gelukkige klas te zijn. En de rest is nonsens hoor, al zal ik dat jullie nooit zeggen’.
vrijdag 20 mei 2016
Column. Achterbank.
Ik weet het. Ik generaliseer. Er zijn lieve gewetensvolle ouders die niet in dit verhaal passen. Ouders die opvoeden serieus nemen en zichzelf wat minder, die genuanceerd over de rol van de school denken en zich heel verantwoordelijk opstellen. Over hen gaat dit niet. Dit verhaal gaat over de kinderen die in de jaren negentig op de achterbank van hun ouders overal naar toe gesleept werden en daar nooit vanaf zijn gekomen. Het zijn de dertigers, veertigers die nu zelf kinderen hebben maar nog steeds amper hobbels kunnen nemen of verantwoordelijkheid willen dragen. Ze zijn in de vaste veronderstelling dat ze overal mee geholpen zullen worden. De achterbank als permanente zitplaats. Ze stellen hun ouders nog steeds overal verantwoordelijk voor: voor de medefinanciering van hun huishouding, voor de oppas van hun kinderen en als emotioneel klankbord op momenten dat dingen niet helemaal lopen zoals verwacht. Er lopen natuurlijk vaak dingen niet zoals verwacht. Dan wordt er onmiddellijk hulp ingeschakeld. Hulp bij schuldfinanciering, hulp van de huisarts, hulp bij de opvoeding en hulp van school. Bij de besprekingen van het gedrag of de prestaties van hun kinderen op school komen niet zelden opa en oma ook mee. Het aantal hulpverleners dat er dan om tafel zit is groot. Regelmatig zit er snel zo’n man (lees vrouw) of tien. De besprekingen gaan ook vaak wat moeizaam. Vader controleert zijn mobiel en moet regelmatig ‘echt even opnemen’. Moeder zit met de armen over elkaar en is vaak wat bozig: ik zei het al in december…jullie hadden beloofd…hoe zo Kanjertraining…ik merk dat nergens aan…hoe kan het nu dat…De ene keer stormt moeder de kamer uit, de andere keer vader, soms rent oma ook weg of slaat opa met zijn vuist op tafel. De hulpverleners en leerkrachten bespreken dan onderling waar er niet goed gecommuniceerd is. Er moeten acuut protocollen bijgesteld worden. Terwijl de werkelijke oorzaak regelmatig het onvermogen van ouders betreft. Onvermogen om het initiatief naar zich toe te trekken. Onvermogen om in te grijpen in hun eigen situatie. Ze zouden moeten vragen: wat kan ik, als ouder voor dit kind, doen? In plaats daarvan vragen ze steeds opnieuw wat de school, de dokter, en de instanties voor hen en hun kind kunnen doen. Vanaf de achterbank lukt het deze ouders niet om bij het stuur te komen en voor je het weet nemen leerkrachten, coaches en gedragskundigen de boel van oma en opa over. Achterbankers zijn ook verbazend snel ergens ‘klaar mee’. Vooral met hun huwelijk. Dan wordt er gescheiden. Moeder of vader krijgt met voorrang een ander huis want er zijn kinderen in het spel. Er wordt veelvuldig met bedden gesleept en vaak is er binnen een jaar een andere partner in beeld die even daarvoor ook al met kinderen en bedden heeft lopen slepen. Mijn gymtas ligt nog bij mijn vader juf, ik heb alweer een andere kamer juf , o ja mijn moeder heeft geen uitnodiging voor een tienminutengesprek gehad. Dit gedicht werd gemaakt door een negenjarige op mijn school: Houden van elkaar/Scheiden van elkaar/Kinderen krijgen. Oef! Ik heb soms ook wel met deze achterbankers te doen. Ze zijn beslist niet gelukkig geworden van hun opvoeding. Ze behoren tot de eerste generatie die het financieel slechter heeft dan de vorige. Ze moeten het doen met nul-uren contracten en snoeiharde beoordelingsgesprekken. En dat terwijl ze een rozentuin beloofd is door mijn eigen generatie. Natuurlijk word je daar boos van. Alleen helpt het niet. De slachtoffers zijn hun kinderen. Het zijn kinderen die niet goed weten waar ze aan toe zijn, die flexibeler moeten zijn dan goed voor ze is, die niet leren dat problemen opgelost kunnen worden want als hun ouders maar op die achterbank blijven zitten, is er voor hen alleen nog plaats in de kofferbak.
vrijdag 29 april 2016
Column. Professioneel handelen.
Neem de woorden uitdaging, transparantie en excellentie. Voorheen waren dat mooie woorden. Ze appelleerden aan iets positiefs. Nu mogen ze thuis en op school niet meer over de vloer komen. Als ze toch proberen via een achterdeur een gesprek of vergadering binnen te sluipen dan is de kans groot dat de conversatie stokt en niet meer goed op gang komt. Ook het woord passie komt alleen nog ongeschonden over mijn lippen als het over de Mattheuspassie gaat. Al deze woorden zijn de laatste decennia binnen het onderwijs van hun wezenlijke betekenis beroofd, uitgehold en uitgesleten. Helaas heeft zich daar onlangs ook het woord kwaliteit bij gevoegd. Het is verstrikt geraakt in een onontwarbaar kluwen met de woorden aanvliegroute en verbetertraject en over de rand gekieperd in de bodemloze put van het onderwijsjargon. Er dreigt opnieuw gevaar. Dit keer zijn de woorden professioneel handelen en persoonsvorming aan een opmars bezig. Vooral het professioneel handelen hangt al over de rand van de put. De eerste fase is al voorbij. Dat is de fase waarin iedereen het woord confisqueert en voor zijn karretje spant om de ander op uiterst onprofessionele wijze mee ondersteboven te rijden. In deze fase sommeert de ene partij de andere dat cursus een, scholing twee, alsmede verbetertraject drie onmiddellijk noodzakelijk zijn om het professionele handelen op hoger niveau te tillen. Verbeter het onderwijs, begin in de observatiestoel. En dat terwijl er op dit moment geen overeenstemming is over de betekenis van dit begrip. Als het gaat om wat Jelmer Evers op zijn blog schrijft, kan ik er mee leven. Hij schrijft: ‘het draait hierbij om de individuele leraar die openstaat voor verbetering, korte termijndoelen kan realiseren, op de hoogte is van de nieuwste ontwikkelingen, collegiaal kan samenwerken en in staat is om het eigen handelen te plaatsen in relatie tot een overkoepelende bedoeling van onderwijs’. Maar als het gaat om het aanspreken van elkaar als afspraken niet nagekomen worden, dan zie ik een mini-hellepoel ontstaan waarin mensen elkaar de maat nemen met een hoog kijk-naar-je-zelluf gehalte. Het steeds opnieuw creëren van nieuwe begrippen in het onderwijs en de daarop volgende uitholling van de betekenis van die woorden is een teken dat deze begrippen vaak niet voortkomen uit voortschrijdende inzichten en een intrinsieke wil om zo goed mogelijk les te geven. Nee, het is veel eerder een teken dat veel verdienmodellen gebaseerd zijn op het in stand houden van een gevoel van constant falen. Instanties die aan onderwijs verdienen zijn niet gebaat bij het vriendelijk onder de aandacht brengen van hun -al dan niet zelf bedachte- waar, niet gebaat bij maatwerk, niet bij een tevreden status quo. Daarom handelen deze instanties in schuld, in het gevoel dat je tekort schiet en dat je daardoor de leerlingen tekort doet. Om die reden doen we al jaren niets anders dan amechtig rond hollen. Is eindelijk het klasse management volgens de modernste richtlijnen ingericht maalt er plotseling geen hond meer om of volgen er nieuwe richtlijnen. Lever je na een enorme krachtsinspanning maatwerk voor de leerlingen, krijg je om je oren dat leerlingen op deze wijze weer teveel in hokjes geplaatst worden. Dit is het beroep van de eeuwig klinkende verwijten. Er is een woord dat ik graag voor de aantrekkingskracht van de put zou willen sparen. Dat woord is eigenaarschap. Zonder dwang of een teveel aan controle. Maar het is al te laat, vrees ik..
Abonneren op:
Posts (Atom)