zondag 20 september 2015

Column. Twijfel.

Ze zijn zo klein, constateer ik verbaasd, als ik mijn nieuwe groep eens wat beter in me opneem. Bij veel leerlingen bungelen de benen zo’n tien centimeter boven de vloer. Er zijn al zeker vijf leerlingen komen klagen dat ze de tafel en de stoel te hoog vinden. Dat is andere jaren altijd andersom. Ook qua gedrag geven sommige leerlingen eerder de indruk in groep 5 te zitten dan in groep 6. Zo is Jasmijne vandaag al voor de vijfde keer van slag. Je hebt nu wel genoeg gehuild, zucht ik tamelijk onredelijk. Ik heb nog geen enkel idee wat Jasmijne beweegt. Dat geldt ook voor Armin. Hij lijkt geen moment te horen wat ik zeg. Hij tuurt uit het raam of houdt anderen van het werk. Het duurt niet lang of ik ontsteek in razernij over zijn gedrag. Even daarvoor heb ik uitgebreid toegelicht hoe een topo-repetitie ingeoefend moet worden en de bijbehorende huiswerkbladen uitgedeeld. Als Armin naar huis gaat heeft hij niets bij zich. Waar is je huiswerk, vraag ik. Huiswerk? Armin kijkt mij bevreemd aan. Topo Nederland, licht ik toe. Topo Nederland? Ja, die bladen die iedereen in de hand heeft, wijs ik. Armin kijkt verbaasd rond. Ga ze maar zoeken, grom ik. Armin zoekt wat halfbakken in zijn kastje. Ik heb ze niet, mompelt hij tegen een klasgenootje, ze zegt dat ik ze heb, maar ik heb ze niet. Met stevige passen been ik naar hem toe. Wat hoor ik daar, geef je mij de schuld? Armin kijkt omhoog. Nee, ik geef je niet de schuld maar misschien ben je me gewoon vergeten. Ik ben nog maar net bekomen van deze brutaliteit als Jasmijne voor de zesde keer huilend binnenkomt. Ik ben mijn tas kwijt, snikt ze. Achter haar staan twee meelevende klasgenootjes: Tara en Sia. Ze slaan de armen om haar heen. In optocht vangen we een zoektocht aan en vinden de tas uiteindelijk in groep 4. Jasmijne gaat blij en opgelucht naar huis. Als ik naar mijn klas terugloop knaagt er twijfel. Was het toeval dat die tas daar lag? En waren Tara en Sia werkelijk echt begaan met Jasmijne? Diezelfde ochtend was er nog een vervelend akkefietje geweest rond Sia. Jasmijne had haar derde huilbui van die dag en Sia bleek de oorzaak. Toen ik Sia om opheldering vroeg, keek ze me verbaasd aan. Toen we een spelletje gingen spelen zei ik alleen maar: we moeten Jasmijne er wèl bijnemen, licht ze toe. Dus je bedoelde het aardig, concludeer ik. Ja natuurlijk juf. Als ik de rest van het groepje vraag of deze versie de juiste is blijkt het omgekeerde het geval. De opdracht om Jasmijne bij het spel te betrekken was van de gymjuf gekomen. De klemtoon in de zin van Sia had op het woord ‘moeten’ gelegen. Als ik terugkom in de klas staat Armin er nog. Juf, zegt hij vriendelijk, ik wil je nog even vertellen dat ik zo vaak uit het raam kijk omdat ik last heb van mijn nek. Ik kan niet goed buigen, snap je? Ik knik maar ik aarzel opnieuw hoe ik dit nu in moet schatten. Net zoals de twijfel knaagt bij de eerste samenwerkingsopdracht aan deze groep: accepteer ik deze herrie omdat ze het nog moeten leren of stop ik acuut? Net zoals ik aarzel bij de eerste computeropdrachten in de gang: is het enthousiasme waarmee ze op hun stoel zitten te wippen en door de gang roepen hoe cool dit allemaal is nog te verdragen voor andere klassen of zal ik ze maar naar binnen halen. Ben ik te streng, te makkelijk, laat ik me van alles wijsmaken, beoordeel ik het te hard? Na al die jaren ben ik aan het begin van het schooljaar nog net zo’n twijfelaar als in het begin van mijn loopbaan.

maandag 7 september 2015

Huilen

Juf! Zonder op te kijken weet ik dat het mis is. Het is hoorbaar in de stem van Jasper. Een klein beetje weliswaar maar net genoeg om te horen dat Jasper een manhaftige poging doet om zijn emoties in bedwang te houden. Hij wil niet huilen. Onder geen beding. Ik draai me naar hem toe. Zeg het maar. Ze doen dat spel weer juf, hakkelt hij, en ik ben steeds de pineut. U heeft dit spel verboden dus ik doe niks terug maar nu tikken ze me de hele tijd. Ik kijk naar zijn groepsgenootjes. Er speelt iets rond hun lippen. Er is op gezette tijden niks zo leuk als Jasper een beetje jennen. Hij reageert namelijk altijd. Zelfs als hij probeert niet te reageren. Ik zie het vaak aan de ingespannen wijze waarop hij schrijft. Alsof hij een mantra herhaalt: niet opkijken, dan gaat het misschien over. Niet opkijken dan....maar hij kijkt toch op. Om vervolgens te constateren dat het waar is. Ze hebben hem opnieuw in het vizier. Hij weet dat het beter is om het te verdragen dan om het mij te melden maar hij houdt het niet vol. Hij kan er gewoon niet tegen. Het raakt hem diep. Zou ik willen zorgen dat het stopt? En ja daar zorg ik dan voor. In de pauze neem ik de daders monsterend op. Waarom toch, zucht ik terwijl ik mijn armen wanhopig ophef. Hij is jullie vriend. Jullie kunnen het doorgaans prima vinden met elkaar en dan ineens veranderen jullie in van die geniepige pestkopjes. Leg dat eens uit! We plagen elkaar allemaal wel eens, antwoordt Thomas, alleen Jasper kan er niet tegen. En hij reageert gewoon altijd, vult Derek aan, dat vinden we dan leuk. Is het dat ook, vraag ik, is het echt leuk? Nee, nu niet meer,antwoordt Thomas, als ik erover nadenk is het helemaal niet leuk. Maar het gaat soms gewoon vanzelf juf, dan meen ik het helemaal niet zo en dan reageert hij zo overdreven en dan ga ik maar gewoon door. Jasper is overgevoelig, zeg ik, hij is heel serieus en heel gevoelig. Zijn vrienden knikken. Je zou dat ook gewoon kunnen accepteren en er rekening mee kunnen houden. Ze kijken elkaar aan. Dat is waar, dat is goed, dat gaan ze proberen.. Het gaat inderdaad een poosje goed en dan ineens....juf! Daar staat Jasper weer. Onmachtig, huilerig, in de war. Op een dag houd ik niet zijn vrienden maar hem in de pauze binnen. We moeten eens praten. Dat is goed. Jasper kijkt me benauwd aan. Ik vind het vervelend voor je dat je je zo voelt, zeg ik. Om die reden probeer ik je ook steeds te helpen. Jasper knikt om het hardst. Maar daar stopt het niet door. Jasper schudt zijn hoofd hevig heen en weer. Ik weet het. Ik weet het, zegt hij, ik moet het zelf doen maar ik weet niet zo goed wat ik moet doen. Het valt ook niet mee om er wat tegen te doen, zeg ik, op jouw leeftijd kunnen jongetjes heel vervelend doen tegen elkaar. Dat stopt wel een keer maar daar heb je nu niets aan. Je moet maar gewoon eens wat proberen. Kijk maar eens wat werkt. Schreeuw ze bij je weg, stampvoet, duw desnoods. Ik neem je niets kwalijk. En als het echt niet lukt kom je maar weer bij mij. Jasper knikt. Drie dagen later wordt de les plotseling onderbroken door een luide krijs. En nou houden jullie op! We kijken allemaal verschrikt op. Jasper is rood, rood en boos. Tim en Thomas kijken verbaasd en verschrikt in zijn richting. Goed zo, zeg ik waarderend tegen Jasper. Neem ze te grazen, pak ze aan! Jasper buigt zich weer over zijn werk. Hij lijkt opgelucht.

vrijdag 19 juni 2015

Column. Doos

Aisha is een heel nauwgezet meisje. Ze is er van overtuigd dat het leven geen lolletje is. Het is haar een raadsel hoe achteloos andere kinderen soms kunnen zijn. Huiswerk niet in orde? Afkijken bij een repetitie? Het onthutst haar zo erg dat ze mij regelmatig op de hoogte komt stellen van de overtredingen van anderen. Niet zo zeer om te klikken maar om haar verbazing uit te spreken. Hoe kan het toch dat sommige kinderen zo maar hun eigen gang gaan? Vandaag houdt Aisha een spreekbeurt over de koran. Ik zie haar ’s morgens vanuit de deuropening van mijn lokaal aankomen. Ze houdt een plastic zak met twee handen vast en kijkt wat angstig naar de ruw langs haar heen lopende leerlingen. Ik begrijp het meteen: in die zak zit de koran. Ze heeft me zorgvuldig geïnstrueerd. Niemand mag het boek vastpakken zonder daar bij een bepaalde zin uit te spreken. Ik ook niet. U bent geen moslim, zei ze streng. Ik had haar plechtig beloofd dat niemand het boek vast zou pakken. Aisha ziet echter geen kans om haar jas uit te doen zonder de tas neer te leggen. Ze aarzelt. Dan loopt ze op me af. Houdt u hem toch maar even vast, zegt ze. Plechtig sta ik met de tas in de handen en wacht tot ze terug is. Als ze met haar spreekbeurt begint is het doodstil. Aisha staat met zo’n ernstig gezicht voor het digi-bord dat ze die stilte vanzelf afdwingt. Ze vertelt over de koran, de moskee, Mohammed, Allah. Op het moment dat ze een plaatje van de Kaaba laat zien, schiet Tiemen verrast omhoog. Hij is duidelijk onder de indruk van het gebouw. Het lijkt eigenlijk wel wat op een doos, peinst hij. Aisha schrikt heftig. Op zijn beurt schrikt Tiemen van haar reactie. Er valt een wat verwarrende stilte. Wat gebeurt er nou? Aisha herpakt zich en vervolgt haar verhaal. Ze slaagt erin om tot het eind toe de aandacht op een intense manier vast te houden. Dan mogen er vragen gesteld worden. Tiemen steekt zijn vinger op. Waar schrok je nou zo van toen ik zei dat het gebouw op een doos lijkt. Omdat je de profeet beledigt, antwoordt Aisha. Maar ik ken de profeet helemaal niet, verdedigt Tiemen zich, ik bedoelde het ook niet vervelend. Aisha is echter niet te vermurwen. Je zegt zulke dingen niet over de profeet! Tiemen kijkt mij hulpeloos aan. Hij bedoelde het niet vervelend en dat is wat telt, zeg ik. Aisha haalt boos haar schouders op. Ik heb kennelijk geen autoriteit op dit gebied. Sam steekt zijn vinger op. Wat gebeurt er als je per ongeluk vergeet die woorden te zeggen als je de koran oppakt? Aisha valt stil. Ze moet nadenken. Dan schiet het haar te binnen. Dan moet je branden, zegt ze ferm. De stilte die valt is nu werkelijk oorverdovend. Branden? Jeetje. Sam steekt opnieuw zijn vinger omhoog. Ken jij iemand die moest branden, vraagt hij. Aisha schudt haar hoofd. Niemand vergeet die woorden, zegt ze. Sam steekt onmiddellijk opnieuw zijn vinger op. Heb je dan wel eens gehoord dat iemand branden moest, ergens op de wereld? Aisha schudt haar hoofd. Nee, daar heeft ze nog nooit van gehoord. De klas haalt opgelucht adem. Dan haalt ze een gebedssnoer tevoorschijn. O ja, dit ben ik nog vergeten te vertellen. Dit is een tasbih. Het wordt gebruikt om gebeden mee op te zeggen maar soms ook gewoon om je vingers mee bezig te houden. Ik zal het even rond laten gaan. Aisha geeft het snoer aan het kind dat voor haar zit. Ik schiet overeind. Doe er voorzichtig mee, waarschuw ik. Aisha schiet in de lach. Dat hoeft niet hoor juf, het is gewoon plastic.

zaterdag 6 juni 2015

Column. Verloren.

Het is misschien wel mis gegaan toen de leerkrachten van groep 1 en 2 hun kussentje moesten inleveren. Dat kussentje waarmee ze op de rand van de zandbak zaten terwijl ze een kopje thee nuttigden en zo nu en dan een vechtpartij om een stuurkar oplosten. Schooladviesdiensten waren van mening dat leerkrachten mee moesten spelen met hun leerlingen. Didactisch en pedagogisch hoorden de toenmalige kleuterleidsters honderd procent van de tijd paraat te staan. Niet de fantasie van de leerling werd uitgangspunt tijdens het spel maar de fantasie van de leerkracht. Het kwam waarschijnlijk voort uit jaloezie (lekker baantje zo met je hoofd in de zon en je billen op een kussentje) of anders uit een veel te kunstmatige visie op onderwijs. Het lijkt er in ieder geval op dat er hele generaties kinderen opgroeien die niet goed meer kunnen (buiten)spelen. Het is allemaal zo weer klaar, al die spelletjes van ze. Er zit kop nog staart aan het spel. Ik zie het vanuit de positie waarin in vanaf mijn vakantieverblijf uitzicht heb op een speeltuin. Hier gaat een meisje even op de schommel. Daar klimt er een jongetje een paar seconden op de pingpongtafel. Soms komen er twee kinderen stoer met de bal onder de arm het veld op om vervolgens minuten lang wat onduidelijke regels met elkaar te bespreken, twee keer over en weer te trappen en dan hoppa…de speeltuin weer uit te lopen. De ene keer moet oma mee om de schommel te duwen. Een andere keer komt papa mee om te laten zien hoe goed hij voetballen kan. Ook in het park waar ik vaak met mijn hond loop is overal aan gedacht. Nou ja..niet aan de hond. Die arme lieverd mag er praktisch niets. Maar voor kinderen is het een walhalla. Prachtige houten klautertoestellen zijn er verrezen, een houten schip dat half in het water staat. Er kunnen bruggetjes gebouwd worden. Het wemelt van de geheimzinnige bosjes. In de winter kun je met de slee naar beneden suizen langs hellingen. Er is een voetbalveld. Het is een prachtige plek om op te groeien. Ik zie er echter nooit een kind. Ook in de klas valt het me op hoe weinig fantasie leerlingen zelf hebben. Het programma is overvol, hun weekagenda’s puilen uit van de vervolgopdrachten want ook op dit gebied hebben schooladviesdiensten behoorlijk huisgehouden maar alles stokt, alles komt tot stilstand als ik de opdracht geef om het laatste kwartier iets ‘voor jezelf te doen’. Het is een erg ouderwetse opdracht, ik weet het, maar ik kan het niet laten. Nou dat zal ik weten. Iets voor jezelf doen moet namelijk altijd op een computer. Er valt echte schrik af te lezen op hun gezichten als ik zeg dat ik eigenlijk aan iets anders dacht. Dat kan ik toch niet menen? Als de ernst tot ze doorgedrongen is dan zijn er natuurlijk altijd wel een aantal kinderen die zich goed vermaken maar er zijn er ook die wat bozig om me heen hangen: ik weet niet wat ik moet doen? Ik verveel me. Goed zo, zeg ik dan. Verveling is een mooi ding. Ik zou graag les geven in verveling. Daar komen de mooiste dingen uit voort. Ik heb nog altijd heimwee naar die eindeloze lege tijd die mij vroeger wachtte na schooltijd en in de vakanties. Er waren net zoveel verhalen over kinderlokkers en griezelige moorden als in het huidige tijdsgewricht maar het maakte voor mijn onbekommerde zwerfpartijen over de Veluwe niets uit. Weet u niets dan, vraagt de verveelde leerling mij nogmaals enigszins verwijtend. O ja ik weet het wel. Maar daar zit nu net het probleem. Ik wil niet dat mijn fantasie aangesproken wordt maar die van hun. We hadden ze nooit binnen moeten laten, die schooladviesdiensten.

dinsdag 26 mei 2015

Column. Empathie

Voorheen was het hoofd der school de baas. Dat kwam mij niet altijd goed uit. Van het principe van een hiërarchie begreep ik altijd wel de logica, de noodzaak zelfs, maar in de uitvoering ging er nogal eens iets mis. Iets doen omdat de baas het zegt is geen groot talent van mij. Het is dan ook opmerkelijk dat deze rol het laatste decennium flink veranderd is: ik loop niet meer zo vaak te hoop tegen hetgeen er uitgevaardigd wordt door mijn baas. Integendeel. Ik voel eerder empathie voor het droeve lot dat hem of haar getroffen heeft. De rol van een schooldirecteur is heden ten dage die van een kapitein zonder mogelijkheden om ook maar in de buurt van het roer van zijn schip te komen. Er staan simpelweg teveel mensen in de weg: het bestuur, de inspectie, passend onderwijs, de minister, de staatsecretaris, de medezeggenschapsraad, de GMR, het management team van de eigen school, de publieke opinie alsmede op hun recht staande ouders die geen enkele drempel meer zien als ze naar school stuiven. Een schooldirecteur kan hooguit zwalkend enige voortgang proberen te boeken met zijn schip. Hier roept iemand dit, daar roept iemand dat. Vandaag wordt rapport 1 naar binnen geschoven. Morgen verschijnt pamflet 2. Moet ik daar echt nog tussen gaan staan en hard mee roepen? Ik breng liever een kopje koffie. De dagen van een doorsnee directeur lijken uit een aaneenschakeling van impulsen, voorvallen en schermutselingen te bestaan. Hier zet een aantal leerlingen de boel op de kop bij een invaller, daar staat een drietal ouders bij het hek kwaad te spreken. Collega A. komt binnen vanwege een omissie in het karakter van collega B. Collega C. is boos omdat ze overal alleen voor staat bij het organiseren van het paasontbijt. Een leerling uit groep 7 heeft een andere leerling een bloedneus geslagen en zit nu achter je in het kantoor. Het bestuur belt waar het Schoolplan blijft, een blik in het leerlingvolgsysteem maakt duidelijk dat vrijwel niemand de groepsplannen op tijd af heeft en collega nummer 4 heeft zich zojuist afgemeld met een zogenaamd legitieme reden om niet bij de personeelsvergadering aanwezig te zijn. En steeds opnieuw die afweging: moet ik op mijn strepen gaan staan of zal ik het maar laten? Maak ik er een punt van tijdens de beoordelingsgesprekken van mijn personeel of moet ik maar accepteren dat het gaat zoals het gaat. Sla ik met mijn schoen op tafel tijdens vergaderingen of ben ik er meer mee gebaat dat de sfeer een beetje leuk blijft. Ga ik akkoord met het beroep dat het bestuur op mij doet ten aanzien van allerlei school overstijgende klussen of steek ik die tijd liever in mijn eigen school? Als ondergeschikte ben ik een beetje week geworden ten aanzien van de lastige positie waar schooldirecteuren in verkeren vooral als er weer eens een zijn biezen moet pakken omdat hij door dat enorme krachtenspel omver geblazen is. Maar er is natuurlijk wel een grens aan deze weekheid. Kom op dames en heren! Treed eens op. Klauter uit dat moeras van eisen en tegenstrijdige verwachtingen. Dit komt niet meer vanzelf goed. Ontwikkel een visie op leidinggeven. Enthousiasmeer. Stel hoge eisen aan het personeel maar sta altijd achter ze bij problemen. Laat iedereen netjes op de deur kloppen en een afspraak maken, ook het bestuur en de ouders. Haal zinvolle scholingen binnen. Creëer sfeer in de school, organiseer zo nu en dan spetterende feesten en ontworstel de school en het team aan de waan van de dag. Met een beetje lef is het een prachtig beroep. Er staat nergens geschreven dat schooldirecteuren boksballen horen te zijn met wie zelfs het meest inspraakgevoelige type medelijden krijgt. Neem ook geen enkel advies meer aan, behalve natuurlijk het mijne!

maandag 11 mei 2015

Column. Gymles

In het hok, achter een kast zit Bas. Hij zit daar al even. Ik loop naar Kenneth. Moet hij daar nu de hele les blijven zitten? Kenneth kijkt mij aan. Bas was wel erg vervelend, zegt hij. Ik knik. Dat is waar maar de hele les? Ik had hem gewaarschuwd juf! Dat is ook waar, antwoord ik, maar toch.. Kenneth geeft zich gewonnen. Hij loopt hij naar de kast. Doe maar weer mee, zegt hij grootmoedig. Bas staat op en kijkt mij opgelucht aan. Maar nog een ding, zegt Kenneth dreigend. Bas draait zich om. Ja? De volgende keer kun je je aankleden! Dat is goed, zegt Bas gedwee. Kenneth vervolgt zijn les. Hij geeft een les free running. De les is heel goed voorbereid. Het is wonderlijk hoeveel overwicht en overzicht hij heeft. Het niveau ligt op derdejaars pabo. Ik overdrijf niet. Kenneth is niet de enige die zo goed lesgeeft. Ook Thomas verandert van een wat onzekere, onopvallende knaap in een stevige leider als hij hockeylessen geeft. Kijk, je houdt de stick zo vast en dan sla je de puck met een slag…Doortje, je let niet op, straks weet je niet wat je doen moet! Sorry Thomas. In orde Doortje, ik zal het nog eens vertellen. Kijk.. Hij loopt aandachtig rond tijdens de les. Hier corrigeert hij een houding, daar doet hij het een keer voor en elke keer als iemand probeert de aanwijzingen in de wind te slaan snelt hij naar zijn klasgenoot toe. Wat zei ik nu? O ja. Sorry. Gymles geven is ontzettend belangrijk voor deze groep 7. Hun zelfstandigheid bij deze lessen kwam geheel organisch tot stand. Een aantal jongens vroeg op een goed moment of ze sommige lessen zelf mochten geven en ze bleken dit zo goed te kunnen dat ik het prima vond. Ik grijp alleen nog in als het onveilig dreigt te worden of als ze teveel van elkaar vragen. Als ze niet durven dan hoeft het niet Thomas. O nee, dat is ook zo juf. Zowel Thomas als Kenneth snappen niets van niet durven of niet kunnen. Ze denken dat iedereen met een beetje lef en toewijding wel verder komt. Dat is natuurlijk ook zo maar dan kennen ze de toewijding waarmee de brigade van de omgeklapte enkeltjes hun onvermogen kracht wenst bij te zetten nog niet. Doortje en Aisha zijn niet voor de poes: zien jullie niet hoe zwaar ons alles valt. Nee? Dan gaan we wel huilen. Er doet altijd wel iets zeer. Zelfs bij een sprongetje van een halve meter wellen er al tranen. Daar snappen deze jongens niets van. Probeer het maar, zeggen ze lief, zal ik je een hand geven. Als de sprong gewaagd en het enkeltje bezeerd is dan rennen ze naar het toilet om een nat doekje voor het vermeende slachtoffer te halen. Zo schattig. Omdat Thomas en Kenneth zo goed zijn volgden de andere jongens al snel hun voorbeeld. Er kwamen voetbaltrainingen, volleybaltrainingen, spellessen. Ze stonden in de rij voor mijn bureau om een afspraak voor een les te maken. Er volgden stevige discussies over de inhoud en het vervolg van de trainingen. En elke dinsdag om iets voor half negen staan ze me op te wachten bij de gymzaal met de lesvoorbereiding in de hand en een frons op het voorhoofd. Is er genoeg tijd om alles klaar te zetten? Zou dat en dat uit de kast mogen worden gehaald? Is er ook nog tijd voor een eindspel? En daar zit ik dan op de bank met de armen over elkaar. Ik ben dol op ze op zulke momenten. Tot ze zich aan moeten kleden. In de kleedkamer wordt de les namelijk nabesproken. En dan zijn het ineens weer jongetjes van 10.

zaterdag 18 april 2015

Column. Brandstapel.

Onlangs liet ik samen met mijn klas Catootje maar weer eens naar de botermarkt gaan. Het was zeker tien jaar geleden dat ik dit lied voor het laatst met een klas gezongen had- ik dacht dat mijn leerlingen het maar een oudbakken gevalletje zouden vinden- maar het bleek een instant hit. Kettingliedjes zijn erg populair dit jaar. Ze stelden meteen voor om met dit lied de bühne op te gaan bij de Sterrenparade. De rollen werden verdeeld en Myrthe sleepte een hele kist met verkleedkleren mee naar school. Binnen de kortste keren stonden ze allemaal vrolijk uitgedost op een botermarkt. Er was echter een probleem tijdens het instuderen van het lied: die dikke meid. Het opvoeren van een dikke meid op het toneel was bepaald geen handeling waarmee ik ‘kanjerjuf van de week’ zou kunnen worden. Twintig jaar geleden kon ik het meisje dat haar verbeeldde nog flink inzwachtelen en onbekommerd lekker laten zoenen maar nu zou het benadrukken van haar omvang de wenkbrauwen van de toeschouwers ongetwijfeld omhoog laten gaan. Ik was een tijdje in dubio. De afweging die ik moest maken deed me denken aan een voorval bij een bezoek aan een opera van Purcell. Ik raakte in gesprek met een dame die zich verontwaardigd toonde over het on-feministische gehalte van het werk. Ik deelde deze verontwaardiging niet. We hebben het hier wel over de 17e eeuw, bracht ik verbaasd in. Ze was echter onvermurwbaar. De vrouwonvriendelijkheid stoorde haar en daarmee uit. De tekst van Catootje komt ook uit een ander tijdsgewricht. Kan ik dat nu zo laten omdat het toen heel gewoon was of moet ik het aanpassen aan de moderne opvattingen over wat hoort en niet? Na ampel beraad besloot ik er maar een lieve meid van te maken. Een kleine aanpassing vanwege het voortschrijdend inzicht en zo meer. Er wordt immers in de loop van de tijd wel meer overboord gekieperd vanwege dat inzicht. In mijn jonge jaren als juf sneuvelde De Olijke Tweeling. Een serie jeugdboeken, geschreven door Arja Peters. Van de een op de andere dag werden deze boeken door met name bibliothecaressen in de ban gedaan. Het taalgebruik deugde niet, de karakters waren te stereotiep. Gehoorzaam mikten wij de boeken ook op school in de papiercontainer. Grappig genoeg overleefde de serie de brandstapel wel. Er komen namelijk nog steeds nieuwe deeltjes uit. Hertaald en aangepast aan de nieuwe politiek correcte normen. Een serie die echter niet te redden was –en terecht- is Piempampoentje, Pompernikkel en Piepeling door Piet Broos. Geschreven in de jaren veertig van de vorige eeuw. Het boekomslag maakt meteen duidelijk waarom. Alleen de Klu Klux Klan zou er nog belangstelling voor kunnen hebben. Ik durf bijna niet te schrijven dat ik die boeken in bezit had en zelfs graag las. Ik voel me met terugwerkende kracht schuldig. Waar je echter nooit op verdacht kunt zijn in een klas is hoezeer leerlingen zelf met een tekst aan de haal kunnen gaan. Zo zal ik hier maar niet expliciet beschrijven wat er ooit eens ’s avonds allemaal met de arme Dina in de keuken gebeurde. Er hoorde enthousiast op een banjo gespeeld te worden maar met dit stel kinderen ging het er beduidend minder onschuldig aan toe. Ik deed het lied de rest van het jaar in de ban. Een andere ban die ik ooit eens uitsprak betrof ‘de haan is dood’. Halverwege het aanleren van dit lied aan mijn nieuwe groep viel me op dat de leerlingen dit keer wel erg enthousiast mee zongen. Ik keek wat achterdochtig om me heen maar er viel me niets op. Dus zette ik opnieuw in. Tot Rudie plotseling in tranen uitbarstte. Ik stopte abrupt en vroeg wat er was. Hij heet ‘de Haan’ juf, lichtte Rosa toe terwijl ze me verwijtend aankeek.