zaterdag 31 oktober 2015

Column. Maartje

Ze zitten doodstil, de hele Klokhuisaflevering lang. Je kunt werkelijk een speld horen vallen. Vooral het filmpje over een zwaar gepeste jongen waar een mooi droevig lied bij klinkt, hakt er in. Er wordt geslikt en hier en daar biggelt een traan. Naar hè, hoor ik Sanne fluisteren tegen haar buurvrouw. Megan knikt maar houdt haar ogen strak op het scherm gericht. Heel stil pakken de leerlinggen even later hun eten en drinken. Zo dat was niet mis zeg. Tjonge. Even zo goed hoor ik nog geen half uur later -als ze na de pauze de klas in komen- een zin luid boven het rumoer uitklinken: hee Thomas, heb je lekker zitten tongen met Maartje? Er klinkt een bulderend gelach. Net als ik op het groepje jongens af wil stappen om orde op zaken te stellen, komt Maartje zelf binnen. Ze wordt ondersteund door twee meisjes en snikt onbedaarlijk. Achter haar aan komen twee andere meisjes de klas binnen. Ze kijken bedrukt naar Maartje en haar hulpverleners. Er heeft zich duidelijk opnieuw een akkefietje tussen hen afgespeeld. Het verbaast me want gisteren om deze tijd kwam Maartje ook al snikkend binnen en was het precies andersom: de ondersteuners van nu zijn de aangeklaagden van gisteren. Er is vaak iets te doen rond Maartje. Zelf weet ze een ding zeker over al die gebeurtenissen: ze wordt gepest. Ze is slachtoffer. Haar moeder onderschrijft deze visie en is meestal net zo van slag als haar dochter. Ze trekken eendrachtig op in hun kijk op de werkelijkheid. Toch ligt het vaak wat complexer. Ja, Maartje wordt wel eens buitengesloten. Bij samenwerkingsopdrachten wordt ze alleen gevraagd als ik zeg dat de samenwerking alleen doorgaat als iedereen een plekje vindt. Bij gymlessen onderdrukken sommige leerlingen maar met moeite een zucht als zij zich bij hun groepje voegt. Het punt is dat er echt wel reden is om Maartje er niet bij te willen hebben: ze past zich namelijk niet aan. Ze doet alles op haar eigen onnavolgbare wijze. Het ene klasgenootje heeft meer geduld met dit gedrag dan de ander maar voor elk meisje -het zijn er maar zeven in deze groep-komt een moment waarop ze geïrriteerd raken. Zoveel verantwoordelijkheid om geduldig met dit gedrag om te gaan kunnen ze niet aan. En dus span ik mij in Maartje steeds weer opnieuw duidelijk te maken hoe ze zich coöperatiever zou kunnen opstellen. Hoe ze al die problemen voor kan zijn. Waar ze aan vast mag houden en waar ze inschikkelijk kan zijn. Het is vaak tevergeefs. Ondanks allerlei vaardigheidstrainingen- ook buiten school- blijft ze zichzelf als slachtoffer zien. Als ze haar zin niet krijgt, denkt ze onmiddellijk dat ze gepest wordt. Dan stiefelt ze boos weg, slaat met de deuren of snikt zo onophoudelijk to een van de meisjes het doodzielig vindt, haar opzoekt, troost en van de weeromstuit maar mee klaagt over die andere kinderen. Als geen van de meisjes komt troosten, wacht ze tot ze haar moeder ziet en gooit zich snikkend in haar armen. Er is weer iemand schuldig. Iemand heeft wat gedaan of wat nagelaten en vanwege de vele irritaties die ze op deze wijze opwekt is dat regelmatig ook echt waar. Het is een verdrietige en moedeloos makende vicieuze cirkel. Tijdens de Kinderboekenweek doen Tim, Sam en Sean een geweldig leuk proefje in de klas. De volgende ochtend komt Maartje met een volle tas naar binnen. Ze wil ook een proefje voordoen. Met stijgende verbazing zien we dat ze precies hetzelfde proefje doet. Als Tim op wil springen leg ik mijn vinger tegen mijn mond. Hij houdt zich in. Laten we het maar negeren, leg ik uit als Maartje haar spullen de klas uitdraagt, misschien helpt dat. Tim knikt. In zijn ogen staat verbijstering te lezen.

vrijdag 16 oktober 2015

Column. Passend.

Het kamertje zit vol. De opa en oma van Tim zijn er, de beide leerkrachten van Tim, de interne begeleider, de directeur alsmede een behoorlijke vertegenwoordiging van Passend Onderwijs. Er zitten zo’n acht a negen volwassenen om de tafel geschaard. De problematiek rond Tim is groot. Er wordt dan ook lang en intensief vergaderd. Tim zit in een klaslokaal dat toevallig precies boven het kamertje ligt. Voor zijn klas staat een invaller. Voor zijn eigen leerkrachten is het al zeer inspannend om Tim in de groep te hebben, voor een invaller is het zo goed als onmogelijk. Tim schreeuwt, hij gooit met zijn spullen en hij weigert iets te doen. De invaller soebat, dreigt, smeekt maar Tim geeft geen sjoege. Zijn ogen staan wild in zijn hoofd en hij kijkt woest om zich heen: wie zal hij nu eens laten boeten voor de razernij die in hem woedt. Beneden staan ze op dat moment uitvoerig bij die razernij stil. Tim is zo boos, zo onhandelbaar. Waar komt het vandaan? Er worden verklaringen gezocht, gevonden en weer verworpen. Er worden behandelstrategieën geëvalueerd en nieuwe besproken. Werkt dit? Nee? Dan werkt misschien wel dat. Ook zijn medicatie passeert de revue. Het is allemaal nog niet goed ingeregeld. Het is lastig want er spelen zoveel zaken bij die jongen. Ondertussen heeft Tim een slachtoffer op het oog. Iets irriteert hem plotseling mateloos aan Madeleine. Madeleine kijkt met grote angstogen naar haar klasgenootje. Blijft hij waar hij is of komt hij op haar afgestormd? Hij komt op haar af gestormd en wel met gestrekt been. Gelukkig raakt hij een stoel. Madeleine is net op tijd weggesprongen. De invaller pakt Tim bij zijn arm beet. Ze kan niet anders. Tim is nu echt een gevaar voor zijn klasgenootjes. Hij rukt als een bezetene om los te komen. Laat me los! Laat me los, krijst hij. Ondertussen raakt hij alles wat hij maar raken kan. Er zitten nu zo’n vijf leerlingen niet meer op hun plaats. Schriften vallen op de grond, tafels raken van hun plaats, stoelen vallen om. De invaller probeert Tim naar de deur te sleuren maar hij verzet zich hevig. Laat me los. Laat me los. Onder hen heeft de oma van Tim het woord genomen. Het gaat en het gaat niet, zucht ze maar het zou beter gaan als de leerkracht van de donderdag…en hup daar wordt een verwijt op het bord van een van de leerkrachten gelegd. Er ontstaat enige verwarring. Wat is er dan gebeurd? Wanneer dan? Hoe is dat opgelost? Is het wel opgelost? Er wordt wat over en weer gepraat. De kou gaat weer uit de lucht. Dan komt er een plan van aanpak op tafel. Als we nog eens zus of zo en de medicatie instellen op dit en dat. Boven is de klas onder leiding van de invaller afgezakt naar de derde kring van de Hel van Dante. Tim staat inmiddels op de gang waar hij de bibliotheek op geheel eigen wijze aan het herschikken is en in de klas heeft Daan zich een goed vervanger van zijn klasgenoot getoond. Hij staat op het bureau en wil er niet af. Daan heeft ADHD, het is allemaal maar net beheersbaar behalve op deze momenten. De invaller is de wanhoop nabij en haalt hulp bij een buurklas. Ondertussen sleept de vergadering zich beneden voort. De leerkrachten wanhopen, de interne begeleider noemt op wat er allemaal al gebeurd is, de gedragskundige adviseert, de orthopedagoog oppert, de directeur notuleert, de begeleider schrijft de punten voor het nieuwe behandelplan op. Boven doen inmiddels twee leerkrachten verhitte pogingen Daan van het bureau te krijgen. In de bibliotheek is het een rotzooi. Twee ontregelde klassen kijken ademloos toe.

zaterdag 3 oktober 2015

Column. Ja Maar

Ze zijn leuk, de leerlingen van mijn groep 6 en 7, stuk voor stuk. Behalve als ze niet leuk zijn. En ‘niet leuk’ zijn ze vooral als groep. Er valt nog een wereld te winnen aan saamhorigheid, verantwoordelijkheid en samenwerking. Dat is niet erg. Ik moet toch nog wat te doen hebben nu ik het aantal dienstjaren bereikt heb waarop het inhoudelijke deel van dit vak gesneden koek voor me is. Het is soms wel ergerlijk: Juuff…ik ben mijn boek kwijt. Ik kan mijn pen niet vinden. Ik heb geen liniaal gekregen. Ik wist niet dat ik die som ook nog moest maken. Dat had je niet gezegd juf. Dat heb ik niet gehoord juf. Het is een hele klus om een rekenles op deze wijze ordelijk te laten verlopen. Ik laat het dan ook vermaningen regenen: heb ik gezegd dat je samen mag werken? Gisteren mocht het anders wel juf. Waar is je uitrekenblaadje? Ik maak dit uit mijn hoofd juf. Waarom ben je bij Bart gaan zitten? Mag dat niet dan? Ook in sociaal opzicht is er veel onrust. Het zijn vooral hun antwoorden die me verontrusten: waarom doe je dat? Anna doet het ook. Waarom zeg je zoiets lelijks? Mascha zegt het ook. Is het waar dat je Sean geschopt hebt? Hij schopte zelf. Sia, ik hoor net dat Sara verdrietig is omdat je gezegd zou hebben dat ze rare schoenen aan heeft. Klopt dat? Ach, het was maar een grap juf. Ik word pinnig van dit soort reacties en ongemakkelijk. Kom maar weer de klas in Sjoerd, je bent al drie keer achter je computer weggelopen. Ja maar.. Waarom sta je achter me, je kunt toch je rode stip op tafel leggen als je wil dat ik kom? Ja maar.. En vrijwel nooit volgt er een antwoord dat voldoet. Een antwoord waarvan ik denk, o ja dat had ik even niet gezien. Het is onrust, impulsiviteit en in een enkel geval onwil. Er is een lange weg te gaan met dit stel en die weg bewandel ik niet altijd even opgewekt en geduldig. Waarom heb je deze taak niet afgemaakt? Moest dat dan? Ik denk dat ik dat drie keer gezegd, het kan ook vier keer zijn. O, wist ik niet. Juf, ze wilden mij in de pauze steeds maar naar Armin sleuren. Ze zeiden dat ik op hem ben. Ik vond dat heel vervelend. Verbaasd schud ik mijn hoofd. Ik stond op het plein Sharon. Ik heb het gezien. Je vond het heel erg leuk. Ja juf maar nu niet meer. Heb je ze dat verteld Sharon? Nee, dat niet juf. Met deze groep is het soms simpelweg teveel gevraagd om het groepsproces te sturen. Er is teveel gedoe met teveel leerlingen. Juf, Jasmijne doet irritant. Ze kijkt steeds achterom. Klopt dat Jasmijne? Ja, maar dat doet zij ook wel eens. Waarom zitten jullie zo te hakketakken in dit groepje? Wat is hakketakken? Dat gemopper, die flauwe soms kwetsende grappen die jullie vandaag steeds maken. Wat is kwetsen? Elkaar pijn doen. O maar dat doen zij ook hoor. Vanwege mijn vele interventies, drieste maatregelen en niet zachtzinnige sancties zag ik een beetje op tegen de kennismakingsgesprekken met hun ouders. Er kwam echter geen onvertogen woord. Ook over de band met mijn leerlingen was ik bepaald niet tevreden de eerste weken na de vakantie. Op een dag zak ik om kwart over drie vermoeid achter mijn bureau. Ik ben uitgeteld. Er blijft echter een aantal leerlingen achter. Ga eens naar huis, zucht ik. Juf, we wilden even zeggen dat we het heeeel errug leuk vinden bij jou. Ik kijk verbijsterd op. Dat kan niet, antwoord ik naar waarheid. Ze knikken enthousiast. Echt waar hoor juf.

zondag 20 september 2015

Column. Twijfel.

Ze zijn zo klein, constateer ik verbaasd, als ik mijn nieuwe groep eens wat beter in me opneem. Bij veel leerlingen bungelen de benen zo’n tien centimeter boven de vloer. Er zijn al zeker vijf leerlingen komen klagen dat ze de tafel en de stoel te hoog vinden. Dat is andere jaren altijd andersom. Ook qua gedrag geven sommige leerlingen eerder de indruk in groep 5 te zitten dan in groep 6. Zo is Jasmijne vandaag al voor de vijfde keer van slag. Je hebt nu wel genoeg gehuild, zucht ik tamelijk onredelijk. Ik heb nog geen enkel idee wat Jasmijne beweegt. Dat geldt ook voor Armin. Hij lijkt geen moment te horen wat ik zeg. Hij tuurt uit het raam of houdt anderen van het werk. Het duurt niet lang of ik ontsteek in razernij over zijn gedrag. Even daarvoor heb ik uitgebreid toegelicht hoe een topo-repetitie ingeoefend moet worden en de bijbehorende huiswerkbladen uitgedeeld. Als Armin naar huis gaat heeft hij niets bij zich. Waar is je huiswerk, vraag ik. Huiswerk? Armin kijkt mij bevreemd aan. Topo Nederland, licht ik toe. Topo Nederland? Ja, die bladen die iedereen in de hand heeft, wijs ik. Armin kijkt verbaasd rond. Ga ze maar zoeken, grom ik. Armin zoekt wat halfbakken in zijn kastje. Ik heb ze niet, mompelt hij tegen een klasgenootje, ze zegt dat ik ze heb, maar ik heb ze niet. Met stevige passen been ik naar hem toe. Wat hoor ik daar, geef je mij de schuld? Armin kijkt omhoog. Nee, ik geef je niet de schuld maar misschien ben je me gewoon vergeten. Ik ben nog maar net bekomen van deze brutaliteit als Jasmijne voor de zesde keer huilend binnenkomt. Ik ben mijn tas kwijt, snikt ze. Achter haar staan twee meelevende klasgenootjes: Tara en Sia. Ze slaan de armen om haar heen. In optocht vangen we een zoektocht aan en vinden de tas uiteindelijk in groep 4. Jasmijne gaat blij en opgelucht naar huis. Als ik naar mijn klas terugloop knaagt er twijfel. Was het toeval dat die tas daar lag? En waren Tara en Sia werkelijk echt begaan met Jasmijne? Diezelfde ochtend was er nog een vervelend akkefietje geweest rond Sia. Jasmijne had haar derde huilbui van die dag en Sia bleek de oorzaak. Toen ik Sia om opheldering vroeg, keek ze me verbaasd aan. Toen we een spelletje gingen spelen zei ik alleen maar: we moeten Jasmijne er wèl bijnemen, licht ze toe. Dus je bedoelde het aardig, concludeer ik. Ja natuurlijk juf. Als ik de rest van het groepje vraag of deze versie de juiste is blijkt het omgekeerde het geval. De opdracht om Jasmijne bij het spel te betrekken was van de gymjuf gekomen. De klemtoon in de zin van Sia had op het woord ‘moeten’ gelegen. Als ik terugkom in de klas staat Armin er nog. Juf, zegt hij vriendelijk, ik wil je nog even vertellen dat ik zo vaak uit het raam kijk omdat ik last heb van mijn nek. Ik kan niet goed buigen, snap je? Ik knik maar ik aarzel opnieuw hoe ik dit nu in moet schatten. Net zoals de twijfel knaagt bij de eerste samenwerkingsopdracht aan deze groep: accepteer ik deze herrie omdat ze het nog moeten leren of stop ik acuut? Net zoals ik aarzel bij de eerste computeropdrachten in de gang: is het enthousiasme waarmee ze op hun stoel zitten te wippen en door de gang roepen hoe cool dit allemaal is nog te verdragen voor andere klassen of zal ik ze maar naar binnen halen. Ben ik te streng, te makkelijk, laat ik me van alles wijsmaken, beoordeel ik het te hard? Na al die jaren ben ik aan het begin van het schooljaar nog net zo’n twijfelaar als in het begin van mijn loopbaan.

maandag 7 september 2015

Huilen

Juf! Zonder op te kijken weet ik dat het mis is. Het is hoorbaar in de stem van Jasper. Een klein beetje weliswaar maar net genoeg om te horen dat Jasper een manhaftige poging doet om zijn emoties in bedwang te houden. Hij wil niet huilen. Onder geen beding. Ik draai me naar hem toe. Zeg het maar. Ze doen dat spel weer juf, hakkelt hij, en ik ben steeds de pineut. U heeft dit spel verboden dus ik doe niks terug maar nu tikken ze me de hele tijd. Ik kijk naar zijn groepsgenootjes. Er speelt iets rond hun lippen. Er is op gezette tijden niks zo leuk als Jasper een beetje jennen. Hij reageert namelijk altijd. Zelfs als hij probeert niet te reageren. Ik zie het vaak aan de ingespannen wijze waarop hij schrijft. Alsof hij een mantra herhaalt: niet opkijken, dan gaat het misschien over. Niet opkijken dan....maar hij kijkt toch op. Om vervolgens te constateren dat het waar is. Ze hebben hem opnieuw in het vizier. Hij weet dat het beter is om het te verdragen dan om het mij te melden maar hij houdt het niet vol. Hij kan er gewoon niet tegen. Het raakt hem diep. Zou ik willen zorgen dat het stopt? En ja daar zorg ik dan voor. In de pauze neem ik de daders monsterend op. Waarom toch, zucht ik terwijl ik mijn armen wanhopig ophef. Hij is jullie vriend. Jullie kunnen het doorgaans prima vinden met elkaar en dan ineens veranderen jullie in van die geniepige pestkopjes. Leg dat eens uit! We plagen elkaar allemaal wel eens, antwoordt Thomas, alleen Jasper kan er niet tegen. En hij reageert gewoon altijd, vult Derek aan, dat vinden we dan leuk. Is het dat ook, vraag ik, is het echt leuk? Nee, nu niet meer,antwoordt Thomas, als ik erover nadenk is het helemaal niet leuk. Maar het gaat soms gewoon vanzelf juf, dan meen ik het helemaal niet zo en dan reageert hij zo overdreven en dan ga ik maar gewoon door. Jasper is overgevoelig, zeg ik, hij is heel serieus en heel gevoelig. Zijn vrienden knikken. Je zou dat ook gewoon kunnen accepteren en er rekening mee kunnen houden. Ze kijken elkaar aan. Dat is waar, dat is goed, dat gaan ze proberen.. Het gaat inderdaad een poosje goed en dan ineens....juf! Daar staat Jasper weer. Onmachtig, huilerig, in de war. Op een dag houd ik niet zijn vrienden maar hem in de pauze binnen. We moeten eens praten. Dat is goed. Jasper kijkt me benauwd aan. Ik vind het vervelend voor je dat je je zo voelt, zeg ik. Om die reden probeer ik je ook steeds te helpen. Jasper knikt om het hardst. Maar daar stopt het niet door. Jasper schudt zijn hoofd hevig heen en weer. Ik weet het. Ik weet het, zegt hij, ik moet het zelf doen maar ik weet niet zo goed wat ik moet doen. Het valt ook niet mee om er wat tegen te doen, zeg ik, op jouw leeftijd kunnen jongetjes heel vervelend doen tegen elkaar. Dat stopt wel een keer maar daar heb je nu niets aan. Je moet maar gewoon eens wat proberen. Kijk maar eens wat werkt. Schreeuw ze bij je weg, stampvoet, duw desnoods. Ik neem je niets kwalijk. En als het echt niet lukt kom je maar weer bij mij. Jasper knikt. Drie dagen later wordt de les plotseling onderbroken door een luide krijs. En nou houden jullie op! We kijken allemaal verschrikt op. Jasper is rood, rood en boos. Tim en Thomas kijken verbaasd en verschrikt in zijn richting. Goed zo, zeg ik waarderend tegen Jasper. Neem ze te grazen, pak ze aan! Jasper buigt zich weer over zijn werk. Hij lijkt opgelucht.

vrijdag 19 juni 2015

Column. Doos

Aisha is een heel nauwgezet meisje. Ze is er van overtuigd dat het leven geen lolletje is. Het is haar een raadsel hoe achteloos andere kinderen soms kunnen zijn. Huiswerk niet in orde? Afkijken bij een repetitie? Het onthutst haar zo erg dat ze mij regelmatig op de hoogte komt stellen van de overtredingen van anderen. Niet zo zeer om te klikken maar om haar verbazing uit te spreken. Hoe kan het toch dat sommige kinderen zo maar hun eigen gang gaan? Vandaag houdt Aisha een spreekbeurt over de koran. Ik zie haar ’s morgens vanuit de deuropening van mijn lokaal aankomen. Ze houdt een plastic zak met twee handen vast en kijkt wat angstig naar de ruw langs haar heen lopende leerlingen. Ik begrijp het meteen: in die zak zit de koran. Ze heeft me zorgvuldig geïnstrueerd. Niemand mag het boek vastpakken zonder daar bij een bepaalde zin uit te spreken. Ik ook niet. U bent geen moslim, zei ze streng. Ik had haar plechtig beloofd dat niemand het boek vast zou pakken. Aisha ziet echter geen kans om haar jas uit te doen zonder de tas neer te leggen. Ze aarzelt. Dan loopt ze op me af. Houdt u hem toch maar even vast, zegt ze. Plechtig sta ik met de tas in de handen en wacht tot ze terug is. Als ze met haar spreekbeurt begint is het doodstil. Aisha staat met zo’n ernstig gezicht voor het digi-bord dat ze die stilte vanzelf afdwingt. Ze vertelt over de koran, de moskee, Mohammed, Allah. Op het moment dat ze een plaatje van de Kaaba laat zien, schiet Tiemen verrast omhoog. Hij is duidelijk onder de indruk van het gebouw. Het lijkt eigenlijk wel wat op een doos, peinst hij. Aisha schrikt heftig. Op zijn beurt schrikt Tiemen van haar reactie. Er valt een wat verwarrende stilte. Wat gebeurt er nou? Aisha herpakt zich en vervolgt haar verhaal. Ze slaagt erin om tot het eind toe de aandacht op een intense manier vast te houden. Dan mogen er vragen gesteld worden. Tiemen steekt zijn vinger op. Waar schrok je nou zo van toen ik zei dat het gebouw op een doos lijkt. Omdat je de profeet beledigt, antwoordt Aisha. Maar ik ken de profeet helemaal niet, verdedigt Tiemen zich, ik bedoelde het ook niet vervelend. Aisha is echter niet te vermurwen. Je zegt zulke dingen niet over de profeet! Tiemen kijkt mij hulpeloos aan. Hij bedoelde het niet vervelend en dat is wat telt, zeg ik. Aisha haalt boos haar schouders op. Ik heb kennelijk geen autoriteit op dit gebied. Sam steekt zijn vinger op. Wat gebeurt er als je per ongeluk vergeet die woorden te zeggen als je de koran oppakt? Aisha valt stil. Ze moet nadenken. Dan schiet het haar te binnen. Dan moet je branden, zegt ze ferm. De stilte die valt is nu werkelijk oorverdovend. Branden? Jeetje. Sam steekt opnieuw zijn vinger omhoog. Ken jij iemand die moest branden, vraagt hij. Aisha schudt haar hoofd. Niemand vergeet die woorden, zegt ze. Sam steekt onmiddellijk opnieuw zijn vinger op. Heb je dan wel eens gehoord dat iemand branden moest, ergens op de wereld? Aisha schudt haar hoofd. Nee, daar heeft ze nog nooit van gehoord. De klas haalt opgelucht adem. Dan haalt ze een gebedssnoer tevoorschijn. O ja, dit ben ik nog vergeten te vertellen. Dit is een tasbih. Het wordt gebruikt om gebeden mee op te zeggen maar soms ook gewoon om je vingers mee bezig te houden. Ik zal het even rond laten gaan. Aisha geeft het snoer aan het kind dat voor haar zit. Ik schiet overeind. Doe er voorzichtig mee, waarschuw ik. Aisha schiet in de lach. Dat hoeft niet hoor juf, het is gewoon plastic.

zaterdag 6 juni 2015

Column. Verloren.

Het is misschien wel mis gegaan toen de leerkrachten van groep 1 en 2 hun kussentje moesten inleveren. Dat kussentje waarmee ze op de rand van de zandbak zaten terwijl ze een kopje thee nuttigden en zo nu en dan een vechtpartij om een stuurkar oplosten. Schooladviesdiensten waren van mening dat leerkrachten mee moesten spelen met hun leerlingen. Didactisch en pedagogisch hoorden de toenmalige kleuterleidsters honderd procent van de tijd paraat te staan. Niet de fantasie van de leerling werd uitgangspunt tijdens het spel maar de fantasie van de leerkracht. Het kwam waarschijnlijk voort uit jaloezie (lekker baantje zo met je hoofd in de zon en je billen op een kussentje) of anders uit een veel te kunstmatige visie op onderwijs. Het lijkt er in ieder geval op dat er hele generaties kinderen opgroeien die niet goed meer kunnen (buiten)spelen. Het is allemaal zo weer klaar, al die spelletjes van ze. Er zit kop nog staart aan het spel. Ik zie het vanuit de positie waarin in vanaf mijn vakantieverblijf uitzicht heb op een speeltuin. Hier gaat een meisje even op de schommel. Daar klimt er een jongetje een paar seconden op de pingpongtafel. Soms komen er twee kinderen stoer met de bal onder de arm het veld op om vervolgens minuten lang wat onduidelijke regels met elkaar te bespreken, twee keer over en weer te trappen en dan hoppa…de speeltuin weer uit te lopen. De ene keer moet oma mee om de schommel te duwen. Een andere keer komt papa mee om te laten zien hoe goed hij voetballen kan. Ook in het park waar ik vaak met mijn hond loop is overal aan gedacht. Nou ja..niet aan de hond. Die arme lieverd mag er praktisch niets. Maar voor kinderen is het een walhalla. Prachtige houten klautertoestellen zijn er verrezen, een houten schip dat half in het water staat. Er kunnen bruggetjes gebouwd worden. Het wemelt van de geheimzinnige bosjes. In de winter kun je met de slee naar beneden suizen langs hellingen. Er is een voetbalveld. Het is een prachtige plek om op te groeien. Ik zie er echter nooit een kind. Ook in de klas valt het me op hoe weinig fantasie leerlingen zelf hebben. Het programma is overvol, hun weekagenda’s puilen uit van de vervolgopdrachten want ook op dit gebied hebben schooladviesdiensten behoorlijk huisgehouden maar alles stokt, alles komt tot stilstand als ik de opdracht geef om het laatste kwartier iets ‘voor jezelf te doen’. Het is een erg ouderwetse opdracht, ik weet het, maar ik kan het niet laten. Nou dat zal ik weten. Iets voor jezelf doen moet namelijk altijd op een computer. Er valt echte schrik af te lezen op hun gezichten als ik zeg dat ik eigenlijk aan iets anders dacht. Dat kan ik toch niet menen? Als de ernst tot ze doorgedrongen is dan zijn er natuurlijk altijd wel een aantal kinderen die zich goed vermaken maar er zijn er ook die wat bozig om me heen hangen: ik weet niet wat ik moet doen? Ik verveel me. Goed zo, zeg ik dan. Verveling is een mooi ding. Ik zou graag les geven in verveling. Daar komen de mooiste dingen uit voort. Ik heb nog altijd heimwee naar die eindeloze lege tijd die mij vroeger wachtte na schooltijd en in de vakanties. Er waren net zoveel verhalen over kinderlokkers en griezelige moorden als in het huidige tijdsgewricht maar het maakte voor mijn onbekommerde zwerfpartijen over de Veluwe niets uit. Weet u niets dan, vraagt de verveelde leerling mij nogmaals enigszins verwijtend. O ja ik weet het wel. Maar daar zit nu net het probleem. Ik wil niet dat mijn fantasie aangesproken wordt maar die van hun. We hadden ze nooit binnen moeten laten, die schooladviesdiensten.